Typologie(ën)

school

Ontwerper(s)

H. SNEIDERSarchitect1927

F. VANDENDAELarchitect1959

Richard VANDENDAELEarchitect1959

François THOMISSEarchitect1946

INCONNU - ONBEKEND1909

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Neogotiek
Modernisme
Art deco

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016

id

Urban : 35949
lees meer

Beschrijving

Schoolcomplex voor middelbaar onderwijs, met rond een trapezoïdale binnenplaats de oorspronkelijke gebouwen uit 1909, in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl, vanaf 1927 uitgebreid door architect H. Sneiders, en modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. gebouwen uit 1959, naar de plannen van de architecten Fr. en R. Vandendael. Kort vóór 1930 werd de instelling uitgebreid met een aanpalende woning (nr. 46), en in 1931 met een huis voor een kinderbewaarplaats (nr. 48), allebei in art-decostijl, het tweede door aannemer J. Kinnard Coffé. Wegens plaatsgebrek aan de Félix Sterckxstraat liet het instituut in 1989 een gymnastiekzaal in postmodernistischePeriode: ca. 1975 – 2000 Het postmodernisme zet zich af tegen de modernistische en functionalistische soberheid. Het ornament wordt opnieuw in ere hersteld als drager van betekenis. Het postmodernisme tracht de abstracte functionele architectuur een menselijk gezicht en karakter te geven en wil een zekere vertrouwdheid tot stand brengen, soms dankzij een referentie naar historische architectuur. De formele elementen uit het verleden (classicisme, art deco, Wiener Secession enz.) worden op een hedendaagse manier geherinterpreteerd, vaak met een toets ironie of humor (bijvoorbeeld door overdrijving): frontons, bogen, kolommen, pilasters, torentjes,… Voor prestigearchitectuur wordt opnieuw naar natuurlijke materialen zoals steen en marmer gegrepen, die dan met glas (spiegelglas) en roestvrij staal worden gecombineerd. In projecten met een beperkter budget zijn de gebruikte materialen minder luxueus (betonblokken, gekleurd metaal). In Brussel is postmodernisme terug te vinden zowel in bedrijfsarchitectuur (flagship buildings) als in openbare gebouwen (scholen, crèches, overheidsgebouwen) of in winkelcentra … stijl bouwen op nr. 111 Stevens-Delannoystraat.

Geschiedenis
Als jongere afdeling van de Zusters der Christelijke Scholen van Vorselaar vestigden de Zusters van de Heizel zich in 1899 in de gelijknamige wijk. In 1909 namen ze hun intrek in de Félix Sterckxstraat, en naast hun huis lieten ze een lagere meisjesschool bouwen, die in 1911 werd ingehuldigd. De congregatie leverde ook het onderwijzend personeel voor twee andere katholieke scholen in de buurt, de school Kristus Koning Mutsaard in 1927 (zie Paul Jansonstraat nr. 51) en de school van het Goddelijk Kind Jezus in de tuinwijk Verregat in 1929 (zie Magnolialaan nr. 2). Naarmate deze wijk dichter bevolkt raakte, werd de lagere school aan de Félix Sterckxstraat in de loop der jaren geregeld uitgebreid. In 1927 werd het schoolgebouw verhoogd met een eerste verdieping (n.o.v. architect H. Sneiders), dan met een tweede in 1946 (n.o.v. architect François Thomisse). In 1959 (n.o.v. architecten Fr. en R.Vandendael) werd de school uitgebreid aan de kant van de Félix Sterckxstraat, terugwijkend naar de oorspronkelijke vleugel zodat een trapeziumvorm ontstond. Rond 1984-1985 werd het Institut Maris Stella een gemengde middelbare school, terwijl de lagere school werd overgebracht naar de Stevens-Delannoystraat, in de voormalige lagere jongensschool Saint-Lambert, waarmee ze fuseerde (zie Stevens-Delannoystraat).

