Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalig gemeentehuis van Laken en voormalige gemeenteschool
Paleizenstraat over de Bruggen 458-460
Typologie(ën)
school
Ontwerper(s)
Louis SPAAK – architect – 1860-1861
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Inventaris van de Industriële Architectuur (AAM - 1980-1982)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Inventaris van het Industrieel Erfgoed (La Fonderie - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Laken (Archistory - 2016-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
Tijdens de eerste decennia van de 19e eeuw waren het gemeentebestuur van Laken, dat toen nog weinig personeel had, en de school met haar onderwijzer gehuisvest in een huis aan de Kerkstraat (verdwenen), en dan, rond 1835, in een ouderentehuis nabij de kerk, het Maison du Saint-Esprit, dat toen werd heringericht door architect Spaak en in 1879-1880 werd gesloopt.
Het duurde tot 1860 voordat de gemeente in de Paleizenstraat een administratief complex en een school liet bouwen waarvan het monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. uitzicht paste bij dat van hun koninklijke buur. Daartoe werden een oud landhuis dat minstens tot de 16e eeuw terugging en een oud bijgebouw van het (verdwenen) kasteel Boschverken door de gemeente gekocht en afgebroken.
Het nieuwe geheel, ontworpen door dezelfde Spaak, oogde als een landhuis en werd gekenmerkt door een grote statigheid en symmetrie. Het was gelegen op de hoek met de huidige Hubert Stiernetstraat (toen de impasse Saint-Georges [Sint-Jorisgang]), achter een binnenplaats geflankeerd door twee hoekpaviljoenen en afgesloten door een hek. Achteraan bevond zich een lage schoolvleugel. De rest van het terrein, trapeziumvormig, bleef onbebouwd. Het linker paviljoen werd wellicht bewoond door de onderwijzer, het rechter huisvestte de politie.
Het eerste paviljoen werd naar links uitgebreid in 1866-1867, het tweede op identieke wijze in 1891-1892, terwijl daarachter enkele nutsgebouwen, hangars en barakken begonnen te verrijzen. In 1874 werd de Raadzaal vergroot ten koste van een aanpalend kantoor, en in 1884 werd de school, waarvan de vier klassen al sinds 1878 niet meer werden gebruikt, aan de gemeentediensten toegewezen.
Het complex werd in 1912 buiten gebruik gesteld, ten gunste van het nieuwe gemeentehuis aan het Emile Bockstaelplein (zie Emile Bockstaellaan nr. 244-246a), hoewel sommige diensten van Openbare Werken er gehuisvest bleven. In de jaren 1970 werden de hoofdgebouwen verhuurd aan een schroothandelaar. In 1995 werden het gemeentehuis en de school, alsook de gevels en de daken van de paviljoenen, als monument beschermd. Het oorspronkelijke hek van de binnenplaats was toen al verdwenen. In 2007-2008, leidde architect H. Verdussen (bureau Archi 2000) de restauratie en de herbestemming van de beschermde delen tot appartementen en zetels van vzw’s, alsook de bouw van zeven woningen met tuintjes aan elke zijde van het perceel.
Beschrijving
Bijna vierkant gebouw van twee bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), opgetrokken in grijs geschilderde bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. bakstenen en hardsteen. Afgelijnd door een houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)., vooraan met stenen klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop., zinken dak met drie hellingen, tegen een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. en doorbroken door een dakterras.
Op een witstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. met een hardstenen profiellijst en opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met twee kelderramen, hoofdgevel met kordonlijstenUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels.; centraal, lichtjes uitspringende voorbouw met de ingang, onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Zware hoekpilasters, op de verdieping met spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Op de benedenverdieping, inspringende rondboogdeur op een trappenpartij en venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gevat in een identieke arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. met stenen boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. en sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.. Bijpassende onderdorpels op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Op de verdieping, rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met stenen omlijsting, het centrale vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., de zijvensters onder kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)..
Zijgevels zonder decoratie en met twee pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; rondboogvensters op de benedenverdieping, rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de verdieping. Achtergevel met drie rondboogvensters ter hoogte van de zolderRuimte onder het dak..
