Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Gemeentehuis van Anderlecht
Raadsplein 1
Van Lintstraat 2, 4-6-8
Georges Moreaustraat 1, 1a, 3, 5, 7
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
CHARLE-ALBERT – schilder, sierschilder – 1877-1878
Jules Jacques VAN YSENDIJCK – architect – 1877-1878
Ernest S' JONGHERS – architect – 1903
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van koloniale sporen (DPC-DCE 2024-2025)
- Het monumentale erfgoed van België. Anderlecht-Kuregem (Archistory - 2017-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
In de inkomhal van het gemeentehuis hangt een herdenkingsplaat met een medaillonRonde of ovale cartouche. waarop Leopold II is afgebeeld, vergezeld van het tweetalige opschrift: Ter nagedachtenis der Anderlechtenaars in Congo voor de beschaving gestorven van 1876-1908, evenals elf namen. Deze plaat, daterend uit het interbellum, maakt deel uit van propagandistische initiatieven van koloniale kringen.
Geschiedenis
Tot de bouw van een nieuw monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gemeentehuis in Anderlecht werd beslist tijdens de gemeenteraadszitting van 08.10.1872, een beslissing die werd ingegeven door de noodzaak om de te klein geworden zetel (1844) in de d’Aumalestraat te verlaten. Het geheel moest ook bijdragen tot de ingrijpende stedenbouwkundige ontwikkeling van Anderlecht in het gehucht Kuregem, een geometrische residentiële uitbreiding die van 1863 tot 1872 werd gepland door Victor Besme, wegeninspecteur van de Brusselse voorsteden. De stadsbestuurders lieten meteen ook hun gezag gelden over een naar onafhankelijkheid strevende voorstad. Op 06.02.1875 werd het ontwerp voor het nieuwe gemeentehuis toevertrouwd aan Jules-Jacques Van Ysendyck, een van de wegbereiders van de Vlaamse Renaissancestijl en de auteur, in die stijl, van het gemeentehuis van Ternat (1871-1875).
Het nieuwe gebouw, gelegen op de zuidelijke flank van een rechthoekig plein dat de toepasselijke naam Raadsplein kreeg, vormde het brandpunt van de de Fiennesstraat, in het verlengde van de Jamarlaan. De inhuldiging vond plaats op 21.09.1879, in omgeving die nog nauwelijks bebouwd was. Maar vanaf 1878 stond naast het gebouw wel een herenhuis in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl en met cabaret (toen nr. 1 van het plein), dat in 1900 of 1901 door de gemeente werd gekocht. Om aan het tekort aan kantoren tegemoet te komen, breidde de gemeente in 1883 uit naar de Rue du Diplomate (de huidige Van Lintstraat), in een nieuw gebouw (toen nr. 2), ook in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, dat achteraan aan het gemeentehuis paalde en dat voor het politiecommissariaat was bestemd. In 1901 of 1902 vestigden andere kantoren zich in een herenhuis uit 1879, met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag, dat sinds 1883 werd ingenomen door het Vredegerecht van Anderlecht (toen nr. 4 Van Lintstraat).
Na 1903 begonnen nieuwe grootschalige bouwwerken voor het brandweerarsenaal (toen nr. 10 Van Lintstraat) en voor diverse andere diensten. Dit prestigieuze torengebouw in neo-Vlaamse renaissancestijl was ditmaal het werk van de hoofdarchitect van de gemeente, Ernest S’Jonghers, wiens plannen op 04.05.1903 werden goedgekeurd. Rond 1969, nadat de brandweer was overgebracht naar haar nieuwe vestiging aan de Bergensesteenweg (zie nr.625 tot 627a), werden de garages van het gebouw tot lokettenzaal verbouwd.
Naast deze grote constructies werden op het gemeenteterrein ook verscheidene bijgebouwen opgetrokken, zoals het gebouw aan de binnenplaats, zonder verdieping, dat evenwijdig aan et de de Fiennesstraat ligt en thans het Vreemdelingenkantoor huisvest. Dit gebouw was al aangegeven op het plan dat Besme in 1890 opstelde; het werd tijdens het interbellum vergroot en sindsdien ingrijpend gewijzigd. Een ander bijgebouw, dat wellicht te identificeren is op een gemeentelijk plan uit 1907 en dat in elk geval van na 1901 dateert (want het staat niet op een uitbreidingsplan voor het gemeentehuis dat in dat jaar werd opgesteld), vormt een scherpe hoek met de geveltop van het vorige gebouw en lijkt op een pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. villa; het zou van de hand van S’Jonghers zijn en huisvestte tot voor kort het OCMW. Sinds de jaren 1930 werd het voorafgegaan door lage bijgebouwen, waarvan er een al kort nadien werd verbonden met een garage met atelier voor de brandweer die werd aangebouwd tegen de gemene muur van de binnenplaats, achter het arsenaal, ter vervanging van een houten voertuigenhangar. Het werd tot refter verbouwd en behield haar plat dak, dat was opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met een rechtstandig daklicht (gedicht).
