Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten
Regentschapsstraat 3-5
Museumplein
Museumstraat
Koningsplein
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Alphonse BALAT – architect – 1874-1880
Albert VAN HUFFEL – architect, schilder – 1923-1930
R. DELERS – 1972-1974
J. BELLEMANS – architect – 1972-1974
Roger BASTIN – architect – 1984
Leo BEECK – architect – 1984
Stijlen
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Historiek.
Opgericht door Napoleon in 1801 als Museum van het Dijledepartement, als onderdeel van een reeks van vijftien departementale musea ter decentralisatie van het Louvre. Toegevoegd aan een eerste museumverzameling, kort voordien samengesteld door Guillaume Jacques Joseph Bosschaert (1737-1815), eerste conservator in 1798. Ondergebracht in het Oude Hof, of het voormalig paleis van Karel van Lotharingen, voor het publiek opengesteld in 1803. Eerste collectie, kern van de huidige verzamelingen Oude kunst, samengesteld uit een selectie uit de anciens dépots van door de Republiek in beslagVerzameling van metalen elementen op een deur of raam. genomen doch afgekeurde kunstwerken (1798), twee zendingen uit Parijs (1802, 1811), de teruggave van door de Republiek weggevoerde kunstwerken (1815) en twee schenkingen door Willem I (1817, 1819). Overdracht van de collectie eigentijdse kunst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in 1834, oorsprong van de afdeling Moderne kunst. Museumverzameling, sinds 1811 eigendom van de Stad Brussel, in 1841 verworven door de Belgische Staat. In de loop van de 19e en de 20e eeuw uitgebreid door aankopen, schenkingen en legaten waaronder als belangrijkste de schenking de Grez (1914), della Faille de Leverghem (1942), het legaat Delporte-Livrauw (1973) en Goldschmidt (1990).

De oorspronkelijke zalen in het Oude Hof, werden na brand aangepast door architecten Nicolas Roget en Auguste Payen in 1828, onder meer met bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Aanpassing en uitbreiding van het zalencomplex van de afdeling Moderne kunst door architecten E. Willame en P. Govaerts vanaf 1864, ingehuldigd in 1877; verzameling intussen voorlopig ondergebracht in het Academiënpaleis. Bouw van het Paleis voor Schone Kunsten, aanvankelijk bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en concerten, n.o.v. architect Alphonse Balat in 1874- 1880; reeds overbrenging van het Museum voor Oude Kunst in 1887. Museumzalen in het Oude Hof vervolgens integraal bezet door het Museum voor Moderne Kunst. Project voor uitbreiding en vrijmaking van de Musea in samenhang met de heraanleg van de Hofberg, vanaf 1882 door Balat uitgewerkt en vanaf 1895 door architect Henri Maquet voortgezet, doch in 1908 afgevoerd. Herinrichting van de zalen met vernieuwde opstelling van de verzamelingen door architect A. Van Huffel in 1923-1924/1930. Sluiting van het Museum voor Moderne Kunst in 1959 en gedeeltelijke afbraak van het Oude Hof in 1960, ingevolge de bouw van de Koninklijke Bibliotheek; ingebruikname van voorlopige tentoonstellingszalen in het zogenaamde Altenlohgebouw aan het Koningsplein in 1962 tot 1978. Uitbreiding van het Museum voor Oude Kunst met een nieuw zalencomplex en auditorium, gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan het Algemeen Rijksarchief, achter de gevels van het voormalige Paleis voor de Nationale Nijverheid aan het Museumplein, in project door architecten R. Delers en J. Bellemans vanaf 1962, in fasen ingehuldigd in 1972 en 1974. Incorporatie van de zogenaamde Argenteau-, Gresham- en Altenlohgebouwen aan het Koningsplein, respectievelijk in 1965, 1967 en 1969. Grondige renovatie van het Balatpaleis, in project door architecten E. de Felice en R. Delers vanaf 1970, in fasen uitgevoerd vanaf 1977. Gelijktijdig bouw van het ondergrondse Museum voor Moderne Kunst met inkom in het Altenlohgebouw, waarvoor eerste project door architecten Roger Bastin en L. Beeck van 1970-1973, tweede uitgewerkt vanaf 1974, aangevat in 1978. Geheel ingehuldigd in 1984. Laatste fase, de resterende gebouwen aan Regentschapsstraat, Koningsplein, Museumstraat en Museumplein, onder meer bestemd voor inrichting tot cafetaria, bibliotheek en patio (zie ook Koningsplein nr. 1-2 en 3).
Museum voor Oude Kunst.
