Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Gustave STRAUVEN – architect – 1900
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Oost (Apeb - 2006-2009)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Opmerkelijk huis in art nouveauPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., n.o.v. architect Gustave Strauven, i.o.v. kunstschilder en decorateur Georges Léonard de Saint Cyr, 1900.
De werken begonnen in februari 1901 en het huis werd in juli 1903 door de Stad als voltooid verklaard.
Om het smalle perceel van nauwelijks vier meter breed te compenseren, ontwierp de architect een huis in de hoogte, met vier verdiepingen op een half-verzonken souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping., maar ook een in de lengte, ten koste van de tuin. Om de vertrekken een comfortabele breedte te geven en een maximale lichtinval, liet Strauven zich inspireren door de toen erg geliefde architectuur van de badplaatsen en baseerde hij zich op bepaalde lessen van zijn leermeester Victor Horta: lichte skeletvormige structuur met maximale openingen uitgevend op het groen van de square, spel van loggia'sOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw., balkons en terrassen; via een bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. rechtstreekse toegang naar de voorkamer van de benedenverdieping; geen zijgangen naast hoofdvertrekken; centrale kamer van traditionelePeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. enfilade vervangen door ruim trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden..
Gevel in flamboyante art-nouveauPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., zowel qua steengebruik, schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... en ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. als qua grondplan en vorm van de uitbouwen. Het interieur wordt gekenmerkt door verschillende stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust., die variëren van kamer tot kamer.
Plannen
Hoewel er geen definitieve plannen van het huis meer bestaan, zijn er andere wel bewaard gebleven: een voorontwerp van 6 februari 1900, goedgekeurd op 12 maart; een gevoelig verschillend ontwerp, dat werd gevoegd bij de bouwaanvraag van 28 april 1900 en dat werd goedgekeurd op 15 mei; een schets voor de wijziging van het bordes, gedateerd met 31 december 1900, goedgekeurd op 7 februari 1901; een niet gedateerd ontwerp voor het hek van de voortuin. De tijd tussen het ontwerp en de bouw was redelijk groot.

Voorontwerp
Op het voorontwerp is een gevel te zien geflankeerd door twee bakstenen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., eindigend in een pinakelSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje., het geheel onder een topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt.. De trap van het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. begint in de linkerhelft van de voortuin en heeft slechts één bocht naar rechts; hij komt uit op een terras dat zich links en rechts van de trap uitstrekt. De ingang van het halve souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. ligt rechts van het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap.. De eerste drie bouwlagen hebben een loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. en de hoogste bouwlaag een terras met dezelfde oppervlakte; op de benedenverdieping wordt de loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. voorafgegaan door het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. en op de twee volgende verdiepingen door balkons volgens verkleinende ordonnantie. De afgeknotte topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. wordt bekroond met een opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. polygonaleRegelmatige veelhoek. spits , die de vorm heeft van een miniatuurloggia met klein balkon. Hoewel het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. twee meter uitspringt in de voortuin, werd het voorontwerp door de stad aanvaard ‘gezien het waarachtig artistieke karakter van het ontwerp en de precedenten', te weten de ingang van het huis op de Palmerstonlaan nr. 2 (zie dit nr.).
Ontwerp
In het ontwerp is de op het voorontwerp voorkomende bekroning ietwat bezadigder geworden: de topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. is vervangen door een pseudo mansarde-ondervlak in leisteen met een groot dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. onder een vierledig dak bekroond met een door een hek afgeboord terras. Blijkbaar resulteerde dit ontwerp uit de wens van de opdrachtgever om de exuberantie van zijn architect te temperen en ook om de bewoonbare ruimten te vergroten door de diepte van de loggia'sOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. en het terras op de verdiepingen te verkleinen.
Schets voor de aanpassing van het bordes
Deze schets met een nieuwe versie van het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap., werd voor het begin van de werken getekend door de opdrachtgever: de trap is verlengd met twee treden en vertrekt nu van rechts; de ingang van het souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. is naar links verplaatst. De uitbouw van de trap bedraagt nu 2,40 m. Om deze vergroting te verdedigen, argumenteerde de Saint Cyr dat de inkomtrap van zijn muur 2,33 m uitspringt (zie nr. 10) en die van de Palmerstonlaan nr. 18, 3,95 m (zie dit nr.). Op basis van dit precedent, werd de afwijking toegestaan.
Ontwerp van het tuinhek
Blijkbaar werd begonnen met de uitvoering van het tuinhek in juli 1902, zonder indiening van het ontwerp. Het wijkt echter af van de voorschriften: het is te hoog en zijn sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. is in witsteen en niet in hardsteen en tevens van een type dat verschilt van dat van de naburige huizen. Het ontwerp werd wellicht achteraf ingediend op uitdrukkelijk vraag van de Stad.