Eind jaren 1960 werden de achterliggende bijgebouwen van het OCMW-gebouw, die zich uitstrekten tot aan het huis gelegen op nr. 60 van de Onderwijsstraat (zie notitie), volledig heropgebouwd in een modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. esthetiek; in dat huis werd het OCMW in 1969 zijn intrek. In de Georges Moreaustraat werden de woningen op nr. 1 tot 7 geleidelijk ingenomen door de gemeentediensten, met name Onderwijs en Schone Kunsten: nr. 1 en 3 in 1914, nr. 5 aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, nr. 7 in 1930. Eind jaren 1980 verwierf de gemeente op nr. 52-56 Onderwijsstraat een oude stoomfabriek met sheddakOpeenvolging van parallelle daken met afwisselend een steil beglaasd dakvlak (vaak noordelijk geörienteerd) en een flauw hellend dakvlak. die in 1895 was opgericht door J. Leurquin, fabrikant van onder meer schilderdoek. Het geheel werd na 1987 en vóór 1996 vervangen door een uitgestrekte opslagplaats achter een gebouw in gele baksteen van twee bouwlagen, onder platform, dat onder meer de drukkerij, het economaat en het archief huisvestte. Tot slot annexeerde het OCMW ook nog het aanpalende huis, nr. 58 (zie notitie).
Beschrijving
Gemeentehuis
Buitenzijde
Monumentaal gebouw aan het plein, gevormd door drie volumes: een centrale vierkante portaaltoren, een parallel hoofdvolume en een derde volume ingewerkt in het vorige en waarmee het een T-vormige plattegrond vormt. Enkel de toren, de voorgevel van het hoofdvolume en de zijgevels vertonen kenmerken van de neo-Vlaamse renaissancestijl: op een zware hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met lage deuren verrijzen de bakstenen gevels versierd met quincunxen van zwarte bakstenen, het geheel versierd met een weelderig decor in Euvillesteen. De daken zijn met leien bedekt.
De portaaltoren, of het belfort, is 48 meter hoog en toegankelijk via twee gedeeltelijk gebogen laterale traparmen met balustradeHekwerk van spijlen of balusters.; ze leiden naar een loge met vrije muuropeningen, de laterale dubbel, met zuiltje. Een tweede loge, de zogenoemde ereloge, neemt de eerste verdieping in en heeft drie ingangen, die vooraan achter een balkon op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; de twee loges worden overwelfd door spitsbogen. Erboven bevinden zich het horlogeregister en, inspringend achter een uitkragende balustradeHekwerk van spijlen of balusters., een klokkentoren met vier venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en onder een koepeldakDak waarvan de buitenomtrek die van een koepel is.. Daarop rust een achthoekig houten daklicht waarvan de klokvormige bedekking, met dakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is., wordt bekroond door een peervormige makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar). met windwijzer. Alle muuropeningen van de toren, inclusief de deuren van het gemeentehuis, zijn rondboogvormigBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., de meeste op kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog..
Het hoofdvolume heeft twee bouwlagen met toenemende hoogte, met aan weerszijden van de toren twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld. met loodstrips. Alle muuropeningen op de verdieping worden voorafgegaan door een balkon met balustradeHekwerk van spijlen of balusters., op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Het zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. wordt begrensd door met steen afgeboorde puntgevelsGevel waarvan de top driehoekig is., met schouderstukken aan de kant van het plein; het dakvlak vooraan wordt onderbroken door twee dakkappelen met kruiskozijn, in hetzelfde materiaal, omringd door vier kleine houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
De gevels zijn versierd met kettingen en banden, aangevuld met ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. met krulmotieven. Talrijke bossagesIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). en topstukken met gevarieerde vormen en motieven versieren de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen., de hoeken en de omlijstingen van de muuropeningen. De stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. van de muuropeningen op het hoofdvolume zijn behandeld als pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., met Toscaanse invloed op de benedenverdieping en Ionische op de verdieping. Op deze pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. rusten entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met gebeeldhouwde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., op de verdieping onder een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en bekroond door vazen. Het entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. van de twee stenen dakkappelen met vleugelstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. wordt bekroond door een aediculaVersieringsmotief, ontleend aan de klassieke bouwkunst, vormt samenstel van pijlers en een klassieke bekroning. onder boogvormig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., het geheel versierd met bollen.
De muuropening voor de ereloge wordt geflankeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met Toscaanse invloed, en haar entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. wordt bekroond door een aediculaVersieringsmotief, ontleend aan de klassieke bouwkunst, vormt samenstel van pijlers en een klassieke bekroning. met vleugelstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster. en volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer., versierd met de wapens van de gemeente en twee blazoenen van de familie d’Aa. De opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. is, zoals die van de andere muuropeningen, versierd met loofwerkVersiering van beeld- en houtsnijwerk in de vorm van bladeren.. De deuren van de loges zijn uitgevoerd in dezelfde stijl als de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. van het hoofdvolume, met bakstenen friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…)., wordt gescandeerd door met bladeren versierde consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. onder een houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. De in hetzelfde materiaal uitgevoerde kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van de toren wordt gescandeerd door klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. met tollenHangende elementen aan de klossen van een kroonlijst..