Voormalig Paleis voor Schone Kunsten, aanvankelijk bestemd voor artistieke manifestaties zoals de Salons en driejaarlijkse tentoonstellingen, concerten en onder meer nationale plechtigheden. Diverse projecten voor oprichting van een dergelijk gebouw vanaf midden 19de eeuw, onder meer projecten van de architecten M.B. Meyers en J. Du Pré (1852) op het huidige Troonplein, J.-P. Cluysenaar (1862) als uitbreiding van het huidige Academiënpaleis, en Victor Besme (1862) in de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuwwijk. In 1871 definitieve aanwijzing van architect Alphonse Balat voor het ontwerp van het Paleis voor Schone Kunsten, en keuze van de inplanting, het voormalige ministerie van Justitie en de stallingen van de Graaf van Vlaanderen aan de Regentschapsstraat. Voorontwerp van 1872, in grote trekken mits enkele wijzigingen en toevoegingen uitgevoerd; definitief ontwerp van 1873. Bouw aangevat in 1874. Uitbreiding met een bijkomende vleugel aan de Museumstraat n.o.v. architect E. Willame van 1879 (zie aldaar nr. 3-9). Plechtige inhuldiging door Léopold II in 1880. Huidige functie sinds 1887.
Imposant museumgebouw in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met klassieke inslag, veruit de belangrijkste realisatie binnen het œuvre van Balat. Markante, half vrijstaande inplanting op een terrein met aanzienlijk verval. MonumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gevelfront aan de Regentschapsstraat. Aansluitende zuidelijke zijgevel uitziend op een bebost plantsoen afdalend naar de Ruisbroekstraat ; in 1992 heraangelegd tot Beeldentuin met fontein. Heldere plattegrond en ruimte-indeling, bepaald door de rechthoekige centrale hal, over twee bouwlagen omringd door galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden., met inkomhal over de volle breedte, en ruime noordelijke uitbouw; verticale circulatie oorspronkelijk door vier monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en twee kleine trapkokers.
Voorgevel.
Langgerekt gevelfront met klassieke ordonnantie, geritmeerd door het brede centrale risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met colonnadeZuilenrij met hoofdgestel. en de hoekpaviljoenen. Nadrukkelijke horizontale geleding, met sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., hoofdgeleding onderverdeeld in een verhoogde benedenverdieping en halve verdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen., breed geprononceerd hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. en hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.. Het massieve karakter wordt gecompenseerd door het contrastrijke reliëf van vooruitspringende, open en gesloten, vlakke en bewerkte constituenten, met dieptewerking. Voorts gekenmerkt door de harmonische integratie van beeldhouwwerk in de architecturale compositie en de levendige combinatie van materialen met uiteenlopende kleur en textuur. Onbewerkte muurvlakken van natuursteen (Gobertange); vooruitspringende en bewerkte onderdelen - sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., lijstwerk, deuren vensteromlijstingen - van hardsteen. Zuilschachten van gepolijst Schots graniet, -bases en kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. van brons ; rondsculpturen van brons, reliëfs van wit marmer. Het geheel van de sculpturale versiering werd ontworpen, uitgevoerd en geplaatst in de periode 1878-1886. Doorlopende horizontale belijning van het gevelfront door de sterk geprofileerde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., een meanderfries als scheiding van benedenverdieping en halve verdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen., en het fraai gedetailleerde hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met gelede architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden., vlakke friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met acanthusconsoles, rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. en tandlijst. Markant centraal risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), opgevat als ingangspartij met trappenpodium en vrijstaande colonnadeZuilenrij met hoofdgestel.. Vier kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met Korinthisch kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., boven het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. bekroond door allegorische beelden, respectievelijk Muziek door G. De Groot, Architectuur door L. Samain, Beeldhouwkunst door G. Geefs en Schilderkunst door E. Mélot. Drie toegangsdeuren in portiekomlijsting met Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Erboven telkens een gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. en medaillonRonde of ovale cartouche. in lauwerkrans met buste van respectievelijk Jan van Bologna door J. Cuypers, Pieter-Paul Rubens door A.-J. Van Rasbourgh en Jan van Ruisbroek door A.-F. Bouré. Flankerende trofeeënNabootsing van oorlogs- of jachttrofeeën die oorspronkelijk werden opgehangen; later veelal als zuiver decoratief motief gebruikt met dezelfde onderwerpen of uitgebreid met zinnebeelden van de kunsten, de ambachten,… van respectievelijk Beeldhouwkunst, Schilderkunst en Bouwkunst en gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. Korinthische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Hoger oplopende, door postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. en tandlijst gemarkeerde attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt., met panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en guirlandesGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. . TraveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan weerszij, geopend door een aediculavenster met balustradeHekwerk van spijlen of balusters., Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Erboven allegorische reliëfs respectievelijk Muziek door Th. Vinçotte en Plastische Kunsten door Ch. Brunin. Hoekpaviljoenen met blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. benedenbouw waartegen halfronde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met beeldengroepen respectievelijk Het Kunstonderwijs door Ch. Van der Stappen en Verheerlijking van de Kunst door P. De Vigne; tondi aan weerszij. Halve verdieping met drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. binnen gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. Korinthische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. AttiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met overeenkomstig drie verdiepte panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met symbolen van de Kunsten.