Gevels
Voorgevel
De gevel in witsteen, witte baksteen van Silezië, staal en smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, lijkt een compromis te zijn tussen het voorontwerp en het ontwerp, waarbij ook rekening werd gehouden met de wijziging van het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap.. Hij bestaat uit laterale pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., op de benedenverdieping verbonden door een steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., op de eerste verdieping door een I-balkIJzeren latei met I-profiel. en door een omgekeerde boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. op metalen ronding op de tweede verdieping; alle drie rusten ze op stenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. De derde verdieping vervangt de topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. van het voorproject met een pseudo mansarde-ondervlak, dat al op het ontwerp voorkomt, maar nu wordt voorafgegaan door een opmerkelijk bakstenen ring. Deze is door middel van enkele boogstenenMeestal wigvormige steen waaruit een boog is samengesteld en waarvan de voegen radiaal verlopen. verbonden met een omgekeerde metalen boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. en is bekroond door pinakelsSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje. onder een indrukwekkende smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… vorstkamKamvormige, geajoureerde bekroning in steen of metaal op de nok van een dak. – uitgevoerd door siersmid Charles Van Waeyenberghe (Heymans, V., 1995, p. 36) – voor een dakterras.

Het vrijwel volledig stenen bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. is ronder in vergelijking met het ontwerp en het voorontwerp: de linker- en rechterdelen vormen vrijwel een halve cirkel, afgeboord met een borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. in ijzer en steen; de trap die van rechts vertrekt, gaat golvend naar boven tot aan een amandelvormig hek. Op het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. geven symmetrisch twee getraliede muuropeningen uit die het halve souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. verlichten: links de deur, conform aan het ontwerp en rechts een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Rechts van de deur is de signatuur van de architect in de steen gegraveerd.

De loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. van de benedenverdieping is betegeld met glazen plavuizen die voor licht moeten zorgen in de onderliggende hal, maar ook voor de avondlijke verlichting van de loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. door middel van gaslampen. Achter een mechanisch rolluik dat blijkbaar in 1925 werd geïnstalleerd, is een fragment bewaard van de bekleding in Lincrusta met floraal art-nouveaumotief die oorspronkelijk beide zijmuren van de loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. sierde.

