Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Pastorie en sacristie van de kerk van O.-L.-Vrouw van de Finistère
Adolphe Maxlaan 55-57
Nieuwbrug 45
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
C. fils ALMAIN (-DE HASE) – architect – 1872
INCONNU - ONBEKEND – 1600-1699
Jean DE LIGNE – architect – 1930-1932
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Adolphe Maxlaan 55-57 Sacristie van de kerk Onze-Lieve- Vrouw van de
Finistère. Ondiep pand met monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten.
gevelfront in neobarokstijl, naar ontwerp van architect C. Almain-de Hase van
1872, aanleunend bij de koorabsis van de kerk. Achtste prijs in de gevelwedstrijd
voor de centrale lanen van 1872-1876. Gelijktijdig ontworpen met aansluitende
tuinmuur en westgevel van de pastorij (zie Nieuwbrug nr. 45) ; bouwaanvraag
voor laatst genoemde van 1872, voor sacristie en belendende huurhuizen in nr.
49-53 van 1873. In gevel gesigneerd en gedateerd 1874.
Rijk geornamenteerde natuurstenen lijstgevel met beeldhouwwerk door D.
Renodeyn, evenwel grondig verbouwd. Oorspronkelijk nadrukkelijke geleding door
krachtig gekorniste cordons, doorlopend over de blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. zijgevel; drie bouwlagen
en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. met œil-de-bœufs. Ornamenten, ontleend aan het repertorium van de
Vlaamse barokPeriode: 17e eeuw
De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw
in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van
de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde
herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de
renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer
theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt
zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische
gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van
plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken
en tussen licht en schaduw.
In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en
vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften
van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van
de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns
kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte
gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde:
uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met
voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede
entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke
orden, toortsen en putti.
De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van
de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse
puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en
uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld
door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen
in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke
motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en
gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt
gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en
chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve
elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen,
deuromlijstingen).
Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder
ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen
en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.).. In het middenrisaliet, superpositie van zuilenorden - deels
geringdVoorzien van een fijne, horizontale band., gecanneleerdParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. en getorstGedraaid, gewrongen. -; doorlopend in brede geveltop met Mariabeeld
in nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld., volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer., gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken., vazen en kruis. Op eerste twee bouwlagen
getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., op derde bouwlaag rondboogvensters ; geblokte omlijsting met
neuten en gestrekte of gebogen waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. of gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken.. Rondboogdeur en
oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. in rechtertravee : dito omlijsting met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., engelenhoofden,
volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer., gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. en topstukken, voorzien van jaartal MDCCLXXIV.
Bovenbouw in modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl aangepast naar ontwerp van architect
J. De Ligne van 1930, uitgevoerd in 1931-1932 : verticale aaneenschakeling van
de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met doorlopende beglazing en omlijsting, vervanging van de bedaking
door een vlakke attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.. Begane grond met uitzondering van portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). tot op halve
hoogte uitgehold voor winkelpuien naar ontwerp van J. De Ligne van 1932; heden
vernieuwd. Geveltop gesloopt in 1944.
Nieuwbrug 45 Pastorie Breed herenhuis met dubbelhuisopstand (hoek Adolphe Maxlaan), met zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee en drie bouwlagen respectievelijk onder zadel- en schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. (leien).
In oorsprong in traditionelePeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. stijl daterend uit de 17e eeuw,
aangepast in de tweede helft van de 18e eeuw, cf. deuromlijsting en
interieur, en in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. stijl uit het begin van de 19e
eeuw, cf. venstervorm en gevelbeëindiging. Omgevormd tot hoekhuis door aanleg
van Adolphe Maxlaan (1867-1871), waarvoor sloop van de belendende panden en
aanzienlijke ophoging van het straatniveau, cf. aangeaarde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en lager
gelijkvloers niveau. Grondige verbouwing naar ontwerp van architect C.
Almain-de Hase van 1872, beëindigd in 1873 : verhoging van de drie
rechtertraveeën met een derde bouwlaag, toevoeging van een nieuwe westgevel en
tuinmuur aan de Adolphe Maxlaan aansluitend bij de gelijktijdig ontworpen
nieuwe sacristie (zie Adolphe Maxlaan nr. 55).
Noordgevel. Lijstgevel met brede midden- en gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zijtraveeën
vermoedelijk opgetrokken uit bak- en zandsteen, doch bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en
beschilderd; verankering door middel van lelie-ankers met gekrulde spie op de
eerste bouwlaag, rechte op de tweede. Hoge rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met
lekdrempel, beluikt op de begane grond, vlak omlijst op de bovenverdieping van
de drie rechtertraveeën. Centrale spiegelboogpoort met beschilderde hardstenen omlijsting
in Lodewijk XV-stijl, uit de derde kwart van de 18e eeuw :
geprofileerd kwarthol beloop met spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., rocailles1. Schelp- of rotsachtig, asymetrisch ornament, waaraan rococo haar naam dankt. - 2. Tuinfolies of rotsachtige tuinconstructies. op sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. en in zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is.,
gekomiste gebogen waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. op gestrekte uiteinden; houten vleugeldeur met
gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. roosters (tweede helft 19e eeuw). Telkens klassiek
hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.; afgewolfdeZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd. dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. in de linkertravee.
Westgevel. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderde lijstgevel met Second-Empiredecor,
van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met door schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. belijnd basement en middenrisaliet
onder driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Rechthoekige vlak omlijste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met lekdrempel.
Beletage gemarkeerd door geprofileerde cordons, gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. op de
borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., guirlandesGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. in friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.; in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken.
met vrouwenhoofd als sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf.. Klassiek hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Tuinmuur met drie
traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...): spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief. en neuten tussen geblokte pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., bekronende
balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. met krans en vaas.
Interieur : trap en lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … uit de tweede helft van de 18e
eeuw. Beglaasde ijzeren rondbooggalerij met colonnettes van
vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uit de tweede helft van de 19e eeuw, leidend naar de
sacristie.
Bronnen
Archieven
SAB/E, 672.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











































Rue du Grand Hospice' class='thumb'>