Onderzoek en redactie

1989-1994

 

Bekijk de weerhouden gebouwenVan De Brouckèreplein naar Kruidtuinlaan.
Noordoostelijke as binnen het geheel der centrale lanen, in 1867-1871 onder het beleid van burgemeester Jules Anspach aangelegd op de overwelfde Zenne, naar ontwerp van architect Léon Pierre Suys. Monumentale doorbraak naar Haussmanniaans model die de stad van noord naar zuid doorkruist, cf. Anspachlaan, Beursplein, De Brouckèreplein, Emile Jacqmainlaan, Fontainasplein en Maurice Lemonnierlaan.

Eertijds doorstroomde de Zenne de benedenstad in een meanderrijke bedding vanaf de Grote Spui ten zuiden tot de Lakensepoort ten noorden, achtereenvolgens het Klein en het Groot Eiland - bakermat van de stad - omspoelend, met de Kleine Zenne en de Ransfort-Zenne als aftakkingen. De sterke vervuiling - veroorzaakt door lozingen onder meer van de typische oeverindustrie zoals ververijen, leerlooierijen en brouwerijen, een gebrekkig rioleringsnet en het te kleine debiet nog gestremd door talrijke watermolens - en de periodieke overstromingen (1819, 1839, 1850), belangrijke oorzaken voor de ongezonde levensomstandigheden in de omringende dichtbevolkte wijken en voor het uitbreken van nefaste choleraepidemies (1832, 1849, 1866), noopten vanaf het midden van de 19e eeuw tot sanering. Voor onderzoek van oorzaken en oplossingen voor het Zenneprobleem werden in 1861 de « Commissie der drie Machten » (Provincie, Staat, Stad) en in 1864 de «Commissie der Hoofdingenieurs» (Staat) samengesteld, die respectievelijk in 1863 en 1865 rapport uitbrachten, waarbij het rechttrekken van de Zenne en de bouw van moerriolen voorop werden gesteld. Intussen zagen in 1864-1865 talrijke projecten het licht, enerzijds gericht op overwelving, één gecombineerd met een noordzuidelijke spoorwegverbinding, anderzijds op omleiding van de rivier.

Het saneringsproject van architect Léon Pierre Suys van 1865, werd nog in hetzelfde jaar door de Stad Brussel, in 1866 door de Staat goedgekeurd. De gezondmaking van de Zenne werd hierbij gekoppeld aan de modernisering en de verfraaiing van de Brusselse stadskern, naar het voorbeeld van de transformaties van Parijs onder prefect Georges-Eugène Haussmann, geheel volgens de inzichten van burgemeester Anspach. De Zenne werd over een afstand van ca. 2000 meter in twee rechtlijnige steekboogkokers geleid, met debietregeling door de Zuidersluis, geflankeerd door twee moerriolen, in baksteenmetselwerk ; de meanders en aftakkingen werden gedempt. Bovenop kwam een 28 meter brede laan met V-vormige splitsing, op een verhoogde bedding dwars doorheen het bestaande stadsweefsel. Deze laan werd in het project opgeluisterd door drie monumentale accenten - de Beurs met centrale inplanting op de vroegere Botermarkt, de Centrale Hallen met acht paviljoenen aan een pleinvormige verbreding, en een fontein op het
polygonale Fontainasplein -, en opende grandioze perspectieven op de te vergroten Augustijnenkerk bij de splitsing, op het Noordstation en het Zuidstation aan de uiteinden. Verder voorzag het in meerdere verbindingsassen, wederopbouw van de Sint-Niklaaskerk en aanleg van squares op de omliggende pleinen.

De uitvoering werd in 1866 uitbesteed aan de Londense maatschappij Belgian Public Works
Company Limited. De werken, gepaard met de geleidelijke onteigening en afbraak van ca. 1100 huizen, werden in 1867 aangevat buiten, en vanaf 1868 door aannemer Compagnie Waring frères voortgezet binnen de Vijfhoek, gekoppeld aan de bouw van de Beurs. Na terugtrekking van de Londense maatschappij in 1871, werd de onderneming door de Stad in eigen regie beëindigd en op 30 november 1871 door burgemeester Anspach ingehuldigd. De voltooiing van de Beurs volgde in 1873, de bouw van de Centrale Hallen, gereduceerd tot twee paviljoenen met geïsoleerde inplanting, in 1872-1874.

