Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalige zetel Adolphe Delhaize en Co, daarna Grandes Laiteries Réunies
Deschampheleerstraat 24, 26
Typologie(ën)
burgerwoning
kantoorgebouw
loods
kantoorgebouw
loods
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1883
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Eclectisme
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Inventaris van de Industriële Architectuur (AAM - 1980-1982)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Inventaris van het Industrieel Erfgoed (La Fonderie - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Koekelberg (DPC-DCE - 2020-2023)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2020-2022
id
Urban : 35453
Beschrijving
Gebouw
met woning en kantoren aan de straatkant, opslagplaatsen achteraan, opgetrokken
voor Adolphe Delhaize & Co, naar een ontwerp van architect G. Hansotte,
1883.
Historiek
Adolphe Delhaize (Ransart, 1840 – Bousval, 1899) groeide op in een gezin met elf kinderen. In 1866 stichtte hij de vennootschap Adolphe Delhaize & Co en de firma Au Bon Marché om zijn producten in tal van verkooppunten te koop aan te bieden. Het jaar nadien stichtten zijn broers Jules, Auguste en Édouard en hun schoonbroer de vennootschap Delhaize Frères et Cie. Daarna stichtte een vierde broer, Louis, zijn eigen vennootschap Louis Delhaize, maar die bleef in Henegouwen. Geleidelijk ontstond verwarring tussen de eerste twee vennootschappen, ook al omdat Delhaize Frères et Cie eveneens de benaming Au Bon Marché hanteerden. Aan hun merknaam voegden zij dan de vermelding Le Lion toe. Beide vennootschappen organiseerden zich om eigen levensmiddelen te produceren en via hun netwerk te verdelen. In 1883 vestigde Delhaize Frères et Cie zich in Sint-Jans-Molenbeek met eigen fabrieken (zie Osseghemstraat nr. 53, 55). De vennootschap Adolphe Delhaize & Co spreidde haar fabrieken over meerdere plaatsen in Sint-Jans-Molenbeek en Koekelberg: een koekjesfabriek in de Piersstraat, een vermicellifabriek in wat later de Vermicellifabriekstraat zou worden, terwijl de kantoren en het centrale magazijn met laad- en loskaaien werden opgetrokken in de Deschampheleerstraat. Later kwamen op die plaats nog een stokerij, een stoomfabriek om koffie te branden en een chocoladefabriek. Drie jaar later liet de vennootschap op de naburige percelen (nr. 16, 18, 20, 22) woningen optrekken voor haar werknemers. In 1895 werd een ‘huis met hal en woonvertrekken’ gebouwd op wat nu nr. 28, 30, 32 en 34 is: de benedenverdieping van nr. 30, 32 en 34 (zie aldaar) werd ingenomen door een grote kruidenierszaak. In 1900, na het overlijden van Adolphe Delhaize, stichtte de vennootschap onder leiding van zijn vennoot en zijn dochter een ziekenfonds en een pensioenkas voor haar personeel. In hetzelfde jaar werden langsheen de Hovenierstraat paardenstallen toegevoegd aan de lokalen (afgebroken in de jaren 1960). In 1919 verhuisde de vennootschap Adolphe Delhaize & Co van de Deschampheleerstraat naar het Redersplein. Vanaf 1939 ging zij samen met de koekjes- en chocoladefabriek Victoria maar in 1950 werd zij opgeslorpt door haar concurrent, de vennootschap Delhaize Frères et Cie Le Lion. De winkels van Adolphe Delhaize werden omgevormd tot Le Lion. De vermelding A.D. Delhaize die thans nog bekend is, verwijst naar Affiliés Delhaize, supermarkten die onder franchise werken.