Conform aan het voorontwerp en het ontwerp, fungeren de borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van het bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. als sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. voor twee gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met gesmede korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken.. Deze ondersteunen samen met twee laterale stenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. het balkon van de eerste verdieping, dat de vorm heeft van een voorsteven met concave uiteinden. De voor deze verdieping voorziene loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. is geïntegreerd in de ruimte van de salon. Deze ligt een trede lager achter een in het vlak van de gevel ingewerkt raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn.. In de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van het balkon zijn vier gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuiltjes verwerkt. De twee middelste, met een hol kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. dat als bloempot kan fungeren, liggen in het verlengde van de zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. op de benedenverdieping. Net als laatstgenoemde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., fungeren de twee buitenste, samen met twee metalen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. die op het schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... van het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. rusten, als steun voor het balkon van de volgende verdieping. Dit gewelfde balkon is ondieper dan dat van de eerste verdieping. De zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. lopen daar optisch door in twee in de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. verwerkte pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…), die thans vervangen zijn door PVC-buizen. Het ijzerwerkVerzameling van alle metalen elementen van een gebouw. van de twee consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. loopt verder naar boven en versmelt met het traliewerk van de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Deze constructie was nog niet te zien op het voorproject, maar lijkt al in wording op het ontwerp, waar twee zuiver decoratieve schachtenDe ruimte waarin de liftkooi en/of het tegengewicht bewegen, begrensd door de wanden, het plafond en de bodem van de put. De schacht kan gesloten of gedeeltelijk open zijn. de balkons van de eerste en tweede verdieping met elkaar verbinden. De loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. van de tweede verdieping is wat dieper dan op het ontwerp en heeft een vloer in marmermozaïek.

De loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. van de derde verdieping is ondieper dan op het ontwerp. De ring met getraliede borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. die de buitenkant van de loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. vormt, doet denken aan een buitenmaatse œil-de-bœuf. Hij staat nochtans los van de rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., die is aangebracht in een gemetselde pseudo mansarde-ondervlak bekleed met schubvormige leistenen. Boven de oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. bevindt zich een gecementeerdMet portlandcement bestrijken. paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., oorspronkelijk met sgraffitoSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister)., en een bekroning van steen en smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, waarin geel glas is gevat. Deze fungeert als borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. voor het dakterras, waarmee het verbonden is door middel van een vloer.

Het schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... op de vier verdiepingen heeft een rijkelijk gewelfde roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. Op sommige plaatsen is de roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. gewoonweg tegen de ruiten gekleefd. In de drie eerste bouwlagen bestaan de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. uit twee glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., geflankeerd door een vast gedeelte, die in de hoogste bouwlaag uit een centrale dubbele glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat.. De soffiet van de balkons is versierd met een uitgespaard gesculpteerd gewelfd decor. In de drie eerste bouwlagen zijn nog resten te vinden van wellicht in 1925 geïnstalleerde roodwit gestreepte zonnetenten: verankering, tandrad, zwengels, stangen met flarden stof en op de derde verdieping een houten gefestonneerd baldakijn.

Traliewerk, leuningen en borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. in plat en aan elkaar geschroefd smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen…, zijn bijzonder levendig. In borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. en tuinhek is metaalgaas verwerkt. Tuinhek volledig conform aan bewaarde tekening. Het is aan weerszijden van de centrale poort versterkt door een driepoot verankerd in een gearticuleerd gedeelte van de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Oorspronkelijk was deze laatste in witsteen en bezat een bijzonder verfijnd profiel. Op bevel van de gemeente, werd hij gemaskeerd als kalksteen. Op de schets werd dit gedeelte in blauw ingekleurd. De kunstig bewerkte sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. was echter heel broos en werd in 1960 vervangen door de huidige in als Franse steen gecementeerdMet portlandcement bestrijken. beton. Tijdens deze operatie verdween een deel van de onderkant van het hek. In dezelfde periode werd een gedeelte van de voortuin betegeld met rode keramische tegels.

Achtergevel
Bijzonder sobere achtergevel in rode baksten met elementen in gele baksteen. Half souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. met dubbele glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat., geflankeerd door bijgebouwen onder glazen dak. Op bel-etage drieledige erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. van de eetkamer, met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in gevelvlak. Op verdiepingen venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. of ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. In tweede bouwlaag vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met glas-in-lood, dat links een toilet en rechts de badkamer verlicht. In derde bouwlaag brede glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. onder twee met korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. geschoorde I-balkenIJzeren latei met I-profiel.; houten balkon op geprofileerde houten korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken..
Interieur
Net als de gevel verschilt het interieur sterk van het in 1900 goedgekeurde ontwerp.