Diverse cartouchesOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. en panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. tonen de namen van de Gemeente en van haar gehuchten: “ANDERLECHT”, “BISTEBROECK”, “CUREGHEM”, “NEERPEDE”, “VEEWIJDE”, “AA” en “BROECK”, terwijl allegorische panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. onder de frontonsDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op de verdieping de verschillende functies van het gemeentebestuur evoceren.
De puntgevelsGevel waarvan de top driehoekig is. van het hoofdvolume zijn blindZonder opening; blind venster, schijnopening., met uitzondering van een zoldervenster. Enkel hun randen zijn versierd, en de bakstenen zijn van mindere kwaliteit – deze gevels waren dan ook bedoeld als gemene muren. Die linkermuur is open gebleven, ondanks het ambitieuze uitbreidingsprogramma van het gemeentehuis van S’Jonghers uit 1901.
Deze opstandenBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. hebben elk een verlenging naar achteren met daarin een secundair trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met schuin vlak. ’ensemble est couvert de platformen. <}0{>$Het geheel is bedekt met zinken platformen. Kort vóór 1996 werd tegen de linkertrap een liftkooi aangebouwd.
Net als voormelde trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. werd het grote achtergebouw, met hoge souterrainsHoge kelder of half verzonken verdieping. en een verdieping, bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en gewit. Het bestaat uit drie volumes, waarvan het centrale, met de vestibules en de eretrap, sterk uitspringt. In die uitsprong bevindt zich een ingang achter een bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap., vroeger met twee rechte trapdelen, bekroond door een grote rechthoekige muuropening versierd met glas-in-loodramen. De meeste muuropeningen van dit volume zijn steekboogvormig, die vooraan zijn dubbel. Er zijn drie met zink beklede zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken., de laterale met wolfeindZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd. vooraan, het centrale met twee wolfeindenZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd., gevolgd door een glaspartij die de vestibule van de eerste verdieping verlicht.
Al het schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... van de voorgevel van het gemeentehuis is oorspronkelijk.
Interieur
Indeling
Overal overheerst de symmetrie. Op de benedenverdieping liggen twee kantoren aan weerszijden van de vestibule. Deze lokalen, die ongeveer dezelfde afmetingen hebben, geven uit op twee gangdelen die een grote overlangse vestibule verbinden met de secundaire trappen. Deze vestibule mondt uit aan een eretrap en geeft toegang tot twee paren kantoren, de eerste smaller. Volgens de plannen van Van Ysendyck moest de dienst Burgerlijke Stand de kantoren links van de ingangsvestibule innemen, terwijl de kantoren rechts bestemd waren voor de Bevolkingsdienst en de Politiecommissaris. Aan de zijkanten van de grote vestibule bevonden zich, links, de kantoren van de Ontvanger en van de dienst Aanbestedingen, en rechts die van Openbare Werken.
Op de verdieping wordt een grote zaal geflankeerd door twee kantoren. Zoals op de benedenverdieping liggen deze vertrekken langs gangen, die hier naar achteren zijn verschoven. De grote vestibule geeft toegang tot twee paren kantoren, de eerste ingekort door de verschuiving van de gangen. De grote zaal die op de ereloge uitgeeft, is bestemd voor de vergaderingen van de Raad, het kantoor links voor het College en het kantoor rechts voor de Burgemeester. De kantoren achteraan worden ingenomen door de dienst Welzijn [Bienfaisance] links en door het Secretariaat rechts.
Decoratie
Hoewel het geheel de invloed van de Vlaamse Renaissanceeind 15de eeuw – begin 17de eeuw De Vlaamse-Renaissance is een regionale stijl die zich ontwikkelde in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de periode van de Habsburgse Nederlanden. Ze ontstond in een tijd van economische voorspoed en artistieke vernieuwing en combineert de traditionele middeleeuwse architectuur met vernieuwende elementen uit de Italiaanse Renaissance. De stijl wordt enerzijds gekenmerkt door constructies in lokale bak- en zandsteen, vaak voorzien van trapgevels, kruisvensters en speklagen. Anderzijds is er een rijk Italiaans decoratief repertoire met frontonbekroningen, arabesken, zuilen en pilasters. De Vlaamse-Renaissance is vooral bekend om zijn imposante stadhuizen in verschillende Vlaamse steden, met dat van Antwerpen, gebouwd tussen 1561 en 1564 door Cornelis Floris De Vriendt als schoolvoorbeeld. In Brussel zijn slechts enkele gebouwen uit deze periode bewaard gebleven. Het gaat voornamelijk om residentiële gebouwen in het centrum, opgericht in opdracht van het hof, de adel en de hoge burgerij. Veel van deze gebouwen zijn echter onderhevig geweest aan ingrijpende renovaties of reconstructies. In de tweede helft van de 19e eeuw beleefde de Vlaamse-Renaissancestijl in Brussel een heropleving als neostijl, waarbij verwezen werd naar het gouden tijdperk van de Vlaamse kunst en handel in de 17e eeuw (zie Neo-Vlaamse renaissance). verraadt, ademen de ingangen en de open ruimten, die thans volledig gewit zijn, met hun verdeelde muren en hun plafonds een wat meer klassieke stijl uit. Zo lijken de gestucteModelleerbare, snel hardende massa van gips, kalk en zand; in gepolijste vorm ter vervanging van marmer. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., balken en andere kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). enkel te zijn bekleed in renaissancestijl. Op de benedenverdieping zijn de vloeren van deze ruimten bedekt met wit, geel en zwart mozaïek; de boorden zijn versierd met palmet- en krulmotieven die door de centrale rozetvensters worden overgenomen. Net als op de verdieping zijn de hoge plintenHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in geel marmer uitgevoerd. Alle deuren zijn van gevernist eikenhout gemaakt en hebben vleugels. De twee grootste deuren hebben een complexer decor: de beglaasde deur van de ingangsvestibule is versierd met een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met de “A” van Anderlecht, terwijl de deur van de grote zaal op de verdieping is voorzien van een bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met een uitwaaierende rondboogarcades met loodstrips. Zoals al vermeld, verlicht een rechthoekige glaskoepel de bovenste vestibule.
