Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Charles RIMANQUE – architect – 1955-1962
Léonard CASSIMAN – ingenieur – 1955-1962
René SNEYERS – – 1955-1962
Stijlen
Inventaris(sen)
- Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Oost (Apeb - 2006-2009)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium is een federale wetenschappelijke instelling met als opdracht het onderzoek naar en de bewaring van het Belgische kunstpatrimonium. De geschiedenis van de instelling begint in 1934 en vindt zijn oorsprong in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, ondergebracht in het zuidelijk deel van het Jubelpaleis. Op basis hiervan werd in 1948 het ACL opgericht, het Centraal Iconografisch Archief van Nationale Kunst en het Centraal Laboratorium der Belgische Musea. Bij K.B. van 27.08.1957 verkreeg deze wetenschappelijke instelling een nationaal belang en haar huidige naam.
Vanaf 1955 voldeden de lokalen van de Koninklijke Musea niet meer en maakte René Sneyers, directeur van de laboratoria van het instituut, plannen voor de bouw van een nieuw onderkomen voor het ACL. De eerstesteenlegging vond plaats op 09.05.1959 en de ruwbouw was al voltooid in november van datzelfde jaar. De nieuwe lokalen werden in oktober 1962 in gebruik genomen.

Het gebouw had een vernieuwend programma want het was speciaal ontworpen om een interdisciplinaire aanpak van de kunstwerken mogelijk te maken. Daarom werden de bewaar- en restauratiewerkplaatsen, de laboratoria, de fotostudio’s, de kantoren, het fotoarchief en de bibliotheek onder eenzelfde dak gebracht. De architectuur plooit zich naar de eisen van elke afdeling van het instituut en vergemakkelijkt de onderlinge samenwerking.

Het gebouw kwam op de plaats waar vroeger de metalen tentoonstellingshallen stonden die waren opgericht voor de Grote Internationale Wedstrijd voor Wetenschap en Nijverheid van 1888. Dit waren vier hallen die loodrecht stonden op de Renaissancelaan en in het oosten verbonden waren met de grote noordelijke hal, ook een overblijfsel van de Wedstrijd. Aanvankelijk werden enkel de uiteinden van die hallen gesloopt om plaatst te maken voor het nieuwe gebouw waarvan de oostgevel grensde aan de grote hal. Een eerste ontwerp voorzag in de vervanging van het overblijvende deel van de westelijke hal, dat toebehoorde aan het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis, door een bijgebouw bestaande uit twee niveaus en in een rechte hoek verbonden met het hoofdgebouw. De westelijke hal werd uiteindelijk niet gesloopt, in tegenstelling tot de drie andere hallen die plaats maakten voor een binnenplaats. Achteraan op deze binnenplaats kwam een klein bijgebouw van de instelling.
Beschrijving
Het gebouw ligt parallel aan de straat achter een inspringende zone en heeft de vorm van een rechthoekig parallellepipedum. Het telt zes bouwlagen en een ondergrondse verdieping. Het heeft een modulair skelet in gewapend beton waardoor binnenin open ruimten ontstaan.
Buitenkant
De gevel bestaat uit betonnen modules van 2,20 meter breed, die een rijkelijk beglaasd ruitpatroon vormen. Deze structuur is bekleed met een gordijngevelNiet dragende gevel, meestal bestaande uit een opeenstapeling van vensterregisters. in witsteen van Anstrude. Er werd voor deze steen gekozen om het gebouw te doen aansluiten bij het geheel van de gebouwen met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag in het Jubelpark. De sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. is in schiefer. In de modules zijn venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gevat met schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... in geanodiseerd aluminium, met thermisch geïsoleerd glas en groene borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust..

De hoofdingang bevindt zich aan de rechterkant. Hij is bereikbaar via enkele traptreden en een dubbele helling. Hij wordt benadrukt door een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. die los staat van de gevel en in overstek op twee wijd uitlopende pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) rust. Onder deze structuur bevindt zich een rechthoekige portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. in schiefer, die aan de andere kant van een glazen wand, voortloopt aan de binnenkant. Rechts van de ingang is de benedenverdieping blindZonder opening; blind venster, schijnopening. op de drie gevels. Hierachter bevindt zich een voordrachtzaal. Op het muurvlak aan de kant van de laan bevindt zich een sculptuur Trois c'est la Foule III [Drie is een menigte III], in 1965-1966 ontworpen door de kunstenaar Olivier Strebelle.

De gevels worden verlevendigd door rijen inspringende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en uitspringende omlijstingen. Deze venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. komen overeen met ruimten van twee verdiepingen hoog: de voormalige hal voor het lossen van goederen in het oostelijke uiteinde van het gebouw en ook de conservatieateliers en de röntgen- en fotostudio op de tweede verdieping. Het atelier in het westelijke uiteinde van het gebouw had oorspronkelijk in de achtergevel een rollende deur in een omlijsting voorzien van een windas waarmee grote werken konden worden naar binnen gebracht. Deze ingang wordt thans niet meer gebruikt, maar de windas is nog zichtbaar.

In de hoogste bouwlaag waren in het midden van de voor- en achtergevel oorspronkelijk zes muuropeningen zonder schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met metalen borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.; thans zijn deze beglaasd. Hier bevonden zich aanvankelijk twee overdekte terrassen. Nu zijn hier bijkomende ateliers ingericht. Op de zuidwestelijke hoek van het gebouw bevindt zich een derde, open terras. Op het platte dak staan aan de twee uiteinden van het gebouw de volumes van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en liftkoker die met elkaar verbonden zijn door een dubbele luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak..
Langs de achtergevel loop een Engelse koer met metalen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. die het souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. verlicht.
Interieur
Het interieur van het gebouw kan zowel horizontaal als verticaal worden aangepast in functie van de noden. De meeste ruimten zijn van elkaar gescheiden door middel van verplaatsbare wanden. In de ateliers en studio’s is een doorlopende rail aangebracht waarmee grote werken van de ene ruimte naar de andere kunnen worden verplaatst.