Half souterrain
De plannen voorzien een diensthal, gevolgd door een badkamer die geflankeerd is door een voorvertrek; dan volgt de hal met de trap naar de benedenverdieping. Bij de uitvoering werd de diensthal minder diep ten voordele van een kleine eetkamer met een schouw, waarvoor de badkamer werd afgeschaft. In 1934-1935 werd de wand tussen de kleine eetkamer en de centrale hal gesloopt, zodat één grote ruimte ontstond. Dan volgt een gang langs de hout- en de wijnkelder en eindigend in de keuken die uitgeeft op de tuin. Deze hele verdieping is overwelfd met troggewelven op meer dan 25 metalen balken. De vloer is bekleed met marmermozaïek. Hal met lage lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … gecombineerd met houten banken. Door middel van grote glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met glas-in-lood van kleine eetzaal gescheiden. In laatstgenoemde bevindt zich een schouw met hoefijzerboogBoog die meer dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een hoefijzer. in groene baksteen met cabochons in gekleurde keramiek; thans beraaptMet mortel ruw - niet gladgestreken - bepleisteren.. Keuken en achterkeuken met keukenliftEen lift die voornamelijk bestemd is voor het vervoer van goederen/voorwerpen. . In diensthal klinken in art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters..
Benedenverdieping
Loggia met inkomdeur, gevolgd door een ontvangsthal, de eretrap van twee bouwlagen onder glazen dak en vervolgens de eetkamer.

De hal werd in 1934-1935 verbouwd in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”).. Ze was wellicht oorspronkelijk in art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters. en had een grote schouw. Ze was gescheiden van de eretrap door middel van een houten wand met een centrale opening en misschien ook laterale openingen. Deze wand werd vervangen door een grote, met smeedijzerTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… versierde korfboogBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen., die thans verdwenen is. Plafond met afgeronde hoeken.

Het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. werd in vergelijking met het ontwerp vergroot. Op de verdieping werd zijn ruimte erg vernuftig vergroot door het verplaatsen van een wand in de richting van de tuin en hier een kleine galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. in te richten. Deze ligt tegenover de voorkamer van de salon aan straatzijde, die geheel geopend is op het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en eveneens in de vomr van een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Hoewel het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. op het plan deels in art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters. is, werd het volledig in neo-empire uitgevoerd met houten lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, rankenversiering en palmettenVersiering in de vorm van een palmblad.. Twee rechte trapdelen leiden naar een ruimte in de vorm van een vierkante galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met korfbogenBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen. en balustradesHekwerk van spijlen of balusters.. De tussenmuren zijn bekleed met spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. waarop valse bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. zijn aangebracht die eindeloos weerspiegeld worden en op deze manier de ruimte sterk vergroten. De glazen koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. van het bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. is voorzien van rijkelijk gekleurd glas-in-lood met gestileerd bloemdecor. De zijranden ervan zijn plat, terwijl het middelste gedeelte gewelfd. Aan tuinzijde bevindt zich een centrale nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., geflankeerd door twee deuren met spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting., waarvan de linkse vals is. In de nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. stond tot in 2003 een beeld van een jonge vrouw die de orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief. spitst en dat er misschien oorspronkelijk werd geplaatst. De vloer van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. in glastegels verlicht het halve souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping..