De eretrap, met trapgatHet vrije, open gedeelte in een trappenhuis. en naar links draaiend, heeft twee rechte trapdelen die worden afgesloten door een smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. verfraaid met talrijke krulmotieven; de treden en de vloer van de overloop zijn uitgevoerd in hetzelfde marmer als dat van de plintenHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Hetzelfde smeedwerkTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… vinden we terug in de wandlichten van de vestibules. De trap wordt gul verlicht door een grote glaskoepel in renaissancestijl bestaande uit twaalf panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., 1879 gedateerd en van de hand van de Brugse kunstenaar Henri Dobbelaere. Ze evoceren onder meer de verschillende etappes in de aanleg van de nieuwe wijk en tonen de namen van de toenmalige stadsbestuurders en die van de kunstenaars die in het gemeentehuis werkten; het centrale medaillonRonde of ovale cartouche. herinnert aan de inhuldiging van het gemeentehuis door het koninklijk echtpaar in 1879.
De meeste decors zijn van de hand van decoratieschilder Charle-Albert. De interessantste versieren de voorste vertrekken op de verdieping, die worden gescandeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. in zwart marmer onder plafonds met zichtbaar eikenhouten balkwerk. De twee salons zijn voorzien van een schoorsteen met stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. in hetzelfde marmer en een gebeeldhouwde eikenhouten schoorsteenmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw.. Eikenhout is ook gebruikt voor de parketten, de lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, het schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en het rijkelijke meubilair. De lange tussenwanden die de salons van de grote zaal scheiden, zijn geïnspireerd op de al vermelde deur van de grote vestibule. De muren zijn met het sjabloonModelvorm; uitgesneden blad papier of metaal waarmee men een bepaald motief makkelijk kan reproduceren. beschilderd met imitatiestoffen, of met oorlogstaferelen en soldatenfiguren. De haardplaat van de schoorstenen is bekleed met faiencetegelsKeramische tegel bedekt door een, vaak polychroom versierde, glazuurlaag. die de vier elementen illustreren; hun rookvang is versierd met een heraldisch decor. Aan de plafonds hangen bronzen luchters met talrijke armen. De vleugels van de glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., ten slotte, zijn versierd met geschilderde medaillonsRonde of ovale cartouche. met allegorieën van de Deugden; de glas-in-loodramen van hun bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. stellen kandelabers voor.
Voormalig brandweerarsenaal en voormalige zetel van de Burgerwacht
Volumetrie
Dit imposante gebouw in baksteen, hardsteen en witsteen onder leidaken heeft een complexe volumetrie die zich ontwikkelt rond metalen draagstructuren en gebinten. Het gebouw bestaat uit twee nagenoeg onafhankelijke delen die door dezelfde stilistische ordonnanties worden verenigd.
Het hoofdgedeelte, op nr. 4 en 6, is een vierhoek van twee verdiepingen met vooraan in de linkerhoek een fijne vierkante toren van vijf bouwlagen, heel lichtjes uitspringend en deels met afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. vlakken onder een koepeldakDak waarvan de buitenomtrek die van een koepel is.. Het gebouw heeft, aan straatzijde, een zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., en een groot tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met vierkant daklicht; op de achterhoek van deze daken, in de as van de toren, is het gebouw verhoogd met een platform, thans lichtjes hellend en beschermd door een muur met tandlijst. De achtergevel wordt gedeeltelijk afgeboord door een bergplaats zonder verdieping.
Het tweede deel, op nr. 8, heeft de compositie van een imposant burgerhuis: twee verdiepingen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., een binnenplaats en een achtergebouw. Maar in de linkerhoek is vooraan een identieke toren ingewerkt aan die van het hoofdgebouw, wat de monumentaliteit van het geheel nog versterkt. Het bijgebouw aan de binnenplaats, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., wordt links gedomineerd door een vierkant torentje dat is ingewerkt in de hoek van zijn grote buur, onder een eenvoudig paviljoen.
