Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
Ontwerper(s)
J. POELAERT – architect – 1854-1874
Stijlen
Eclectisme
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 33026
Beschrijving
Ook zogenaamd Sint-Katelijnekerk.
Aanvankelijk een bescheiden kapel op de westelijke Zenne-oever aanleunend bij
de eerste stadsomwalling. Vermeld vanaf 1201, afhangend van de Sint-Jansparochie
van Molenbeek. Progressieve opbouw van een driebeukige gotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). kerk in de loop
van 14e-15e eeuw. Geplunderd tijdens de godsdiensttroebelen, gesloten in 1581
en opnieuw geopend in 1585. Uitgebreid met een barokke koorpartij en klokkentoren
vanaf 1629, laatst genoemde voltooid vanaf 1664. Gerestaureerd in de jaren
1780. Gesloten door de Fransen in 1798 en opnieuw opengesteld in 1799. Verheven
tot zelfstandige parochiekerk in 1803. Omvangrijke schade bij de
Zenne-overstroming van 1850. Bouw van een nieuwe eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). kerk naar ontwerp
van architect Joseph Poelaert in 1854-1874, op het gedempte Sint-Katelijnedok.
Sloop van de oude Sint-Katelijnekerk, met uitzondering van de barokke toren, in
1893.
Ruime kerk in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, de enige nieuwe parochiekerk opgetrokken binnen de Vijfhoek na het Ancien Régime. Stilistisch geïnspireerd op Franse kerken uit 16e eeuw, zoals de Sint-Eustache te Parijs, met een nog gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). structuur doch een renaissance-ornamentiek. Door Poelaert evenwel verwerkt tot een hybride, expressieve architectuurvorm. Bouw voorbereid vanaf 1850. Voorontwerpen van Poelaert tentoongesteld in 1851, goedkeuring van de definitieve plannen en eerstesteenlegging in 1854. Eerste bouwcampagne onder leiding van Poelaert van 1854 tot 1859, voortgezet onder leiding van architect Wynand Janssens vanaf 1861 tot 1873. Fasegewijze opbouw waarvoor afzonderlijke aanbestedingen: funderingen (1854), sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. tot de tweede plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. (1860), benedenbouw tot de boogaanzetten van de zijbeukvensters (1861), afwerking van de benedenbouw (1863), bovenbouw (1865), ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. (1868), bepleistering (1869), glas- en loodwerken (1870), verdere afwerking, bevloering en bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. (1871). Inwijding in 1874. Nog uitgaven tot 1887.
Georiënteerde driebeukige kruiskerk met basilicale opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur., gestut door steunberen en luchtbogen. De plattegrond beschrijft een open portaaltravee, een schip van zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), een kort transept, en een koor van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), geflankeerd door zijkapellen en sacristieën, afgesloten door een driezijdige absis. Volledig opgetrokken uit Gobertangesteen met gebruik van hardsteen voor de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; bovenbouw onder zadelbedaking (koper), zijbeuken onder lessenaarsdakDak bestaande uit één hellend dakvlak. (zink). Massieve benedenbouw op geprofileerde plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., plastisch bewerkt en geritmeerd door met waterspuwersUitstekende buis of gooteinde voor de afvoer van hemelwater, vaak in de vorm van een dierlijk of diabolisch monster. bekroonde steunberen. Opgevat als gedrongen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. ten opzichte van de vlakker uitgewerkte sobere bovenbouw van middenbeuk, transept en koor. Westgevel met evenwichtige opbouw door verticale, versneden en onderaan met beeldnissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. versierde steunberen, verbonden door een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en doorlopende balustradeHekwerk van spijlen of balusters., overeenkomstig de ordonnantie van de achterliggende beuken. Dominerende centrale gevelpartij met gesuperposeerde rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met breed beloop - respectievelijk portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en verdiept roosvensterRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. - geleed door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met portieknis op gebeeldhouwde consoleVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; afgewerkt met een driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en klimmende balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Bekronende vierkante lantaarntoren met door composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. gecantonneerde galmgaten, driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. aan elke zijde en helm; gelijkaardige kleinere lantaarns1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. ter bekroning van de steunberen. Lage zijpartijen met rondboogportaal met gebeeldhouwde sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf., waarboven galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. van gedrongen composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., afgewerkt met een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. luchtbogen.