Deur en raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met metalen roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. bewaard.
Voormalige school, volledig in beschilderde baksteen, met een breed zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. onder houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Rijen van negen rondboogdeuren en -vensters, onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.; raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. van de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., met metalen roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., bewaard.
Het linker paviljoen en het oorspronkelijke linkerdeel van het rechter paviljoen, haaks op de straat, hebben een identieke compositie, het eerste met dubbele lengte. Anderhalve bouwlaag op witstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. met hardstenen afschuiningSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel., onder een leien zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. op een houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. PuntgevelsGevel waarvan de top driehoekig is. aan straatzijde versierd met een arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. van bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., doorbroken door een doorlopende stenen lijst die tevens als vensterbank dient voor de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van de tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen. aan de binnenplaats. Rechthoekig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met stenen omlijsting met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief. en vensterbank op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. in de geveltop, in hetzelfde materiaal, versierd met een consoleVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.. Op de timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. van de arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., halvemaan met een archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. die de boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. van de arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. herneemt.
Aan de binnenplaats, vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met rechthoekige muuropeningen op het linker paviljoen, twee op het rechter paviljoen.
Ondiepe laterale uitbreiding (1891-1892) van het rechter paviljoen, met identieke puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is., op een hardstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. en met enkel een omlijsting rond de oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster..
Geplaveide binnenplaats afgesloten door een recent hek dat aan het oorspronkelijke herinnert. Aan de ingang van de impasses aan de zijkanten, in de plaats van arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., verschillende smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… hekken(recuperatie?) met invloed van de art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters..
Interieur. Het hoofdgebouw is in twee volumes ingedeeld, met rechts de trapzaal. De hele inrichting is neoclassicistischVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal.. Op de benedenverdieping, oorspronkelijk twee vertrekken aan elke zijde van de gang, voordat de linker vertrekken in 1874 werden samengevoegd met het oog op de inrichting van een nieuwe raadzaal. Zaal van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met geprofileerd plafond en twee paren pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; de schoorsteen is verdwenen. Rechter voorvertrek onder een analoog plafond, bewaarde schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. in carraramarmer. De gang is betegeld met hardsteen en wordt aan de voet van de trap doorbroken door twee beglaasde rondboogdeuren, tussen Toscaanse pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., met bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met waaiervormige metalen roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. Paneeldeuren met twee vleugels. Links, wenteltrapTrap die rond een centrale, verticale as of opening spiraalvormig omhoog loopt. met smal schalmgatHet vrije, open gedeelte in een trappenhuis., rechte trapdelen en bordessen1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. en een leuning met fijne balustersVaasvormige spijl van een borstwering.. Analoge indeling op de verdieping, maar met drie kantoren aan de linkerkant; eenzelfde type deur, schoorsteenmantelsHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. in witgeaderd zwarte marmer. In de zolderruimte, drie kantoren onder mansarde en een grote zaal achteraan die wordt verlicht door de drie venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van de geveltop. Alle houtwerk is beschilderd. Aan de kant van de gang, deurvleugels in imitatiehout; kozijnenSamenstel van stijlen en regels, geplaatst in een venster- of deuropening, waarin de ramen en/of deuren zijn gevat. en trap, inclusief de leuning, versierd met marmerschildering, net als de muren van de circulatieruimten.
Bronnen
Publicaties en studies
CULOT, M. [o.l.v.], Bruxelles Hors Pentagone. Inventaire visuel de l’architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980, fiche 60.
GUILLAUME, A., MEGANCK, M., Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel. 24. 24. Laken, Directie Monumenten en Landschappen – Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel, 2012, p. 69.
BOLLE, C., MEYFROOTS, G, PIGNATARO, V., Réhabilitation de l’ancien complexe communal de Laeken Palais Outre-Ponts. Etude historique, Raymond Lemaire Internationaal Centrum voor Conservatie, Lemaire, Archi 2000, 1996-1997.
Kaarten / plannen
Plan de Bruxelles et environs, Etablissement Géographique Ph. Vandermaelen, ca 1865.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid






