Oorspronkelijke indeling
In de linkertoren bevinden zich een ingangsvestibule en kleine dienstvertrekken. De vestibule leidt centraal naar een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. dat toegang geeft tot alle bouwlagen. Tegen elke overloop is een volume met drie sanitaire installaties aangebouwd (gootsteen, toilet). Op de benedenverdieping, rechts, bevond zich de stelplaats van de brandweerwagens (de huidige lokettenzaal), verbonden met de stallingen (thans kantoren) die in de bergplaats achteraan zijn ingericht. Op de verdiepingen liggen de kantoren en de lokalen van de brandweermannen aan weerszijden van een overlangse gang die, doorheen glazen vloeren, door het centrale daklicht wordt verlicht. Achter de toren en onder het achterste dakvlak van het zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. geeft een fotoatelier uit op het al vermelde platform. In de eerste verhoogde kapconstructie zijn de mansardes (vergaderzaal, kledingmagazijn en kantoren, waaronder dat van de wapenofficier) verbonden met het aanpalende gebouw, nr. 8, gedeeltelijk of volledig voor de Burgerwacht voorbehouden. Onder de kleine vertrekken (vestiaire, enz.) in de toren van dat gebouw bevindt zich ook een ingangsvestibule die uitgeeft op een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. dat analoog is aan het voorgaande, met twee sanitaire ruimten. Het gebouw telt twee vertrekken per bouwlaag, het laatste bestemd voor de bewaker. Het achtergebouw diende een tijdlang als gevangenis en archiefruimte.
Opstanden
Het is op de gevels en de torens aan straatzijde dat de neo-Vlaamse renaissancestijl haar meest majestueuze uitdrukking krijgt. Het metselwerk herinnert aan dat van het gemeentehuis en combineert, boven een volledig in hardsteen uitgevoerde benedenverdieping, parementen in rode baksteen versierd met zwarte bakstenen en een decor in witsteen, het geheel afgewerkt met hardsteen. Talrijke ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. vormen met bloemen versierde krulmotieven.
De twee delen van het gebouw hebben samen negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met muuropeningen met hoekblokkenAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel. op de verdiepingen. De verticaliteit die aldus ontstaat, wordt gecompenseerd door twee kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). tussen de bouwlagen en talrijke kettingen. Alle muuropeningen op de met bossagesIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). verlevendigde benedenverdieping zijn boogvormig: onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. voor de ingangen van de torens en onder korfboogBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen. voor het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met moneelStenen vensterstijl. dat aan het linkervenster paalt en voor de zes oude inrijpoorten met bolvormige schamppalen.
De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de eerste verdieping hebben een stenen kruiskozijn, behalve die van de torens, met een gewone dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op.. De impostvenstersVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. zijn gedicht met een paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met rolwerkmotief; de hardstenen borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. worden omlijst door een uitsprong van de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van de benedenverdieping.
Op de tweede verdieping worden de smallere venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., zonder verdeling, bekroond door een fijne kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). onder een pseudo-impost dat door een ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast. wordt gedicht. De pseudo-imposten boven de centrale venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. zijn versierd met palmettenVersiering in de vorm van een palmblad., die op de torens met blazoenen, van Brabant links en van Anderlecht rechts; het pseudo-impost boven het laatste vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. dient als borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor een dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is., met een tondo onder arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn..
Op een stenen kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. en een tandfriesLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. wordt de verhoogde zolderverdieping van het hoofdgebouw bekroond door een attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met een decor van witte bakstenen, onderbroken door vijf dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met stenen omlijsting en schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde..
De vierde bouwlaag van de torens, die smaller is dan de andere, omsluit in een grote rondboogarcade op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met dezelfde vorm, tussen stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. onder Toscaans kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.; op de grote sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. rust een vaas. De lagere laatste bouwlaag is opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met een drieledig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur..
Boven een houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van hetzelfde type als de voorgaande zijn de daken voorzien van vier dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.; op hun achthoekige daklicht met spits staan kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met uitstekend zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Het grote daklicht droeg op zijn vier smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… zijden een metalen glasraam dat is vervangen door vier met leistenen beklede vlakken. De gehele bedaking wordt bekroond door een makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar). met krulmotieven.
De zij- en achtergevels van het complex, inclusief het torentje op nr. 8, waren bekleed met een lichtgrijze bepleistering, sober versierd met enkele kettingen in imitatiesteen; deze afwerking werd later vervangen door gewit cement zonder nuances. De muuropeningen zijn rechthoekig en worden bijna allemaal ontlast door een steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. met een sterker gebogen boogrugBuitenwelfvlak; buitenste kromming van een boog; wanneer deze boog getrapt is, spreekt men van een hanenkam., in baksteen en met sluitstenenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. in witsteen. De kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). zijn van hout gemaakt, maar die van het torentje bekroont een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). met brede consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en een stenen architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden..