Aansluitende, geaccentueerde eerste zijbeuktravee, begrensd door steunberen met soortgelijke lantaarnbekroning. Achterliggend, drieledig portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). met Sint-Catharinabeeld; zware houten vleugeldeuren. Transeptgevels met vrijwel identiek uitzicht als de middenpartij van de westelijke gevel, doch lager portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). onder een zelfde gedrongen galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Gevels van zijbeuken en koorabsis met verwante opbouw, gesteund door versneden steunberen waarop composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., laatst genoemde in het verlengde van de galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. van de west- en transeptgevels. Aansluitend luchtbogen als overgang naar de bovenbouw van schip, transept en koor met pilasterritmering en hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Rondboogvensters met geprofileerde booglijst en tweeledige tracering onder oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. Oostgevel met rondboogportaal en -venster met drieledige tracering in de absis, afgewerkt met een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en een portieknis op gebeeldhouwde consoleVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; roosvensterRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. in de bovenbouw.
Omringend ijzeren hek, samengesteld uit de balkonleuningen van het voormalige “Grand-Hotel” (1875, architect E. L’Homme) aan de Anspachlaan, geplaatst in 1976.
Interieur. Sober, bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderd interieur met wijds karakter. Drieledige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. : rondbogenarcade op bundelpijlersSamengestelde pijler bezet met (half)zuilen, pijlers of pilasters die bogen uit verschillende richtingen opvangt. met composiet kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., schijntriforium bovenop een entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles., en lichtbeuk. Kruisriboverwelving, stervormig boven de viering, met ronde gordelbogen. Aanzet op composiete colonnettes, doorlopend in pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., in middenbeuk, koor en transept. Weinig benadrukte transeptarmen met zijportalen, geopend naar de ondiepe oostelijke zijkapellen. Verhoogd koor, met blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. arcaden onderverdeeld door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Oostwand via een rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. geopend naar de ondiepe absis, met altaar op trappenpodium. Westwand met hoofdportaal en doksaal met opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. balustradeHekwerk van spijlen of balusters..
Meubilair
Eenheidsvol meubilair ontworpen voor de nieuwe kerk, met kunst- en cultusvoorwerpen afkomstig van de oude Sint-Katelijnekerk.
Belangrijke reeks schilderijen, voornamelijk grote altaarstukken uit 17e eeuw. Kruisiging (begin 17e eeuw) toegeschreven aan J.-B. Le Saive; Drievuldigheidstriptiek (midden 17e eeuw) toegeschreven aan O. Van Veen; Aanbidding der herders (midden 17e eeuw) door T. Van Loon; Verheerlijking van H. Catharina (midden 17e eeuw) door C. De Crayer; H. Anna spreekt ten beste bij Maria voor de schipbreukelingen (eerste helft 17e eeuw) door C. Schut; Onze-Lieve-Vrouw schenkt scapulier aan H. Simon Stock (begin 18e eeuw) en reeks van zeven schilderijen: Werklieden van het elfde uur, Aanbidding der Wijzen, Opwekking van Lazarus, Goede Herder, Bergrede, Christus redt H. Petrus en Bekering van Paulus (eerste helft 18e eeuw), toegeschreven aan J. Van Orley; Verkondiging Geboorte aan de Herders en Doopsel van Christus (begin 18e eeuw) door Brusselse school; Opdracht in de Tempel (1753) en Huwelijk van Maria (midden 18e eeuw) door M. De Haese; H. Livinus van Gent en H. Augustinus van Hippo (midden 18e eeuw); Christus verschijnt aan ongelovige Thomas (begin 19e eeuw) toegeschreven aan F. Delvaux; Kruiswegstaties (eind 19e eeuw) door H. en G. Guffens.
Stenen zogenaamd “Zwarte Onze-Lieve-Vrouw” (14e eeuw); houten gekruisigde Christus (midden 18e eeuw); reeks houten heiligenbeelden (tweede helft 19e eeuw).
Zwart- en witmarmeren en witstenen monumenten voor P.F. Jacobs (1813) en F. Delvaux († 1815) door G.-L. Godecharle.
Meubilair met neorenaissance-inslag (tweede helft 19e eeuw) door gebroeders Goyers (Leuven): witstenen en -marmeren hoofdaltaar (1877) met Laatste Avondmaal, Abraham en Melchisedek en Christus aan het kruis, houten zij-altaren, eiken koorbanken (2), biechtstoelen (6), communiebank, en tronen (2); eiken Lodewijk XVI-preekstoel met beeld van de Godsdienst (eind 18e eeuw; afkomstig uit de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen); geelkoperen koorlezenaar (1910) door F.H. Hellner (Keulen); eiken sacristiekasten met gebeeldhouwde reliëfs (midden 17e eeuw); zwart- en witmarmeren Lodewijk XVI-lavabo (1789); orgel (ca. 1860; afkomstig uit de Sint-Michielskerk te Kortrijk) door P. Schyven.