Zuidgevel
Veertien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) vanaf het hoekpaviljoen, met doorlopende horizontale geleding. Hoge geboste sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. overeenkomstig de terreinhelling, waarop een terras met balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Hoofdgeleding geritmeerd door gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met geprofileerde waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. en doorgetrokken imposten, waarbinnen venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in entablement; trapezoïdale uitsprong met twee geledingen vijflichten in de derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). AttiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Terrasbalustrade bekroond door een reeks van tien allegorische beelden, ontworpen door X. Mellery, van ca. 1890 : Assyrische en Romeinse Kunst door H. Devillez, EgyptischeDe neo-Egyptische stijl in Brussel behoort tot de meer exotische neostijlen die in de loop van de 19e eeuw opkwamen binnen het oriëntalistische en eclecticistische discours. Zoals ook de Moorse stijl getuigt zij niet enkel van een fascinatie voor het verleden – zoals de meeste neostijlen – maar evenzeer voor vreemde, als oosters gepercipieerde culturen. In tegenstelling tot vele andere neostijlen speelt hier bovendien een uitgesproken mystieke en esoterische dimensie, wat onder meer blijkt uit het gebruik van Egyptische symboliek in vrijmetselaarstempels. De belangstelling voor het oude Egypte kent in feite twee heroplevingen. Een eerste golf volgt op de expeditie van Napoleon Bonaparte naar Egypte (1798–1801) en de publicatie van de monumentale Description de l’Égypte (1809–1828). Deze fascinatie vertaalt zich aanvankelijk niet in een volwaardige neo-Egyptische stijl, maar in Egyptiserende motieven binnen de empirestijl. Het gaat hier dus om een vroege, geïntegreerde herinterpretatie eerder dan om een autonome neostijl. Een tweede heropleving manifesteert zich vanaf het midden van de 19e eeuw, wanneer het bonapartisme – onder Napoleon III – opnieuw maatschappelijk aanvaardbaar wordt en nieuwe ontdekkingsreizen en archeologische campagnes de kennis van het oude Egypte aanzienlijk uitbreiden. In deze context ontwikkelt zich de eigenlijke neo-Egyptische stijl. In België, en meer bepaald in Brussel, blijft zij echter zeldzaam en verschijnt zij vooral sporadisch en decoratief. De stijl blijft een marginale maar symbolisch geladen expressievorm, vaker toegepast in funeraire, militaire of representatieve context dan in grootschalige architectuur. Kenmerkend zijn massieve volumes en gesloten gevelvlakken, licht aflopende muren, pylonvormige toegangen, lotus-, papyrus- en palmkapitelen, Egyptische zuilen met kelkvormige kapitelen, en decoratieve motieven zoals hiërogliefen, gevleugelde zonneschijven, scarabeeën en cartouches. Symmetrie en monumentaliteit staan centraal, vaak versterkt door polychromie of het gebruik van oker- en zandtinten. In Brussel gaat het doorgaans om eclectische integraties van Egyptische motieven binnen neoclassicistische, art-nouveau- of funeraire gehelen. In grafarchitectuur symboliseert de stijl eeuwigheid en transcendentie, verwijzend naar Egypte als bakermat van de doodscultus. Daarnaast duiken Egyptische elementen op in theaterarchitectuur, interieurdecoratie (zoals cafés en tentoonstellingspaviljoenen) en in vrijmetselaarscontext. De neo-Egyptische stijl in Brussel vormt zo een specifieke uitdrukking van oriëntalistisch eclecticisme, waarin archeologische kennis, exotische verbeelding en symbolische projectie samenkomen. In de 20e eeuw leeft deze vormentaal voort binnen de art deco, waar Egyptische motieven opnieuw verschijnen, onder meer in bioscopen en in de decoratieve kunsten van het interbellum. en Griekse door A. de Tombay, Spaanse en Italiaanse door L. Samain, Franse en Hollandse door A. Desenfans, Duitse en Vlaamse door J. Dillens; aangevuld door Moderne Kunst door de Tombay van 1904. Ten westen, in de oksel van de zogenaamde Balattrap, ronde trapkoker met belvédère waarop Genius der Kunsten door G. De Groot van 1880, uitgevoerd in verguld gedreven koper. Oorspronkelijk geplaatst op het Herdenkingsmonument voor Léopold I te Laken, verwijderd in 1880, hier opgesteld in 1897. Project ter aanvulling van het sculpturale decor van voor- en zuidelijke zijgevel - onder meer attiekbekroning boven de ingangspartij, leeuwenkoppen op de tondi en guirlandepanelen in de attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. - in 1896 uitbesteed aan het atelier Goyers en Cie, doch in 1897 afgevoerd.