De achtergevel van nr. 4 tot 6 heeft vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder het dakvlak van het grote paviljoen. Deze worden geflankeerd door een bijgebouw met bureaus dat de oorspronkelijke stalling verving. Net als vooraan monden deze traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de verhoogde kapconstructie uit in vijf dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.. De verhoogde kapconstructie en de dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. zijn uitgevoerd in grijze baksteen, de eerste verlevendigd met maaswerk van rode bakstenen, de tweede met gele bakstenen. Achter een hoge en fijne ronde schoorsteen bevindt zich een zesde, verspringende traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met hoge venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en de sanitaire ruimten, en met drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen.
De terugwijkende zijgevel van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. heeft twee verspringende traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), waarvan de bredere muuropeningen rechts, onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. op kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog., de overlopen van de overlangse gangen op de verdiepingen verlichten. De derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) heeft slechts twee venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., die bij kleine bureaus horen.
De linker zijgevel, aan de binnenkoer op nr. 8, heeft slechts twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van muuropeningen onder een verhoogde kapconstructie met twee dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap., analoog aan de vorige.
De achtergevel op nr. 8 heeft drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); de inspringende rechtertravee verlicht de trap en wordt geflankeerd door een blok met sanitaire voorzieningen. Houten dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..
Het bijgebouw achteraan, met twee bouwlagen, geeft aan de zijkant ook uit op de grote binnenplaats van het gemeentehuis. Het wordt voorafgegaan door een lage constructie onder platform uit de late jaren 1960 die als gevangenis dienstdeed. In het torentje, dat vroeger open was op de benedenverdieping en sanitaire ruimten bevatte, bevinden zich drie kleine vertrekken boven elkaar, verlicht door een traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de twee zijden aan de binnenplaats.
De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van de eerste twee verdiepingen rusten op een hardstenen paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief., die op de tweede worden samen met de bovenste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. omsloten door eenzelfde steekboogarcade.
De twee eikenhouten ingangsdeuren aan straatzijde zijn bewaard en identiek. Ze zijn gedeeltelijk beglaasd en hebben, in een weelderig neorenaissancedecor met art-nouveau-accenten, twee vleugels met panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en drieledig raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk en zuilvormige deklijsten, evenals een waaiervormig impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak.. Alle ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. zijn voorzien van glas-in-lood. Twee fraai bewerkte metalen trekstangen vervolledigen het decor.
Van alle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan straatzijde en de zijvensters van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. op nr. 4 tot 8 is het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. bewaard, T-vormig of met drieledig of zelfs vierledig kruiskozijn, versierd met glas-in-lood. De eerste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. bevatten medaillonsRonde of ovale cartouche. met de verstrengelde initialen “A” en “C”.
Interieur
De vloer van de vestibules en van de benedenverdieping van de trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. is bekleed met veelkleurig mozaïek met een boord versierd met loofwerkVersiering van beeld- en houtsnijwerk in de vorm van bladeren. en bloempjes. De traparmen van nr.4 en 6 zijn gemaakt van staal en hebben opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. optreden; de leuningen zijn van smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, met invloed van de art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters.. De trap op nr. 8 heeft identieke leuningen, maar op een houten (of betonnen) structuur.
In de oude remise voor brandweerauto’s, thans de lokettenzaal, zijn de gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuiltjes met kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. waarop het plafond rust nog altijd te zien.
De verdiepingen, het eerste trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en de verhoogde kapconstructie zijn bekleed van eikenhouten parket met ellebogen. De plafonds verbergen hun metalen structuur met troggewelven achter een al dan niet goed uitgewerkt decor van pleisterkalk: consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., keellijsten, caissons of eenvoudige geprofileerde omlijstingen. De kozijnenSamenstel van stijlen en regels, geplaatst in een venster- of deuropening, waarin de ramen en/of deuren zijn gevat., met hun bewaarde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en/of roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., worden hier en daar aangevuld met structuren van latere datum maar van hetzelfde type. In elk vertrek bevindt zich een schoorsteen, uitgevoerd in marmersoorten en met decors van wisselende kwaliteit, afhankelijk van de hiërarchie van hun bestemming. In een bureau op de eerste verdieping op nr. 6, thans voorbehouden voor de schepenen, is de volledige inrichting in neorenaissancestijl bewaard gebleven: schoorsteen in zwart marmer met een door eikenhout afgeboorde rookvang, lage lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., kasten en bureau in dezelfde houtsoort, plafonds met imitatiebalken beschilderd in imitatie-eik, messing luchter, enz.