Na het vertrek van de vennootschap Adolphe Delhaize & Co in 1919, vestigde de naamloze vennootschap Les Grandes Laiteries Réunies zich in de lokalen van de Deschampheleerstraat. Zij bracht er uitrusting onder voor het verwerken van meer dan 1.000 liter melk of room per dag en voor de productie van boter en kaas. Er kwamen toen een schoorsteen bij (die vandaag nog te zien is, weliswaar ingekort), een machinezaalIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. , een smederij en een werkplaats. Nog later werden een garage voor vrachtwagens en een opslagplaats voor 3.000 liter benzine toegevoegd. Spoedig kreeg de vennootschap de naam PAX, naar de naam van een van de melkerijen die erin opging. De vennootschap heeft weliswaar hoogtijden gekend, maar vanaf de 1950 ging het geleidelijk bergaf met haar activiteiten. In de lokalen gingen toen een aantal andere ondernemingen aan het werk. Artsen Zonder Grenzen België had er van 1970 tot 1994 zijn zetel. Sinds de jaren 2000 zijn er geluidsopnamestudio's gevestigd.
Beschrijving
Gebouw aan de straat met neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. Gevelopstand van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), drie bouwlagen en een mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst.. Hardstenen benedenverdieping met doorlopende schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren., verdiepingen bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen.. Rechthoekige gevelopeningen met geprofileerd lijstwerk. Centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met toegangsdeur, in licht risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. en met gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de verdiepingen; balkon met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. SteigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. met sierdeksels. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard: deur, ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst..
Via twee doorgangen aan weerszijden bereikt men het nijverheidsgebouw aan de achterkant.
Gebouw achteraan met twee bouwlagen. Bakstenen gevel, benedenverdieping wit geverfd. Centrale inkom via een portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met twee gedrukte bogenBoog waarvan de kromming lager is dan de overeenkomstige rondboog. en daarboven een drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. en een topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. met boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen., het geheel geflankeerd door brede pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Links vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder plat dak en balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Rechts twee brede traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is., elk met twee gevelopeningen onder gedrukte boogBoog waarvan de kromming lager is dan de overeenkomstige rondboog. op de benedenverdieping en een gevelopening met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op de verdiepingen. Achteraan: bewaarde schoorsteen uit 1919. RamenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen, kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. bewaard.

Binnen bevinden zich grote ruimten onder een bewaarde glaspartij.
Historiek
Adolphe Delhaize (Ransart, 1840 – Bousval, 1899) groeide op in een gezin met elf kinderen. In 1866 stichtte hij de vennootschap Adolphe Delhaize & Co en de firma Au Bon Marché om zijn producten in tal van verkooppunten te koop aan te bieden. Het jaar nadien stichtten zijn broers Jules, Auguste en Édouard en hun schoonbroer de vennootschap Delhaize Frères et Cie. Daarna stichtte een vierde broer, Louis, zijn eigen vennootschap Louis Delhaize, maar die bleef in Henegouwen. Geleidelijk ontstond verwarring tussen de eerste twee vennootschappen, ook al omdat Delhaize Frères et Cie eveneens de benaming Au Bon Marché hanteerden. Aan hun merknaam voegden zij dan de vermelding Le Lion toe. Beide vennootschappen organiseerden zich om eigen levensmiddelen te produceren en via hun netwerk te verdelen. In 1883 vestigde Delhaize Frères et Cie zich in Sint-Jans-Molenbeek met eigen fabrieken (zie Osseghemstraat nr. 53, 55). De vennootschap Adolphe Delhaize & Co spreidde haar fabrieken over meerdere plaatsen in Sint-Jans-Molenbeek en Koekelberg: een koekjesfabriek in de Piersstraat, een vermicellifabriek in wat later de Vermicellifabriekstraat zou worden, terwijl de kantoren en het centrale magazijn met laad- en loskaaien werden opgetrokken in de Deschampheleerstraat. Later kwamen op die plaats nog een stokerij, een stoomfabriek om koffie te branden en een chocoladefabriek. Drie jaar later liet de vennootschap op de naburige percelen (nr. 16, 18, 20, 22) woningen optrekken voor haar werknemers. In 1895 werd een ‘huis met hal en woonvertrekken’ gebouwd op wat nu nr. 28, 30, 32 en 34 is: de benedenverdieping van nr. 30, 32 en 34 (zie aldaar) werd ingenomen door een grote kruidenierszaak. In 1900, na het overlijden van Adolphe Delhaize, stichtte de vennootschap onder leiding van zijn vennoot en zijn dochter een ziekenfonds en een pensioenkas voor haar personeel. In hetzelfde jaar werden langsheen de Hovenierstraat paardenstallen toegevoegd aan de lokalen (afgebroken in de jaren 1960). In 1919 verhuisde de vennootschap Adolphe Delhaize & Co van de Deschampheleerstraat naar het Redersplein. Vanaf 1939 ging zij samen met de koekjes- en chocoladefabriek Victoria maar in 1950 werd zij opgeslorpt door haar concurrent, de vennootschap Delhaize Frères et Cie Le Lion. De winkels van Adolphe Delhaize werden omgevormd tot Le Lion. De vermelding A.D. Delhaize die thans nog bekend is, verwijst naar Affiliés Delhaize, supermarkten die onder franchise werken.

