Typologie(ën)
herenhuis
werkplaats (ambachtelijk)
werkplaats (ambachtelijk)
Ontwerper(s)
Jean MAELSCHALCK – architect – 1901
INCONNU - ONBEKEND – 1898
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Eclectisme
Neorenaissance
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2014-2016
id
Urban : 28860
Beschrijving
Herenhuis
in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met renaissance-invloed, 1898. Bestaande inrijpoort
voorzien van verdiepingen onder topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. n.o.v. architect Jean Maelschalck,
1901.
Het gebouw werd vanaf 1911 in gebruik genomen als burelen voor de coöperatieve verzekeringsmaatschappij La Victoire. Vanaf ca. 1927 wordt het gebouw ingenomen door de Bonneterie Weisbort François et frères. Zij vervingen de oorspronkelijk achterbouwen (aangeduid in 1898 als poulailler – pigeonnier) door grote werkplaatsen. Na WO II werd het gebouw ingenomen door de Société Belge Etam. Vandaag huisvest het gebouwencomplex het Centre d’acceuil et de traitement (CATS) du Solbosch.
Huidige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van drie bouwlagen en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Witstenen gevel met elementen in blauw geglazuurde baksteen en hardsteen, op dito onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen..
Voormalig herenhuis van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met centrale toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht.. Balkons volgens verkleinende ordonnantie; in hardsteen met balustersVaasvormige spijl van een borstwering. in eerste bouwlaag als Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt. met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. in hoogste bouwlaag. Benedenverdieping onder hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in tweede bouwlaag onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. GetandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst..
Links inrijpoort tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. en onder timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met mascaronGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker. en arabeskenOrnament met slingerende grondlijn, bekleed met bladeren, bloemen, vruchten, gedeelten van mensen- of dierenbeelden in grillige vormen, maar op sierlijke wijze geschikt en aaneengestrengeld.; balkons op verdiepingen met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. (boogvormig op eerste verdieping), in hoogste bouwlaag voor glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. onder timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd.; geheel bekroond door oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. in tuitgevelPuntgevel bekroond met smalle rechthoekige hals; bij zeventiende eeuwse voorbeelden vaak steunend op schouderstukken. met gebogen frontonbekroning.
Interessant decoratief programma dat dateert van 1898 met o.a. op borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van tweede bouwlaag panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met keramiektegels waarin bloemenguirlande en slingers, bekroond door sgraffitofries met palmetmotief. In hoogste bouwlaag op muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. flankerend aan glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. twee cartouchesOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. met ‘18’ en ‘98’. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met tegels in spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Op benedenverdieping echter decoratie waarschijnlijk n.a.v. gebruik als verzekeringskantoor sinds 1911 met medaillonsRonde of ovale cartouche. waarin leeuwenhoofden, omgeven door guirlandesGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. van eikenblad en olijfblad in muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. van benedenverdieping.
Achteraan perceel groot atelier met magazijnen van twee bouwlagen en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) n.o.v. architect Robert Lemaire, 1927 i.o.v. Bonneterie Weisbort François et frères. Bakstenen gevel met grote, rechthoekige muuropeningen. Uitgebreid met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en verhoogd met één bouwlaag onder plat dak in 1991 en 1997.
Het gebouw werd vanaf 1911 in gebruik genomen als burelen voor de coöperatieve verzekeringsmaatschappij La Victoire. Vanaf ca. 1927 wordt het gebouw ingenomen door de Bonneterie Weisbort François et frères. Zij vervingen de oorspronkelijk achterbouwen (aangeduid in 1898 als poulailler – pigeonnier) door grote werkplaatsen. Na WO II werd het gebouw ingenomen door de Société Belge Etam. Vandaag huisvest het gebouwencomplex het Centre d’acceuil et de traitement (CATS) du Solbosch.
Huidige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van drie bouwlagen en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Witstenen gevel met elementen in blauw geglazuurde baksteen en hardsteen, op dito onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen..
Voormalig herenhuis van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met centrale toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht.. Balkons volgens verkleinende ordonnantie; in hardsteen met balustersVaasvormige spijl van een borstwering. in eerste bouwlaag als Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt. met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. in hoogste bouwlaag. Benedenverdieping onder hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in tweede bouwlaag onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. GetandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst..
Links inrijpoort tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. en onder timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met mascaronGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker. en arabeskenOrnament met slingerende grondlijn, bekleed met bladeren, bloemen, vruchten, gedeelten van mensen- of dierenbeelden in grillige vormen, maar op sierlijke wijze geschikt en aaneengestrengeld.; balkons op verdiepingen met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. (boogvormig op eerste verdieping), in hoogste bouwlaag voor glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. onder timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd.; geheel bekroond door oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. in tuitgevelPuntgevel bekroond met smalle rechthoekige hals; bij zeventiende eeuwse voorbeelden vaak steunend op schouderstukken. met gebogen frontonbekroning.
Interessant decoratief programma dat dateert van 1898 met o.a. op borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van tweede bouwlaag panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met keramiektegels waarin bloemenguirlande en slingers, bekroond door sgraffitofries met palmetmotief. In hoogste bouwlaag op muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. flankerend aan glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. twee cartouchesOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. met ‘18’ en ‘98’. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met tegels in spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Op benedenverdieping echter decoratie waarschijnlijk n.a.v. gebruik als verzekeringskantoor sinds 1911 met medaillonsRonde of ovale cartouche. waarin leeuwenhoofden, omgeven door guirlandesGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. van eikenblad en olijfblad in muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. van benedenverdieping.
Achteraan perceel groot atelier met magazijnen van twee bouwlagen en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) n.o.v. architect Robert Lemaire, 1927 i.o.v. Bonneterie Weisbort François et frères. Bakstenen gevel met grote, rechthoekige muuropeningen. Uitgebreid met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en verhoogd met één bouwlaag onder plat dak in 1991 en 1997.
Bronnen
Archieven
GAV/DS 1311 (1898), 1799 (1901), 5509 (1911), 6500 (1914), 7005 (1920), 9348 (1927), 15180 (1949), 15277 (1949), 21269 (1991), 21280 (1991), 21620 (1995), 22020 (1997), 22287 (1999), 24619 (2010).







