De indeling van de lokalen is gebaseerd op de technische noden en vergemakkelijkt de circulatie van mensen en werken. Ze zijn alle bereikbaar via een lange gang. De noordelijk gelegen lokalen zijn groter en hebben een constant en diffuus licht. Hier liggen de laboratoria en de ateliers. De kantoren liggen aan de zuidkant.
![Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, plan van de benedenverdieping, [i]La Maison[/i], 11, 1963, p. 346.](/medias/500/buildings/10005026_0001_W09.jpg)
Op de benedenverdieping en de eerste verdieping liggen de ruimten die voor het publiek toegankelijk zijn, met onder meer de voordrachtzaal en het fotoarchief. In het souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. bevinden zich de ateliers waar luidruchtig en trillingen veroorzakend werk wordt uitgevoerd. De ruimten waar kunstwerken worden behandeld liggen op de hogere verdiepingen, om de veiligheid ervan te garanderen. De gemeenschappelijke ruimten zoals de centrale bibliotheek liggen op de derde verdieping, in de nabijheid van alle andere dienstruimten. De directiekantoren, de raadzaal, de kantine en de ontspanningszaal liggen op de hoogste verdieping.

De hoofdtrap ligt in de as van de inkom. Het is een opmerkelijke hangende spiraalvormige structuur in gebouchardeerdBewerking van natuursteen waardoor een oppervlak ontstaat met regelmatig verspreide puntjes. beton, ontworpen door ingenieur Léonard Cassiman. De treden zonder stootborden zijn aan één enkele spiraalvormige trapboom bevestigd en bekleed met samengesteld marmer. De halfcirkelvormige bordessen1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. van elke verdieping volgen dezelfde beweging als de trap. De trap is voorzien van een sobere doorlopende aluminium leuning.
![Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, voorportaal verfraaid met de sculptuur [i]Groep[/i] van Jean-Pierre Ghysels (© KIK-IRPA Brussel).](/medias/500/buildings/10005026_0001_W16.jpg)
In de inkomhal en op het eerste bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. bevinden zich koperen sculpturen die het KIK bestelde bij de kunstenaar Jean-Pierre Ghysels: Groep (1962) en Decoratieve compositie (1962). Op het laatste bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. bevindt zich een schilderij in email van de kunstenaar Edmond Dubrunfaut uit 1974, Ainsi va la vie. Het gebouw werd aanvankelijk ook getooid met werken van beeldhouwer Georges Grard en schilder Rick Slabbinck. Laatstgenoemd kunstwerk bevindt zich vandaag in een van de burelen.
![Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, eerste <a href='/nl/glossary/38' class='info'>bordes<span>1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap.</span></a> met het beeldhouwwerk [i]Decoratieve compositie[/i] van Jean-Pierre Ghysels (foto 2010).](/medias/500/buildings/10005026_0001_P07.jpg)
De inrichting en het meubilair werden ontworpen door Charles Rimanque in samenwerking met de Ateliers Stéphane Jasinski en de Kortrijkse kunstwerkstede De Coene.

De centrale gang wordt geritmeerd door de verticaliteit van de deuren in olijfessen, waarvan het bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. tot aan het plafond doorloopt. Voor de laboratoria en de ateliers zijn de aluminium klinken verlengd, zodat ze met de elleboog kunnen bediend worden.
![Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, fotoarchief, [i]L’Institut royal du Patrimoine artistique et son nouveau bâtiment[/i], 1964, p. 81.](/medias/500/buildings/10005026_0001_W17.jpg)
Het modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. meubilair in olijfessen is sober en functioneel. Dat van de laboratoria en ateliers is grotendeels ingebouwd. Het fotoarchief heeft een grote hangende kaartenkast met stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. in fineerhout van gelaagd melamine. In de raadzaal staat nog het oorspronkelijke meubilair in kersenhout. Ze is thans getooid met het schilderij Abstracte compositie uit 1962 van de kunstenaar Gaston Bertrand dat oorspronkelijk in de aan de kantine grenzende ontspanningszaal hing.
![Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, raadzaal met het kunstwerk [i]Abstracte compositie[/i] van Gaston Bertrand (Foto Pierre Bernard, 2006).](/medias/500/buildings/10005026_0001_P10.jpg)
Beschermd op 29.11.2007.
Bronnen
Archieven
Archief KIK, niet geklasseerd fonds.
SAB/OW 71019 (1957).
Publicaties en studies
BERCKMANS, C., BERNARD, P., Bruxelles ’50 ’60. Architecture moderne au temps de l’Expo 58, Aparté, Brussel, 2007, p. 59.
L’Institut royal du Patrimoine artistique et son nouveau bâtiment – Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium en zijn nieuwbouw, uittreksel van het Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique, dl. VII., 1964.
Tijdschriften
‘Institut royal du Patrimoine artistique, à Bruxelles’, La Maison, 11, 1963, pp. 344-350.
MASSCHELEIN-KLEINER, L., ‘Les cinquante ans de l’IRPA’, Bulletin de l’Institut royal du Patrimoine artistique 1996-1998, dl. XXVII, 2000, pp. 14-47.
Websites
http://www.olivierstrebelle.com/fr/brussels.html (15/03/2010).
www.kikirpa.be
Opmerkelijke bomen in de nabijheid

























