Typologie(ën)
herenhuis
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1824
Stijlen
Neoclassicisme
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Inventaris van het Industrieel Erfgoed (La Fonderie - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 30188
Beschrijving
In
huidige vorm neoclassicistisch herenhuis met drie bouwlagen en vier traveeën
onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., eertijds symmetrisch geheel van twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. herenhuizen met
nr. 36, 1824.
Volgens oude iconografische bronnen ter plaatse van complexe herenwoning : aanvankelijk samenstel van twee vleugels met laatgotische en renaissancekenmerken, beide gekenmerkt door getrapte geveltoppen, met fialen respectievelijk boven de zij- en de centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de westvleugel bovendien met verdiepingen in overstek op rondbogen en getrapte aandaken, uit de 16e eeuw; fasegewijs ver- en/of wederopgebouwd in traditionele stijl met drie bouwlagen en acht traveeën op U-vormige plattegrond in de loop van de 17e eeuw.
Vrijwel intact bewaard 16e-17e-eeuws volume, cf. gevelverankering en steile dakhelling, met slechts neoclassicistische gevel- en interieuraanpassingen (1824); in tegenstelling tot nr. 36 dat terzelfdertijd nieuw werd opgebouwd.
Bepleisterde en beschilderde gevel met doorlopende schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. op benedenverdieping; vermoedelijk traditionele bak- en zandsteenbouw, verankerd door middel van rechte muurankers op alle bouwlagen. Rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met arduinen dorpels en op verdieping met ijzeren leuningen; venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op benedenverdieping verlaagd (1931). Voorheen zelfde rechthoekige inrijpoort met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en balkon op voluutconsoles als in nr. 36, gewijzigd door toevoeging van erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. in 1908, die op zijn beurt verwijderd werd bij restauratie onder leiding van architect J. Obozinski (1954); typische houten vleugeldeur (1824). Gevelbeëindiging door kroonlijst boven steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. met schijfvormige vulling; gewolfde dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Binnenplaats: gelijkaardige opstand met slechts twee bouwlagen en respectievelijk drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de noordzijde, vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de ingekorte westzijde, verankerd door middel van rechte muurankers met gekrulde spie, onder zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.; 20e-eeuws bedrijfsgebouw aan zuidzijde.
Interieur : empirevestibule en hal met acanthuszuilen en casementenplafond (1824); monumentale barokke dubbele bordestrap van eikenhout met balusterleuning, ajour gebeeldhouwde hoekpanden en gewijzigde trappalenHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. (17e eeuw).
Volgens oude iconografische bronnen ter plaatse van complexe herenwoning : aanvankelijk samenstel van twee vleugels met laatgotische en renaissancekenmerken, beide gekenmerkt door getrapte geveltoppen, met fialen respectievelijk boven de zij- en de centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de westvleugel bovendien met verdiepingen in overstek op rondbogen en getrapte aandaken, uit de 16e eeuw; fasegewijs ver- en/of wederopgebouwd in traditionele stijl met drie bouwlagen en acht traveeën op U-vormige plattegrond in de loop van de 17e eeuw.
Vrijwel intact bewaard 16e-17e-eeuws volume, cf. gevelverankering en steile dakhelling, met slechts neoclassicistische gevel- en interieuraanpassingen (1824); in tegenstelling tot nr. 36 dat terzelfdertijd nieuw werd opgebouwd.
Bepleisterde en beschilderde gevel met doorlopende schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. op benedenverdieping; vermoedelijk traditionele bak- en zandsteenbouw, verankerd door middel van rechte muurankers op alle bouwlagen. Rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met arduinen dorpels en op verdieping met ijzeren leuningen; venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op benedenverdieping verlaagd (1931). Voorheen zelfde rechthoekige inrijpoort met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en balkon op voluutconsoles als in nr. 36, gewijzigd door toevoeging van erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. in 1908, die op zijn beurt verwijderd werd bij restauratie onder leiding van architect J. Obozinski (1954); typische houten vleugeldeur (1824). Gevelbeëindiging door kroonlijst boven steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. met schijfvormige vulling; gewolfde dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
Binnenplaats: gelijkaardige opstand met slechts twee bouwlagen en respectievelijk drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de noordzijde, vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de ingekorte westzijde, verankerd door middel van rechte muurankers met gekrulde spie, onder zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.; 20e-eeuws bedrijfsgebouw aan zuidzijde.
Interieur : empirevestibule en hal met acanthuszuilen en casementenplafond (1824); monumentale barokke dubbele bordestrap van eikenhout met balusterleuning, ajour gebeeldhouwde hoekpanden en gewijzigde trappalenHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. (17e eeuw).
Bronnen
Archieven
SAB/OW 11864 (1824), 39303 (1931), 1383 (1908), 70004 (1954).