Typologie(ën)

station
Spoorwegerfgoed

Ontwerper(s)

Paul SAINTENOYarchitect1938-1956

Jacques SAINTENOYarchitect1938-1956

Jean HENDRICKX-VAN DEN BOSCHarchitect1938-1956

Juridisch statuut

Ingeschreven op de bewaarlijst sinds 16 oktober 2025

Stijlen

Modern classicisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016-2017

id

Urban : 24192
lees meer

Beschrijving

Station in modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl met invloeden van het classicismeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal., gebouwd tussen 1938 en 1956 naar de plannen van architecten Paul en Jacques Saintenoy en Jean Hendrickx-Van den Bosch.

Geschiedenis
Het eerste Noordstation stond op het Natieplein, het huidige Karel Rogierplein. Het werd in 1841 in gebruik genomen om het reizigersverkeer van het Groendreefstation over te nemen. De gebouwen werden pas in 1846 voltooid en ingehuldigd. Als eindstation bereikte het al snel een verzadigingspunt. Het station werd buiten gebruik gesteld ten gunste van het nieuwe Noordstation, een station met doorgaande lijnen, en werd in 1956 gesloopt.
Het nieuwe station werd meer noordwaarts gebouwd en lag ook hoger, om de Noord-Zuidverbinding te kunnen bedienen die het via het stadscentrum verbond met het Zuidstation, dat op zijn beurt werd verplaatst. De werken aan de Noord-Zuidverbinding begonnen in 1911. Ze werden in 1914 onderbroken en in 1936 hervat, maar pas in 1952 voltooid.
De werken aan het Noordstation en zijn sporen, die in 1936 begonnen, liepen vertraging op als gevolg van de oorlog. Het station werd vanaf 1950 geleidelijk voor het spoorverkeer opengesteld maar werd pas in 1956 voltooid. Langs de hoofdgevel lag toen een grote esplanade voorbehouden voor de trams en de voetgangers. Deze esplanade werd vervangen door het Communicatiecentrum Noord (CCN), dat van 1974 tot 1982 werd gebouwd door de Groupe Structures en dat de hoofdgevel van het station aan het zicht onttrekt.
Dit nieuwe complex moest een multimodaal en multifunctioneel platform worden met bussen, trams, treinen, metro’s, taxi’s en postvoorzieningen, alsook een centrum voor telefoon, telex en telegraaf. Het werd opgevat als een schakel in het nieuwe zakendistrict van het Manhattanplan (zie notitie van de Vooruitgangstraat). Dit plan, dat in 1967 werd geformaliseerd, voorzag een betonplaat waarop een geheel van kantoren en handelszaken dat rechtstreeks met een autosnelweg verbonden was. De nieuwe wijk moest functioneren volgens het principe van de scheiding van de verkeersstromen, waarbij de straat werd voorbehouden voor de voertuigen en een voetgangerszone boven het verkeer uitstak. Om economische redenen bleef het project echter grotendeels dode letter, hoewel toch verscheidene gebouwen, waaronder het CCN, werden ontworpen op een sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. die deel moest uitmaken van de voetgangerszone. Van 1992 tot 1994 kreeg het CCN een postmodernePeriode: ca. 1975 – 2000 Het postmodernisme zet zich af tegen de modernistische en functionalistische soberheid. Het ornament wordt opnieuw in ere hersteld als drager van betekenis. Het postmodernisme tracht de abstracte functionele architectuur een menselijk gezicht en karakter te geven en wil een zekere vertrouwdheid tot stand brengen, soms dankzij een referentie naar historische architectuur. De formele elementen uit het verleden (classicisme, art deco, Wiener Secession enz.) worden op een hedendaagse manier geherinterpreteerd, vaak met een toets ironie of humor (bijvoorbeeld door overdrijving): frontons, bogen, kolommen, pilasters, torentjes,… Voor prestigearchitectuur wordt opnieuw naar natuurlijke materialen zoals steen en marmer gegrepen, die dan met glas (spiegelglas) en roestvrij staal worden gecombineerd. In projecten met een beperkter budget zijn de gebruikte materialen minder luxueus (betonblokken, gekleurd metaal). In Brussel is postmodernisme terug te vinden zowel in bedrijfsarchitectuur (flagship buildings) als in openbare gebouwen (scholen, crèches, overheidsgebouwen) of in winkelcentra … verhoging (n.o.v. architecten von Vittorelli, Ferriere en Van Campenhout) waarin de diensten van de Brusselse Administratie werden gehuisvest. Van 2014 tot 2017 werd het station grondig gerenoveerd.