Deel uitmakend van of rechtstreeks voortvloeiend uit de Zennesanering onderging het omringende stadsweefsel in deze en volgende fasen grondige wijzigingen. Aanleg van de latere Stalingradlaan in het verlengde van de Zuidstraat als tweede parallelle as tussen Noord- en Zuidstation. Doortrekken van Wolvengracht (huidige Augustijnenstraat), Bisschopsstraat, Grétrystraat, Bogaardenstraat, Radstraat en Voldersstraat (huidige Rogier van der Weydenstraat). Heraanleg van de Hallenwijk : aanleg van de Hallenstraat, verbreding van Kiekenmarkt en Zwarte Lievevrouwstraat. Aanleg van de Arteveldestraat op de Kleine Zenne, sluitstuk van de derde parallelle noord-zuid-as tussen Antwerpsepoort en Anderlechtsepoort, gepaard met heraanleg van de Sint-Gorikswijk : Pletinckxstraat en Rijkeklarenstraat. Heraanleg van de Beurswijk : Beursstraat en
Henri Mausstraat, Paul Devauxstraat, Jules Van Praetstraat en Auguste Ortsstraat. Voorts partiële verbreding en ophoging van het merendeel der aanpalende en dwarsstraten. In het verloop van de operatie verdwenen de meest pittoreske delen van de benedenstad, in extremis vereeuwigd door de schilder J.-B. Van Moer en de fotografen L. Ghémar en J.-F. Kämpfe. De Zenneloop overwelfd door talloze bruggen uit de middeleeuwen tot het industriële tijdperk, watermolens en uitkragende gebouwen; de Botermarkt en de neoclassicistische Vismarkt (1825-1826, architect N. Roget); de wijken eromheen met grillig stratenpatroon en dichte bebouwing uit de 16e tot 19e eeuw.

Vanaf 1872 ging de Stad over tot de verkoop van de bouwterreinen. Van meet af aan werden initiatieven ontwikkeld om het bouwproces te stimuleren en de waardigheid van het architecturaal kader te garanderen. In 1872 richtte de Stad op initiatief van burgemeester Anspach een architectuurwedstrijd in, af te sluiten op 1 januari 1876 - periode waarin de bouw van ca. 700 huizen aan de nieuwe laan diende te worden voleindigd -. Hierbij werden aan de bouwheren van de twintig fraaiste gevels, ongeacht stijl of omvang, premies voor een totaalbedrag van 100.000 frank uitgeloofd, zonder vooropgesteld programma behalve een minimum hoogte van 15 meter en met de mogelijkheid tot afwijking van het geldende bouwreglement voor constructies met monumentaal karakter.

Het palmares was als volgt :
1. Henri Beyaert (A. Maxlaan nr. 1-3)
2. Emile Janlet (Anspachlaan nr. 78)
3. Emile Janlet (De Brouckèreplein nr. 37- 39A)
4. Adolphe Vanderheggen (A. Maxlaan nr. 28-34)
5. D. De Keyser (gesloopt, cf. Anspachlaan)
6. Eugène Flanneau (gesloopt, cf. Anspachlaan)
7. F. Laureys (A. Maxlaan nr. 11-17).
8. C. Almain-de Hase (A. Maxlaan nr. 55)
9. Henri Maquet (gesloopt, cf. De Brouckèreplein)
10. F. Abeels (M. Lemonnierlaan nr. 17- 19)
11. D. De Keyser (gesloopt, cf. E. Jacq- mainlaan)
12. A. Samyn (gesloopt, cf. Anspachlaan)
13. Gédéon Bordiau (De Brouckèreplein nr. 33-35)
14. A. Verdussen (Anspachlaan nr. 117)
15. Felix Pauwels (gesloopt, cf. infra)
16. Van Autgaerden (A. Maxlaan nr. 142-144)
17. J. Olive (Anspachlaan nr. 95)
18. A. Samyn (gesloopt, cf. E. Jacq- mainlaan)
19. E. Hendrickx (M. Lemonnierlaan nr. 110)
20. J. Hanicq (De Brouckèreplein nr. 19-21)

Aangezien bij afsluiting slechts tweederde van de percelen bebouwd was, werd naar verluidt nog een tweede reeks premies voor een totaalbedrag van 35.000 frank uitgeloofd voor de gebouwen op te trekken in 1876, 1877 et 1878, toegewezen aan architect Jean De Blois (De Brouckèreplein nr. 8-28).