Na het vertrek van de vennootschap Adolphe Delhaize & Co in 1919, vestigde de naamloze vennootschap Les Grandes Laiteries Réunies zich in de lokalen van de Deschampheleerstraat. Zij bracht er uitrusting onder voor het verwerken van meer dan 1.000 liter melk of room per dag en voor de productie van boter en kaas. Er kwamen toen een schoorsteen bij (die vandaag nog te zien is, weliswaar ingekort), een machinezaalIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. , een smederij en een werkplaats. Nog later werden een garage voor vrachtwagens en een opslagplaats voor 3.000 liter benzine toegevoegd. Spoedig kreeg de vennootschap de naam PAX, naar de naam van een van de melkerijen die erin opging. De vennootschap heeft weliswaar hoogtijden gekend, maar vanaf de 1950 ging het geleidelijk bergaf met haar activiteiten. In de lokalen gingen toen een aantal andere ondernemingen aan het werk. Artsen Zonder Grenzen België had er van 1970 tot 1994 zijn zetel. Sinds de jaren 2000 zijn er geluidsopnamestudio's gevestigd.
Beschrijving
Gebouw aan de straat met neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. Gevelopstand van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), drie bouwlagen en een mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst.. Hardstenen benedenverdieping met doorlopende schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren., verdiepingen bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen.. Rechthoekige gevelopeningen met geprofileerd lijstwerk. Centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met toegangsdeur, in licht risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. en met gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de verdiepingen; balkon met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. SteigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. met sierdeksels. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard: deur, ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst..
Via twee doorgangen aan weerszijden bereikt men het nijverheidsgebouw aan de achterkant.
Gebouw achteraan met twee bouwlagen. Bakstenen gevel, benedenverdieping wit geverfd. Centrale inkom via een portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met twee gedrukte bogenBoog waarvan de kromming lager is dan de overeenkomstige rondboog. en daarboven een drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. en een topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. met boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen., het geheel geflankeerd door brede pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Links vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder plat dak en balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Rechts twee brede traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is., elk met twee gevelopeningen onder gedrukte boogBoog waarvan de kromming lager is dan de overeenkomstige rondboog. op de benedenverdieping en een gevelopening met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op de verdiepingen. Achteraan: bewaarde schoorsteen uit 1919. RamenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen, kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). van de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. bewaard.

Binnen bevinden zich grote ruimten onder een bewaarde glaspartij.
Bronnen
Archieven
GAK/DS 8 (1883), 39 (1900), 39 (1903), 43 (1904), 639-72 (1908), 1107-23 (1919), 1325-55 (1923), 1784-86 (1926), 3148-80 (1938).
Publicaties en studies
CULOT, M. (o.l.v.), Koekelberg. Inventaire visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AMA, Brussel, 1980, fiche 21.
STEPMAN, C., VERNIERS, L., Koekelberg dans le cadre de la région nord-ouest de Bruxelles, De Boeck, Brussel, 1966.
SUTTER, D., Koekelberg. Au fil du temps… Au cœur des rues…, Drukker, Parijs, 2012.
TONDEUR, F., Koekelberg, CFC-Éditions, Brussel, 2000.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