Gebouw van het OCMW (buiten gebruik)
In het zuidwesten van de binnenplaats, schuin ingeplant gebouw in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl uit omstreeks 1900, vroeger open op de voorgevel, met twee-en-een-halve bouwlaag in baksteen, thans beraaptMet mortel ruw - niet gladgestreken - bepleisteren., onder een zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. dat op latere datum achteraan is verhoogd. Gevel met vier ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van muuropeningen onder lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. (I-balken?) op kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog.. De bijna centrale en verdiepte tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) is gevat in een voorbouw met een uitstekende geveltop op een getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. zaagtandStenen tandlijst bestaande uit om de andere uitstekende steenkoppen onder een overstekende strekse laag., versierd met ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. en een makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar). met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… windwijzer. De vierde, smallere traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) bevat de deur met impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. Op de linker puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is., drie brede gestapelde rechthoekige muuropeningen, op de benedenverdieping geflankeerd door twee smallere. Het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. is grotendeels bewaard, op de eerste verdieping met loodstrips. Het linkerdeel van deze bouwlaag werd ingenomen door een Raadzaal, die werd verwarmd door een marmeren schoorsteen in neo-Vlaamse renaissancestijl en verlicht door drie grote koperen luchters. Zijn nog bewaard, in dezelfde stijl, drie zetels met lederen garnituur versierd met wapenschilden, evenals drie tafels en twee bibliotheekkasten in eikenhout.
Ingangshek van de binnenplaats aan de Van Lintstraat
Deze ingang wordt afgesloten door een lang smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… hek, met twee vleugels voor de auto’s en één voor de voetgangers. De eerste zijn bevestigd aan zware stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. met een drie- of vierledig paaltje. Deze afsluiting, die wellicht in dezelfde periode werd gebouwd als het brandweerarsenaal uit 1904, werd eind jaren 1930 of tijdens het volgende decennium gewijzigd.
De middenstijl bestond oorspronkelijk uit een zware vierkante pijler1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) versierd met hardstenen elementen.
Gebouw op de hoek van de Van Lintstraat
Deze voormalige woning in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl is opgetrokken in baksteen en witsteen versierd met hardsteen. De drie bouwlagen met afnemende hoogte worden verlevendigd door stenen banden, die onder de derde bouwlaag met tandfriesLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief.. Leistenen zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met rechte hoek, afgeboord door een houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop.. De hoofdgevel heeft vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de zijgevel drie. De middentraveeën op de verdiepingen van de hoofdgevel worden verbonden door een dubbele uitsprong. De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping hebben een omlijsting met hoekblokkenAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel. die worden verbonden door banden en steekbogenBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. met klimmende sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf.; vóór de annexatie van het gebouw door de gemeente waren de vier venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van elke gevel deuren, die op de hoek van het cabaret Café du Beffroi. Op de verdiepingen zijn de muuropeningen rechthoekig, de twee centrale op de eerste verdieping aan het plein achter een doorlopend balkon in neorenaissancestijl op drie consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en met balustradeHekwerk van spijlen of balusters.; de centrale muuropening in dezelfde bouwlaag aan de Van Lintstraat wordt voorafgegaan door een identiek balkon, op twee consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. De borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. is versierd met een paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Raamwerk op de benedenverdieping vernieuwd.
Politiekantoor, vroeger nr. 2 Van Lintstraat
Dit gebouw, dat rond 1882 werd opgetrokken om het gemeentehuis te vergroten, heeft het uitzicht van een herenhuis met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag; twee bouwlagen in baksteen en witsteen versierd met hardsteen, onder een mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. aan straatzijde. De met kettingen versierde gevel heeft vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de twee uiterste in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden.. De oorspronkelijke ingang, in de linkertravee, werd tot vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. omgebouwd maar de hardstenen geprofileerde omlijsting onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. is bewaard; de huidige ingang is ingewerkt in een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. uiterst rechts. De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., onder een geprofileerde hardstenen band, worden belijnd door een bakstenen steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. met witstenen aanzetstenenGeprofileerd of versierd blok (natuur)steen waarop een boog of een strek steunt. en sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf.. In het midden van de traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. springt de houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). uit op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., alwaar ze wordt bekroond door een houten dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met vleugelstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster., pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Raamwerk op de benedenverdieping vernieuwd.
Voormalig Vredegerecht, vroeger nr. 4 Van Lintstraat
Dit burgerhuis met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag, ontworpen in 1879 en door de gemeente geannexeerd begin jaren 1880, is uitgevoerd in overwegend baksteen en hardsteen; drie bouwlagen met afnemende hoogte onder een leien zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. met mansarde vooraan. De met stenen banden versierde gevel heeft drie symmetrische traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met steekboogopeningen en een omlijsting in steen op de benedenverdieping en met pleisterwerk in imitatiesteen op de verdiepingen. De centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. op de eerste verdieping wordt voorafgegaan door een balkon op met bladeren versierde consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en met een gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de verdiepingen zijn voorzien van leuningen in hetzelfde materiaal. De houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). rust op een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en een architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden. in pleisterwerk. In het onderschild, drie houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., thans vereenvoudigd en opnieuw met zink bekleed. In 2004 werd op de rechter zijgevel een groot trompe-l’oeil fresco uitgevoerd door de Brusselse kunstenaar Jean-Marc Collier. Het heeft als titel Concerto anderlechtois en stelt enkele belangrijke gebouwen van de gemeente voor. Raamwerk op de benedenverdieping vernieuwd.