De eetkamer in neo-Vlaamse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. begint met een soort verhoogde tribune met enkele treden, geflankeerd door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters., die op het plan in art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters. voorzien was. De eetkamer geeft uit op de tuin via een trapezoïdale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. Ze heeft een lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met leeuwenkoppen over de hele omtrek. De fijn bewerkte houten deur herneemt dezelfde motieven, net als een identieke kastdeur die een symmetrische pendant vormt van de deur. Parketvloer. Houten plafond met moer- en kinderbalken. Indrukwekkende schouw met stenen voluutvormige wangenStenen zijkanten van schouwmantel, balkonborstwering, of andere. , haardmond met keramische tegels en houten schoorsteenbalk en boezemHet boven de stookplaats uitspringende en rookopvangende gedeelte van een schouw; of ook, het boven de schoorsteenmantel opgaande gedeelte van een schoorsteen tot aan de zoldering.. De erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. wordt geflankeerd door de keukenliftEen lift die voornamelijk bestemd is voor het vervoer van goederen/voorwerpen. en een kast. Net als het bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in het gevelvlak is hij voorzien van glas-in-loodramen met de wapens van de familie. Houten luiken. Sinds 2003 is het meubilair in neorenaissanceDe Neorenaissancestijl in Brussel is een belangrijke expressie van het 19e eeuwse eclecticisme, die zijn hoogtepunt bereikte tussen circa 1850 en 1910. Deze stijl grijpt terug op de vormen, proporties en ornamentiek van de 16e eeuwse Italiaanse renaissance, en werd in Brussel zowel toegepast in openbare als private bouwprojecten. De stijl vormt een reactie op het neoclassicisme, dat als te strak en dogmatisch werd ervaren, en ontwikkelt zich in parallel met de Neobarok en Neogotiek. De Brusselse Neorenaissance vormt aldus een historiserende maar ideologisch geladen stijl, waarin stedelijke representatie, burgerlijke trots en historische evocatie samenkomen. De Neorenaissancestijl onderscheidt zich door een rationele gevelopbouw en een ornamentiek gebaseerd op klassieke orden en renaissancemotieven. Ze combineert structurele helderheid met rijke decoratieve accenten. Typische kenmerken zijn: horizontale geleding door kroonlijsten en cordonbanden; symmetrische composities met regelmatige traveeën; gebruik van rondbogen, pilasters, zuilen en balustrades; gevels in natuursteen of baksteen met witstenen elementen; ornamentiek geïnspireerd op grotesken, medaillons, guirlandes en cartouches; hoge attieken of dakkapellen met frontons. van de eetkamer, met onder meer een grote buffetkast ingebouwd in de lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … tussen de deuren, verdwenen.

Verdiepingen
De voorsalon, uitlopend in de buitenloggia op de eerste verdieping was oorspronkelijk in neo-empire of neo-Lodewijk XVI. Ze was afgesloten van het galerijvormig voorvertrek door een dunne gemetselde wand met een dubbele glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat.. In 1925 werd deze kamer verbouwd tot Chinese salon. Daarvoor werd de dubbele deur vervangen door een bredere, open muuropening. Opmerkelijk decor van in rood en goud beschilderde hout, met panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met karakteristieke taferelen. De vrije muuropeningen tussen de centrale ruimte en die van de loggiaOverdekte, halfopen ruimte; schaduwrijke inham in de gevel van een gebouw. aan de voorkant en het voorvertrek rusten zijdelings op twee zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en hebben een bijzonder verfijnd opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Cassettenplafond. Tot in 2003 stond hier een vermoedelijk oud Chinees meubel. Het zou als inspiratie gediend hebben voor de herinrichting van de salon.
Het regelmatige tracé van de trap naar de kamers werd gewijzigd door de hoger vermelde verplaatsing van de wanden. De twee eerste trapdelen werden naar achteren verschoven, ten koste van de achterkamer, met als gevolg dat de hogere trapdelen werden omgewisseld, maar wel hun oorspronkelijke ruimte hebben behouden.

De verkleinde achterkamer was door middel van dunne gemetselde muren onderverdeeld in drie ruimten: een kleine gang, rechts een toilet en links de badkamer, die oorspronkelijk in het halve souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. voorzien was. Via een klein glas-in-loodraam in de badkamer valt licht binnen op de overloop van de aanpalende trap. De schouw is gedecentreerd. Badkamer en toilet delen een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met brede houten vensterdam. Ze werden in 1925 gemoderniseerd met witte faiencetegelsKeramische tegel bedekt door een, vaak polychroom versierde, glazuurlaag. met damborddecor.