In 1874 ging de Stad een verbintenis aan met de Parijse bouwondernemer J.-B.A. Mosnier, waarbij een groot aantal minder aantrekkelijke percelen werd afgestaan op voorwaarde deze binnen de kortste tijd te bebouwen. Gespreid over vier jaar werden tweeënzestig gebouwen opgetrokken, meest Haussmanniaanse huurhuizen naar Parijs’ model door de architecten J. Olive en E. L’Homme, gekenmerkt door een uniforme opbouw en het massale gebruik van Franse natuursteen.

Het merendeel met inbegrip van het prestigieuze Grand-Hotel kwam na faling van de onderneming in 1878 in het bezit van de Stad. Een gelijkaardige transactie werd in 1879 met de aannemersassociatie ‘Billen en Consorts’ afgesloten voor een beperkte reeks percelen aan
de Emile Jacqmainlaan en de Maurice Lemonnierlaan, waarop vervolgens vooral bescheiden burgerhuizen door de architecten Henri Rieck en J. Naert werden gebouwd. In het begin van de jaren 1880 kon de bebouwing van de centrale lanen uiteindelijk als voltooid worden beschouwd. Een belangrijke wijziging betrof de aanleg van het De Brouckèreplein op de plaats van de in 1893 gesloopte Augustijnenkerk, met de in 1897 ingehuldigde Anspachfontein door architect Emile Janlet.

De radicale
doorbraak van de centrale lanen betekende voor de benedenstad de verschuiving van een proletarisch en ambachtelijk karakter, naar een burgerlijk en commercieel. De traditionele hegemonie van de middeleeuwse «Steenweg» als westoostelijke gerichte doorgangsas werd definitief doorbroken door de uitbouw van een noordzuidelijk gericht assenstelsel als verbinding tussen het Noordstation en het Zuidstation, nieuwe knooppunten van het personen- en goederenverkeer. Met name het gedeelte van de centrale lanen tussen het De Brouckèreplein en het Beursplein ontwikkelde zich gaandeweg tot het mondaine hart van de stad, levendig centrum van handel en horeca, gericht op de puissante burgerij. De langgerekte noordzuidas vormde vanouds het uitverkoren toneel voor grote manifestaties van politieke en sociale aard, stoeten, optochten en intredes. In de Zennekokers, buiten gebruik sinds de omleiding van de Zenne in 1931-1955, werd in 1972-1976 de Metrolijn Noordstation-Zuidstation aangelegd, waarna ook de centrale lanen werden heraangelegd en gerevaloriseerd cf. uitgebreide voetgangerszone met beplanting en straatmeubilair.

De oorspronkelijke bebouwing, grotendeels uit de jaren 1870 en 1880, bleef in zijn geheel genomen vrij goed bewaard. Zij wordt gevormd door een doorlopende rijbebouwing van overwegend ruime huur- en handelshuizen, met geaccentueerde hoekpanden, bescheidener burgerhuizen naar de uiteinden van Emile Jacqmainlaan en Maurice Lemonnierlaan toe, in een amalgaam van eclectische stijlen met een overheersende neoclassicistische tendens afgewisseld met neo-Vlaamse-renaissance, neobarokke en uitzonderlijk neogotische accenten. Een onderscheiden, uniforme groep vormen de hogervermelde Haussmanniaanse huurhuizen van J.-B.A. Mosnier in geïmporteerde Second-Empirestijl, waarvan de renovatie - in 1973-1974 door de Stad ingezet - de voltooiing nadert. Tot de meest monumentale constructies behoren de Beurs (1868-1873, architect Léon Pierre Suys; Anspachlaan nr. 80, zie nr.), het Hotel Continental (1874, architect E. Carpentier; De Brouckèreplein nr. 41, zie nr.), als kopgebouw van Adolphe Maxlaan en Emile Jacqmainlaan met dezelfde perspectivische functie als eertijds de Augustijnenkerk, het Zuidpaleis (1875-1880, architect W. Janssens; Maurice Lemonnierlaan nr. 132-172, zie nr.), de Gemeenteschool nr. 13 (1877-1880, architect Emile Janlet; Anneesensplein nr. 11, zie nr.), de Noorddoorgang (1881-1882, architect H. Rieck) en eertijds het
Alhambratheater (1874, architect Jean-Pierre Cluysenaar), de Postdoorgang (1875, architect L. De Curte) en het Grand-Hotel (1875, architect E. L’Homme), heden gesloopt. Het overvloedige sculpturale decor van deze gebouwen werd geleverd door vooraanstaande beeldhouwers van de Belgische school en ingevolge de Parijse Commune uitgeweken vertegenwoordigers van de Franse school.
De meest ingrijpende wijziging van de scenografie vormt de inplanting van het Administratief Centrum van de Stad Brussel (1967-1971, architecten Jacques Cuisinier, J. Gilson, André en Jean Polak, Robert Schuiten) en
de Philipstoren (1967-1969, architecten Structures).