Ruime kerk in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, de enige nieuwe parochiekerk opgetrokken binnen de Vijfhoek na het Ancien Régime. Stilistisch geïnspireerd op Franse kerken uit 16e eeuw, zoals de Sint-Eustache te Parijs, met een nog gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). structuur doch een renaissance-ornamentiek. Door Poelaert evenwel verwerkt tot een hybride, expressieve architectuurvorm. Bouw voorbereid vanaf 1850. Voorontwerpen van Poelaert tentoongesteld in 1851, goedkeuring van de definitieve plannen en eerstesteenlegging in 1854. Eerste bouwcampagne onder leiding van Poelaert van 1854 tot 1859, voortgezet onder leiding van architect Wynand Janssens vanaf 1861 tot 1873. Fasegewijze opbouw waarvoor afzonderlijke aanbestedingen: funderingen (1854), sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. tot de tweede plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. (1860), benedenbouw tot de boogaanzetten van de zijbeukvensters (1861), afwerking van de benedenbouw (1863), bovenbouw (1865), ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. (1868), bepleistering (1869), glas- en loodwerken (1870), verdere afwerking, bevloering en bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. (1871). Inwijding in 1874. Nog uitgaven tot 1887.
Georiënteerde driebeukige kruiskerk met basilicale opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur., gestut door steunberen en luchtbogen. De plattegrond beschrijft een open portaaltravee, een schip van zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), een kort transept, en een koor van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), geflankeerd door zijkapellen en sacristieën, afgesloten door een driezijdige absis. Volledig opgetrokken uit Gobertangesteen met gebruik van hardsteen voor de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; bovenbouw onder zadelbedaking (koper), zijbeuken onder lessenaarsdakDak bestaande uit één hellend dakvlak. (zink). Massieve benedenbouw op geprofileerde plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., plastisch bewerkt en geritmeerd door met waterspuwersUitstekende buis of gooteinde voor de afvoer van hemelwater, vaak in de vorm van een dierlijk of diabolisch monster. bekroonde steunberen. Opgevat als gedrongen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. ten opzichte van de vlakker uitgewerkte sobere bovenbouw van middenbeuk, transept en koor. Westgevel met evenwichtige opbouw door verticale, versneden en onderaan met beeldnissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. versierde steunberen, verbonden door een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en doorlopende balustradeHekwerk van spijlen of balusters., overeenkomstig de ordonnantie van de achterliggende beuken. Dominerende centrale gevelpartij met gesuperposeerde rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met breed beloop - respectievelijk portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en verdiept roosvensterRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. - geleed door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met portieknis op gebeeldhouwde consoleVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; afgewerkt met een driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en klimmende balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Bekronende vierkante lantaarntoren met door composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. gecantonneerde galmgaten, driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. aan elke zijde en helm; gelijkaardige kleinere lantaarns1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. ter bekroning van de steunberen. Lage zijpartijen met rondboogportaal met gebeeldhouwde sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf., waarboven galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. van gedrongen composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., afgewerkt met een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. luchtbogen.
Aansluitende, geaccentueerde eerste zijbeuktravee, begrensd door steunberen met soortgelijke lantaarnbekroning. Achterliggend, drieledig portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). met Sint-Catharinabeeld; zware houten vleugeldeuren. Transeptgevels met vrijwel identiek uitzicht als de middenpartij van de westelijke gevel, doch lager portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). onder een zelfde gedrongen galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Gevels van zijbeuken en koorabsis met verwante opbouw, gesteund door versneden steunberen waarop composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., laatst genoemde in het verlengde van de galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. van de west- en transeptgevels. Aansluitend luchtbogen als overgang naar de bovenbouw van schip, transept en koor met pilasterritmering en hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Rondboogvensters met geprofileerde booglijst en tweeledige tracering onder oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. Oostgevel met rondboogportaal en -venster met drieledige tracering in de absis, afgewerkt met een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en een portieknis op gebeeldhouwde consoleVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.; roosvensterRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. in de bovenbouw.
Omringend ijzeren hek, samengesteld uit de balkonleuningen van het voormalige “Grand-Hotel” (1875, architect E. L’Homme) aan de Anspachlaan, geplaatst in 1976.