Beschrijving van de oorspronkelijke toestand van het gebouw
Buitenzijde
Over een lengte van 210 meter en een breedte van 22 meter, rechthoekig gebouw met een structuur van gewapend beton. Achter een vierkante toren, drie symmetrisch geordende volumes en een paviljoen in het noorden, met onzichtbare platformen of afgeplatte daken.

Hoog centraal volume met hogere laterale voorbouwen van één bouwlaag, bestemd voor de wachtzaal.
Aangrenzende volumes van vier bouwlagen. Het noordelijke volume bevat het buffet-restaurant en een bagagedepot, een spoorwegmuseum en diverse lokalen op de verdiepingen, het zuidelijke volume kantoren, een dubbel elektrisch seinhuis, de woning van de stationschef en de telefooncentrale.
Noordelijk paviljoen van twee bouwlagen bestemd voor onder meer de koninklijke salon en zijn hal.

Hoofd- en zijgevel versierd met twee registersVensterstrook in een topgevel. bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. met witsteen, de eerste hoofdgevel en onder een doorlopende  luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. waarin zich de ingangen bevinden, de zijgevel geritmeerd door traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van doorlopende  muuropeningen met insprongen.
Op het centrale volume, lichtjes uitspringend centraal portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en smalle deuren in de voorbouw. In het tweede registerVensterstrook in een topgevel., zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen, per drie op de centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), bekroond door een rechthoekig paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.. Voorbouw van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met op de hoeken opeenvolgende insprongen die in een getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. bekroning uitmonden.
Aanpalende volumes volgens spiegelbeeldschema, geritmeerd door twee brede pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. die de uitgangshallen omlijsten en die bij bovenvermelde voorbouwen aansluiten. In de richting van het centrale volume volgen vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) elkaar op, met beglaasde muuropeningen voor het restaurant in het noordelijke volume en met vrije muuropeningen voor een overdekte galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. in het zuidelijke volume, vergezeld van twee in de pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. ingewerkte portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule).. In de bovenste bouwlaag zijn de drie uiterste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) gegroepeerd in eenzelfde omlijsting onder een T-vormig paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting.; kleine smalle muuropening aan de voet van de pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel..
Rechterzijgevel met één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan weerszijden van de toren. De overdekte galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. keert onder de toren terug en loopt door tegen de steunmuur van de spoorlijnen.

Vierkante toren van tien verdiepingen met kantoren, bediend door een lift en trappen. De vier zijden zijn opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met een traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) die analoog is aan die van de andere volumes, bekroond door een paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en een klok.

Versterkt door hoekpilasters met insprongen, koninklijk paviljoen met een overdekte galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met drie vrije muuropeningen, uitmondend op de zijgevel. Op de verdieping, vijf glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met gegroefde muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag., de centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een balkon. Op de zijgevel flankeren twee glasdeurenDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. achter een lichtjes uitspringend doorlopend  balkon een blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muuropening. Achtergevel met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in natuursteen.

De achtergevels van de drie overige volumes zijn in baksteen opgetrokken. De achtergevel van de wachtzaal is opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. omlijst met witsteen, volgens hetzelfde ritme als op de voorgevel. De achtergevel van het noordelijke volume is in dezelfde materialen gemaakt, met twaalf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de laatste volledig in witsteen. Achtergevel van het zuidelijke volume met insprong in de laatste bouwlaag.