De Adolphe
Maxlaan vormt samen met het De Brouckèreplein en de Anspachlaan de meest voorname as binnen het geheel van de centrale lanen. De oorspronkelijke benaming «Noordlaan» werd in 1919 vervangen door de huidige, ter ere van Adolphe Max (1869-1939), burgemeester van Brussel van 1909 tot 1939, gedeporteerd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het merendeel der gebouwen, met gemiddeld vijf bouwlagen, wordt gekenmerkt door een uitgesproken monumentaal karakter. Een twaalftal huurhuizen is onder te brengen bij de Mosnier-groep (nr. 71-75, 81-103, 98-102, 108-116, 128-130, zie respectievelijke nrs.). Tot de minder markante bebouwing behoren rijen hoekhuizen met neoclassicistische inslag, gekenmerkt door een meer of minder uitgewerkt stucdecor - schijnvoegen, middenrisaliet, vensteromlijstingen, penant- en borstweringversiering -, gevelbrede of centrale balkons met balustrade of gietijzeren borstwering, een klassiek hoofdgestel en dakkapellen met fronton; cf. nr. 63 tot 69, 70 (1874), 111-113, 119- 121 (1874), 129-131 (1874), 137 (1874- 1880), 143-145 (1888), 149.
Kenmerkend voor de periode vanaf 20e eeuw en tijdens het interbellum is de bouw van enkele grote hotels met name Cécil, Atlanta, Plaza en Scheers, en bioscopen waarvan de vroegste reeds in 1904. De winkelpuien werden in een doorlopend proces aangepast aan de mode van het moment, art nouveau en neo-Lodewijk XVI in de jaren 1900 en 1910, art deco en Nieuwe Zakelijkheid in de jaren 1920 en 1930; veelal voorzien van een doorlopende beglazing vanaf de jaren 1950 tot heden.
De nieuwbouw blijft beperkt tot enkele eerder kleinschalige ingrepen op de hoeken met de Finisterraestraat, Mechelsestraat en Kruidtuinlaan. Voor laatst genoemde verdween een gebouw door architect Felix Pauwels (1873-1874), bekroond met de vijftiende prijs tijdens de gevelwedstrijd van 1872-1876.


Bronnen

Archieven
SAB/OW 36703, 29829 en 44044 (1867-1871), 18066 (1874), 18096 (1874), 18067 (1874), 18060 (1874-1880), 18075 (1880), 18116 (1873-874).

Publicaties en studies
ABBELS G., La Senne, Brussel, 1983.
Album photographique des maisons primées aux nouveaux boulevards a Bruxelles 1872-1876, s.l., s.d.
RICCARDI E., La création des boulevards centraux à Bruxelles suivi de la construction sur les boulevards. Analyse typologique des façades crééesonuitgegeven proefschrift, U.L.B., 1979- 1980.
SUYS L., BruxellesSenne et BoulevardsSolution du problème hygiénique et monumentalBrussel, 1865.

Tijdschriften
ABEELS G., De sanering van de benedenstad : een speculatieve immobiliënzaak?, Straten en Stenen, Brussel, 1982, p. 153-202.