De sobere tweede en derde verdieping liggen aan weerszijden van de grote lichtschacht die door twee, boven elkaar liggende zwevende gangen doorkruist wordt. De lichtschacht wordt achteraan geflankeerd door het smalle trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. van de kamers. Volgens het ontwerp moesten ze allebei verlicht worden door de lichtkoepel. Bij de uitvoering echter werd het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met twee trapdelen verlengd onder een apart bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.; deze leiden naar de achterzolder onder één enkele dakhelling en een dakterras dat de het vierdelig dak van het ontwerp vervangt.
Op de tweede verdieping vooraan werd de hoofdslaapkamer oorspronkelijk voorafgegaan door een even brede toiletkamer, met een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. uitgevend op de lichtschacht. In 1934-1935 werd de wand tussen de slaapkamer en de toiletkamer verwijderd en werd de ruimte verbouwd in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”).. Het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. van de toiletkamer werd vervangen door een groot geometrisch glas-in-loodraam in lichte kleuren.
De voorkamer op de derde verdieping is toegankelijk via een kleine gang, geflankeerd door een toiletkamer met een vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. uitgevend op de lichtschacht. Deuren met glas-in-loodramen. Achteraan dienstbodenkamer. Bewaarde klassieke marmeren schouwen met uitzondering van die van de hoofdslaapkamer.

Beschermd op 08.08.1988.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 122 (1900).
Publicaties en studies
BERCKMANS, O. en C., Maison de Saint Cyr. Une étude archéologique du bâtiment, onuitgegeven studie, 2003.
BORSI, F., WIESER, H., Bruxelles capitale de l'Art Nouveau, coll. Europe 1900, Franse vertaling J.-M. Van der Meerschen, Marc Vokaer éd., Brussel, 1992, pp. 145-147, 155-157.
Bruxelles, Monuments et Sites classés, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Monumenten en Landschappen, Brussel, 1994, p. 153.
DIERKENS-AUBRY, F., VANDENBREEDEN, J., Art nouveau en Belgique. Architecture et Intérieurs, Racine, Brussel, 1991, pp. 76-77.
DE PANGE, I., SCHAACK, C., 400 façades étonnantes à Bruxelles, Aparté, Brussel, 2003, p. 208.
HEYMANS, V., Le quartier des Squares. Marguerite, Ambiorix, Marie-Louise, Gutenberg, coll. Bruxelles, Ville d'Art et d'Histoire, 13, 1995, pp. 36, 152-153.
MEERS, L., Promenades Art Nouveau à Bruxelles, Racine, Brussel, 1996, pp. 136-137.
RAGUENET, A. (red.), Monographies de bâtiments modernes, 216e livraison, s.d., p. 308.
VANDENBREEDEN, J., VAN SANTVOORT, L., DE THAILLE, P., et al., Encyclopédie de l'Art nouveau. Tome premier. Le quartier Nord-Est à Bruxelles, CIDEP, Brussel, 1999, pp.144-148.
VAN DIJK, P., MAHER, D., MAHIEU, F., Maison Saint-Cyr. Ambiorixsquare 11, Brussels, Katholieke Universiteit Leuven, Project Work 1996-1997.
VAN SANTVOORT, L., Het 19de-eeuwse kunstenaarsatelier in Brussel (proefschrift voor het behalen van een doctoraat in de Kunstgeschiedenis), Vrije Universiteit Brussel, Brussel, 1996, corpus deel E, 1900/1.
Tijdschriften
LEHÉ, I., ‘Gustave Strauven', Maisons d'Hier et d'Aujourd'hui, 57, 1983, pp. 24-35.
PHILIPPE, C., ‘La maison Saint-Cyr: monstre ou chef-d'œuvre?‘, Habiter, 95, s.d., pp. 48-51.
Websites
Brussel, stad van architecten - Gustave Strauven
Opmerkelijke bomen in de nabijheid





