Diensten Openbaar Onderwijs en Schone Kunsten, nr. 1 en 7 Moreaustraat
Op nr. 1, ontworpen in 1893 als geheel met nr. 3 en 5, huis in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl dat in 1914 door de gemeente werd geannexeerd. Gevel in baksteen en hardsteen, met twee bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder een zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. dat in 1937 met een mansarde werd verhoogd. Op de middentravee, in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., balkon met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Stenen benedenverdieping met bossagesIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). en muuropeningen met ingesneden lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt.. Bakstenen verdieping met steekboogopeningen met sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. met diamantkopPiramidaal ornament (3 of 4 zijden), onder andere gebruikt in banden en friezen., verbonden door stenen kettingen. Houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en grote dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., in hetzelfde materiaal.
Op nr. 7, burgerhuis in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, in 1894 ontworpen en in 1930 door de gemeente geannexeerd. Gevel met twee bouwlagen in witsteen, versierd met hardsteen. Opstand van drie asymmetrische traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de laterale in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., de middentravee met de ingang. De gevel wordt verlevendigd door schijvenEen wiel waarvan de velg een of meer kabels draagt om beweging over te brengen. De aan de lieras bevestigde tractieschijf (of grijpschijf) brengt de kracht van de motor over op de tractiekabels van de liftkooi en het tegengewicht. Het afleidwiel wordt gebruikt om de kabels in lijn met de liftschacht en/of het tegengewicht af te buigen. De keerschijven boven de schacht ondersteunen de tractiekabels wanneer de machinerie beneden is geplaatst. en diamantkoppenPiramidaal ornament (3 of 4 zijden), onder andere gebruikt in banden en friezen. en wordt belijnd door kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en banden die de muuropeningen verbinden of een entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. vormen. Smalle gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de linkertravee. Op de centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), ingang achter trappenpartij; fraai bewerkte vleugeldeur gevolgd door een steekboogvormige glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. op kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog. achter een balkon met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Op de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), inspringende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. achter balustradeHekwerk van spijlen of balusters., op de benedenverdieping rondboogvormigBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., op de verdieping met hanenkamVlakke samengestelde latei, waarvan de stenen als boogstenen functioneren; in ruime zin slaat de term ook op een boog met een getrapte (pseudo-) boogrug. op pilastervormige stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust.. De houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op met klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. volgt de uitsprongen van de gevel. Mansardedak vooraan. In het onderschild, drie houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..
Bronnen
Archieven
GAA/Propriétés communales [Gemeentelijke eigendommen].
GAA/DS Raadsplein 1 (oud):493 (1877); Georges Moreaustraat 1 à 5: 5749 (1893); Georges Moreaustraat 7:<}0{>1493 (1877); Georges Moreaustraat 1 tot 5: 5749 (1893); Georges Moreaustraat 7: 6091 (22.09.1894).
SAB/PP 3057 (1880), 3031 (1878).
Archief van het Erasmushuis.
Archief Marcel Jacobs.
Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.
Publicaties en studies
Itinéraire du vitrail à Bruxelles, verz. Hommes et Paysages, Société Royale Belge de Géographie, 23, 1993, pp. 32-33.
SCHOONBROODT, B., Anderlecht.Les Chemins du Patrimoine, Cultureel Centrum van Anderlecht, s.d., pp. 42-45.
SCHOONBROODT, B., Anderlecht, verz. Guide des communes de Bruxelles, CFC-Editions, 1998, pp. 75-77.
TOURISME ANDERLECHT, Het Gemeentehuis van Anderlecht, uitgave van de gemeente, 2015.
TOURISME ANDERLECHT, Geef ons muren!Dubrunfaut en Collier in Anderlecht, uitgave van de gemeente, 2012, pp. 10-13.
VAN AUDENHOVE, J., Anderlecht au fil des siècles, Anderlechtensia-C.A.F.H.A, 1996, pp. 194-198.
Tijdschriften
JACOBS, M., “Histoire d’une maison communale d’Anderlecht”, Gemeentekrediet van België, Driemaandelijks tijdschrift, 119, januari 1977, pp. 27-34.
Almanachs du commerce et de l’Industrie, “Conseil (place du)”, “Diplomate (rue du)”, “Auber (rue)”.
Kaarten / plannen
Société immobilière de Cureghem. Plan de lotissement des terrains à vendre avec facilités de payement, ca. 1872.
ROSSCHAERT, J., Projet d’un nouveau quartier à Cureghem avec bassin pour bains publics, 01.05.1877.
Bruxelles et ses environs, Militair Cartografisch Instituut, 1881.
BESME, V., Commune d’Anderlecht. Complément du Quartier de Cureghem, 27.08.1890.
BESME, V., Plan de l’extension du Quartier de Cureghem. Emplacement de la nouvelle Ecole de Médecine vétérinaire, 27.08.1890.
Bruxelles et ses environs, Militair Cartografisch Instituut, 1893.
Plan général de la Commune d’Anderlecht, 1907.
DIENST OPENBARE WERKEN, Plan général de la commune d’Anderlecht, 1912.
Websites
Mémoire coloniale - Recherche Anderlecht
Anderlecht - bewustmakingsactiviteit
Opmerkelijke bomen in de nabijheid


