Interieur
Wachtzaal ontworpen als een grote hal met parementGevel- of muurbekleding. in natuursteen boven een hoge lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in roze “Botticino”-marmer. Steekboogvormig betonnen gewelf op tandlijst, met caissons voorzien van een licht, behalve de caissons aan de zijkant, die beglaasd zijn. Vloer bekleed met rode, lichtblauwe en gele keramiektegels die geometrische motieven vormen.
Op de achtergevel, toegang tot de centrale gang naar de sporen, geflankeerd door loketten. In het zuiden, onder een groot paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. versierd met een “Noordster” en het cijfer “B”, galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die leidt naar de zuidelijke ingangen en naar de uitgang van de sporen. In het noorden, uitgevend op het museum, U-vormige trap in een voorbouw met twee insprongen, onder een caissonplafond en een glaspartij.

Beschrijving van de perrons en de ondergrondse gangen
Het station heeft zeven 305 meter lange perrons naar twaalf sporen die hoger liggen dan het niveau van de Vooruitgangstraat en de Aarschotstraat.
Lange, V-vormige betonnen luifelsAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. op pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) bevatten diverse volumes bekleed met beige baksteen: trappenhuizen en roltrappen, goederenliften voor de bagage aan de uiteinden, gesloten of open wachthuisjes.

Onder de sporen lopen drie evenwijdige gangen, bekleed met geel keramiek. De centrale gang is voorbehouden voor het vertrek en de smallere laterale gangen voor de aankomst. Daaronder dient een tweede gang voor het transport van de bagage via de goederenliften. De drie gangen voor de reizigers zijn vanuit de Aarschotstraat toegankelijk via bordestrappen.

De Aarschotstraat wordt afgeboord door de steunmuur van de sporen versierd met bakstenen panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. tussen afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hardstenen omlijstingen. Ter hoogte van de perrons bevindt zich een beglaasd hardstenen muurscherm. De steunmuur is opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met diverse muuropeningen, waaronder de ingangen van de drie gangen en die van twee verkeerstunnels.

Aan de westkant bevindt zich een meer verzorgde, met hardsteen beklede steunmuur. Aan de zuidkant is deze muur behandeld als een winkelgalerij achter een hellend toegangsvlak naar het station. In noorden, aan weerszijden van de tunnel, bevat hij een reeks kantoren onder een muurscherm dat analoog is aan dat aan de Aarschotstraat.

Bronnen

Archieven
SAB/PP 3223 (1939-1945).
GAS/DS 221-Noordstation.

Publicaties en studies
BRUNFAUT, F., La Jonction, Ad. Goemaere, Brussel, 1959, pp. 130-133.
DEMEY, T., Chronique d’une capitale en chantier. 2. De l’Expo ‘58 au siège de la C.E.E., Paul Legrain, Brussel, 1992, pp. 149-151.
DEMEY, T., Les gares bruxelloises. Un patrimoine méconnu, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussel, 1994.
CULOT, M. [o.l.v.], Schaerbeek. Inventaire visuel de l’architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Brussel, 1980-1982, fiche 1.
JACOBS, P., et alLa Jonction Nord-Midi 1952-2002, Editions PFT, Brussel, 2002.
Le rail bruxellois en images, Editions PFT, Brussel, 1994.
TOELEN, T., De grote en kleine geschiedenis van de Kassei. La grande et petite histoire de la Chaussée, AMVB, Brussel, 2004, pp. 45-46.
VAN MEERTEN, M., Un tunnel sous Bruxelles. Les 50 ans de la jonction Nord-Midi, Racine, Brussel, 2002.

Tijdschriften
“Bruxelles entre en gare”, Les Cahiers de La Fonderie, 24, oktober 1998.
BLOMME, Y., PETIT, J., “Les trois gares de Brussel”, Rythme, 14, april 1953, pp. 5-15.