Typologie(ën)

herenhuis
vrijmetselaarsloge

Ontwerper(s)

Paul BONDUELLEarchitect1909

INCONNU - ONBEKEND1832

Juridisch statuut

Beschermd sinds 08 augustus 1988

Stijlen

Neoclassicisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016

id

Urban : 32657
lees meer

Beschrijving

Breed herenhuis met enkelhuisopstand in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl, waarvoor bouwaanvraag van 1832; souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping., vier bouwlagen en vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Opgetrokken ter plaatse van een ouder, minstens 18e-eeuws herenhuis met twee bouwlagen. Oorspronkelijk bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderde lijstgevel, heden gecementeerdMet portlandcement bestrijken. op een natuurstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. waarin getraliede keldermonden. Verkleinende gevelordonnantie met gemarkeerde horizontale registersVensterstrook in een topgevel.. Rechter risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. inrijpoort tussen hardstenen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., aansluitend bij een in de puilijst doorlopend  balkon met voluutconsoles, vóór een deurvenster met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Vlakke verdiepte hoekpenanten. Rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op kordonvormende lekdrempels. Eerste twee verdiepingen verrijkt met geriemde omlijstingen. Bovenste verdieping opgevat als een hoge mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst., belijnd door de gelede architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden. en de houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. en aansluitend profiel; nog enkele ijzeren leuningen met dubbele krul. Latere houten vleugeldeur, tralies voor de benedenvensters en gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. balkonleuning (derde kwart 19e eeuw).

Interieur.
Maçonniek tempelcomplex van Les Vrais Amis de l’Union et du Progrès Réunis, naar ontwerp van architect P. Bonduelle, waarvoor bouwaanvraag en eerstesteenlegging in 1909, inwijding in 1910. De plattegrond omvat een voorhal, de Kleine en de Midden tempel op de begane grond, de Grote tempel op de bovenverdieping, verbonden door een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. Onderkelderde constructie onder Polonceauspant, opgetrokken ter plaatse van de vroegere tuin. Rechthoekige tempels in EgyptiserendeDe neo-Egyptische stijl in Brussel behoort tot de meer exotische neostijlen die in de loop van de 19e eeuw opkwamen binnen het oriëntalistische en eclecticistische discours. Zoals ook de Moorse stijl getuigt zij niet enkel van een fascinatie voor het verleden – zoals de meeste neostijlen – maar evenzeer voor vreemde, als oosters gepercipieerde culturen. In tegenstelling tot vele andere neostijlen speelt hier bovendien een uitgesproken mystieke en esoterische dimensie, wat onder meer blijkt uit het gebruik van Egyptische symboliek in vrijmetselaarstempels. De belangstelling voor het oude Egypte kent in feite twee heroplevingen. Een eerste golf volgt op de expeditie van Napoleon Bonaparte naar Egypte (1798–1801) en de publicatie van de monumentale Description de l’Égypte (1809–1828). Deze fascinatie vertaalt zich aanvankelijk niet in een volwaardige neo-Egyptische stijl, maar in Egyptiserende motieven binnen de empirestijl. Het gaat hier dus om een vroege, geïntegreerde herinterpretatie eerder dan om een autonome neostijl. Een tweede heropleving manifesteert zich vanaf het midden van de 19e eeuw, wanneer het bonapartisme – onder Napoleon III – opnieuw maatschappelijk aanvaardbaar wordt en nieuwe ontdekkingsreizen en archeologische campagnes de kennis van het oude Egypte aanzienlijk uitbreiden. In deze context ontwikkelt zich de eigenlijke neo-Egyptische stijl. In België, en meer bepaald in Brussel, blijft zij echter zeldzaam en verschijnt zij vooral sporadisch en decoratief. De stijl blijft een marginale maar symbolisch geladen expressievorm, vaker toegepast in funeraire, militaire of representatieve context dan in grootschalige architectuur. Kenmerkend zijn massieve volumes en gesloten gevelvlakken, licht aflopende muren, pylonvormige toegangen, lotus-, papyrus- en palmkapitelen, Egyptische zuilen met kelkvormige kapitelen, en decoratieve motieven zoals hiërogliefen, gevleugelde zonneschijven, scarabeeën en cartouches. Symmetrie en monumentaliteit staan centraal, vaak versterkt door polychromie of het gebruik van oker- en zandtinten. In Brussel gaat het doorgaans om eclectische integraties van Egyptische motieven binnen neoclassicistische, art-nouveau- of funeraire gehelen. In grafarchitectuur symboliseert de stijl eeuwigheid en transcendentie, verwijzend naar Egypte als bakermat van de doodscultus. Daarnaast duiken Egyptische elementen op in theaterarchitectuur, interieurdecoratie (zoals cafés en tentoonstellingspaviljoenen) en in vrijmetselaarscontext. De neo-Egyptische stijl in Brussel vormt zo een specifieke uitdrukking van oriëntalistisch eclecticisme, waarin archeologische kennis, exotische verbeelding en symbolische projectie samenkomen. In de 20e eeuw leeft deze vormentaal voort binnen de art deco, waar Egyptische motieven opnieuw verschijnen, onder meer in bioscopen en in de decoratieve kunsten van het interbellum. stijl met gedeeltelijk gepolychromeerd en verguld stucdecor, verwerkt met marmer en verzorgd houtwerk; telkens met toegangspoort in het westen en geaccentueerde troon van de Achtbare Meester in het symbolische oosten. Terugkerende holkeellijsten, Hathorpilasters, cobramotieven, gevleugelde zonneschijven, dubbele adelaars, Khekhernfriezen en maçonnieke attributen. Verfijnde Kleine tempel met gestoelte, textielbekleding en sterrenhemel. Midden- en
majestatische Grote tempel met meer plastische, driedimensionale behandeling, met papyrusbundelvormige zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. - halfvrijstaand, gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. en bekroond met rammen in de Grote tempel - en respectievelijk sterrenhemel in de Midden-, caissonzoldering met markante dierenriem met Isis- en Horusfiguren in de Grote tempel. Glas-in-loodramen in het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. en allegorische schilderingen op doek in de Grote tempel afkomstig van de vroegere tempel in de Ursulinenstraat van 1898-1899, die in gebruik was tot 1908.


Bronnen

Archieven
SAB/OW 13304 (1832), 13309 (1909).

Tijdschriften
CELIS M.M., De egyptiserende maçonnieke tempels van de Brusselse loges «Les Amis Philantropes» en «Les Vrais Amis de l’Union et du Progrès Réunis» (M & L, 1984, 3, pp. 25-41).