![Regentschapsstraat 3, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België; Z.-vleugel (foto [s.d.]).](/medias/500/buildings/10001090/10001090_0003_M08.jpg)
Interieur.
Vlak afgedekte inkomhal, in drie beuken verdeeld door gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Dorische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., oorspronkelijk aan beide zijden beëindigd door trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.; combinatie van witte bepleistering en marmer.
Centrale hal, of zogenaamde Beeldhouwzaal, heden Forum, opgevat als binnenplaats met glazen overkapping. Gesloten benedenbouw met symmetrisch geplaatste fronton- en entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. deuren. OpengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. bovengeleding als omlopende rondboogarcade met wijds perspectief. Ritme van telkens drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. met casementversiering op doorlopend entablement en dubbele Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., afgesloten door ijzeren borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met repeterend bloemmotief. Lange zijden opgedeeld door telkens twee penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. waarin allegorisch beeld, respectievelijk Griekse en GotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). Kunst door Ch. Van der Stappen en Romeinse en Renaissancekunst door A.-J. Van Rasbourgh, en spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Vlakke glaskap met ijzeren rasterstructuur - beschermd door dito kapconstructie - omboord door casementen met rozetRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. en brede kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Omringende galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met dito bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Fraaie kleurstelling : witte muurvlakken en grijs lijstwerk opgehoogd met verguldsel, wit marmeren bevloering en rood marmeren zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., bronzen beelden.
Zogenaamde Balattrap ten westen in de as van de centrale hal: bordestrap met vier rechte armen, onder gewelf opgevangen door twee groepen van vier Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., verlicht door een hoog rondboogvenster; zelfde materialen als de inkomhal. Gedenkplaat voor Alphonse Balat (1818- 1895) in marmer door Thomas Vinçotte, aangebracht in 1902.
Zogenaamde Koninklijke Trap - deel uitmakend van de noordelijke uitbouw met de huidige Rubenszaal in het centrum - bordestrap met twee armen en ijzeren leuning, voorafgegaan door gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Dorische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., onder verguld casementenplafond met monogram van Leopold II.
Renovatie (1970-1984) volgens toenmalige museologische normen i.v.m. conservatie, presentatie en didactiek: vernieuwing van verlichtings-, luchtverversings- en beveiligingssystemen, opdrijven van de tentoonstellingscapaciteit, renovatie van zalen en forum met herstel van het decor. Inbreng van een mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst. in de inkomhal, van een podium voor dubbele circulatie en lamellenplafonds in de galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.; klein auditorium, boekenwinkel en verbinding met het Museum voor Moderne Kunst ten noorden van het forum. Uitbreidingsvleugel (1962-1974), aansluitend bij de Balattrap, met groot auditorium en complex van drieënvijftig tentoonstellingszalen, documentaire zalen, foyers en ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen, met aangepaste technische uitrusting, verdeeld over drie bouwlagen.
Bronnen
Archieven
Archief KCML, dossier 11350.
Publicaties en studies
Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Renovatie- en bouwwerken 1977-1984, Ministerie van Openbare Werken, 1984.
LETTENS H., D’HAESELEER F.A., «De Genius van de Kunsten» (Guillaume de Groot 1839-1922), Brussel, 1986.
ROBERTS-JONES-POPELIER F., Kroniek van een Museum, Luik/Brussel, 1987.
Tijdschriften
L’Emulation, 1909, pl. 2-11.
LETTENS H., “Het Kunstonderwijs»” een gevel sculptuur van Charles Van der Stappen : de opdracht en de uitvoering. Een archiefonderzoek (Bulletin Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, 1985-1988/1-3, p. 277-293).
Websites
Collections.brussels (Collectie Gillion Crowet)
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



