Interieur. Sober, bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderd interieur met wijds karakter. Drieledige opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. : rondbogenarcade op bundelpijlersSamengestelde pijler bezet met (half)zuilen, pijlers of pilasters die bogen uit verschillende richtingen opvangt. met composiet kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., schijntriforium bovenop een entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles., en lichtbeuk. Kruisriboverwelving, stervormig boven de viering, met ronde gordelbogen. Aanzet op composiete colonnettes, doorlopend in pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., in middenbeuk, koor en transept. Weinig benadrukte transeptarmen met zijportalen, geopend naar de ondiepe oostelijke zijkapellen. Verhoogd koor, met blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. arcaden onderverdeeld door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Oostwand via een rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. geopend naar de ondiepe absis, met altaar op trappenpodium. Westwand met hoofdportaal en doksaal met opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. balustradeHekwerk van spijlen of balusters..
Meubilair
Eenheidsvol meubilair ontworpen voor de nieuwe kerk, met kunst- en cultusvoorwerpen afkomstig van de oude Sint-Katelijnekerk.
Belangrijke reeks schilderijen, voornamelijk grote altaarstukken uit 17e eeuw. Kruisiging (begin 17e eeuw) toegeschreven aan J.-B. Le Saive; Drievuldigheidstriptiek (midden 17e eeuw) toegeschreven aan O. Van Veen; Aanbidding der herders (midden 17e eeuw) door T. Van Loon; Verheerlijking van H. Catharina (midden 17e eeuw) door C. De Crayer; H. Anna spreekt ten beste bij Maria voor de schipbreukelingen (eerste helft 17e eeuw) door C. Schut; Onze-Lieve-Vrouw schenkt scapulier aan H. Simon Stock (begin 18e eeuw) en reeks van zeven schilderijen: Werklieden van het elfde uur, Aanbidding der Wijzen, Opwekking van Lazarus, Goede Herder, Bergrede, Christus redt H. Petrus en Bekering van Paulus (eerste helft 18e eeuw), toegeschreven aan J. Van Orley; Verkondiging Geboorte aan de Herders en Doopsel van Christus (begin 18e eeuw) door Brusselse school; Opdracht in de Tempel (1753) en Huwelijk van Maria (midden 18e eeuw) door M. De Haese; H. Livinus van Gent en H. Augustinus van Hippo (midden 18e eeuw); Christus verschijnt aan ongelovige Thomas (begin 19e eeuw) toegeschreven aan F. Delvaux; Kruiswegstaties (eind 19e eeuw) door H. en G. Guffens.
Stenen zogenaamd “Zwarte Onze-Lieve-Vrouw” (14e eeuw); houten gekruisigde Christus (midden 18e eeuw); reeks houten heiligenbeelden (tweede helft 19e eeuw).
Zwart- en witmarmeren en witstenen monumenten voor P.F. Jacobs (1813) en F. Delvaux († 1815) door G.-L. Godecharle.
Meubilair met neorenaissance-inslag (tweede helft 19e eeuw) door gebroeders Goyers (Leuven): witstenen en -marmeren hoofdaltaar (1877) met Laatste Avondmaal, Abraham en Melchisedek en Christus aan het kruis, houten zij-altaren, eiken koorbanken (2), biechtstoelen (6), communiebank, en tronen (2); eiken Lodewijk XVI-preekstoel met beeld van de Godsdienst (eind 18e eeuw; afkomstig uit de Sint-Romboutskathedraal te Mechelen); geelkoperen koorlezenaar (1910) door F.H. Hellner (Keulen); eiken sacristiekasten met gebeeldhouwde reliëfs (midden 17e eeuw); zwart- en witmarmeren Lodewijk XVI-lavabo (1789); orgel (ca. 1860; afkomstig uit de Sint-Michielskerk te Kortrijk) door P. Schyven.
Bronnen
Archieven
SAB/AA 1854, rep. 11-12, 1860, rep. 371-385, 1861, rep. 1320-1433, 1863/1, rep. 849-898, 1865/2, rep. 1441-1446, 1868, rep. 1618-1621, 1869, rep. 203-204, 1870, rep. 601-602, 1871, rep. 1031-1032 en 1096-1097.
Publicaties en studies
DES MAREZ, 1979, p. 105-107.
Poelaert en zijn tijd, Brussel, 1980, pp. 174-179.
Poelaert en zijn tijd, Brussel, 1980, pp. 174-179.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid
