Beschrijving
Oorspronkelijk gebouw
Oorspronkelijk bestond het instituut uit gebouwen in baksteen en hardsteen,
met aan de straatkant een symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. met twee blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. verbonden door een omheiningsmuur met portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule).. Achter de linkergevel bevond zich een kort gebouw dat wellicht als conciërgewoning diende (in 1928 “klaslokaal” genoemd), dat (al?) werd gevolgd door een vleugel met een speelplaats en sanitaire ruimten. Achter de rechtergevel bevond zich een klasgebouw zonder verdieping en onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Rechts stond ook een woonhuis voor de zusters, met één verdieping en een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. aan de straatkant. Het geheel bevestigde de typisch katholieke voorliefde voor de neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl. De twee topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. waren voorzien van spitsboog- of accoladevormige arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., ook het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). was spitsboogvormig ; alle topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. waren getraptGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. en de omheiningsmuur was versierd met een boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en imitatie kantelen. Vier klassen, elk verlicht door drie venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., bereikbaar aan de kant van de binnenplaats via twee toegangen met gang. Een groot deel van hun gevel is bewaard: fijne onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. in afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. steen; lichtjes inspringende muuropeningen in steekboogarcade; venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met een fijn kruisraam van afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. steen op waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen., dubbele lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met accolades, borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met twee verluchtingsopeningen (gedicht); deuren zonder stenen verdeling maar onder een lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met dubbele accolade; gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. in de vorm van een met lelies versierd Grieks kruis.
De gevel van het huis van de zusters is nagenoeg onveranderd gebleven en heeft drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder een stenen trapgevelGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. met hoekpinakels. In de eerste twee bouwlagen, muuropeningen onder rechte lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. en omlijst met een torusProfiel dat in doorsnede van kwartrond tot meer dan halfrond is (halfovaal of halfhartvormig)., onder een ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast. met timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd., dubbel en rondboogvormigBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op de benedenverdieping, getoogdBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. op de eerste verdieping. De onderste muuropeningen lichtjes inspringend in spitsboogarcades, de bovenste bekroond door een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). met lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). van drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. spitsbogen. Stenen waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen. ter hoogte van de onderdorpels en aan de voet van de geveltop, met zes steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. en een eveneens door een torusProfiel dat in doorsnede van kwartrond tot meer dan halfrond is (halfovaal of halfhartvormig). omlijst spitsboogvenster. Geprofileerd eikenhouten raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met compacte roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. De dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op. van de deur is versierd met een boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. met schelpen, de onderste panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. zijn versierd met briefpanelen.

Uitbreidingen van 1928
De voormalige conciërgewoning (?) en de klasgebouwen werden uitgebreid met een verdieping, opnieuw onder topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt., en van de woninggevel werden enkel de oorspronkelijke blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. verlengd. Op de overeenkomstige gevel van de klaslokalen werden de arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. onder nieuwe bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. verlengd, met spitsbogen aan de zijkant en twee rondboogfriezen op de centrale arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn.. Drie identieke venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. verlichtten de nieuwe bouwlaag, met een onderdorpel met bakstenen festoenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden.  en een lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. onder een steekboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast..
Aan de speelplaats, veertien venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de verdieping, met bakstenen platte lijst en onderdorpel op festoenenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. , lichtjes inspringend onder een uitkragende bakstenen kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement)., gescandeerd door korte pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en met hergebruik van de oorspronkelijke houten hollat. Links werd een laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) gepland, in dezelfde stijl als de overige en bestemd voor een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. dat naar de gangen achteraan zou leiden. Die traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) lijkt echter niet te zijn uitgevoerd, al evenmin als een klein aansluitend kantoor. De wijzigingen uit 1928 zijn nog gedeeltelijk zichtbaar in het huidige opstandenBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van de klasgebouwen.

Verhoging van het klasgebouw in 1946
De verhoging was enkel voor de linkerhelft van het gebouw gepland maar werd op een groter aantal traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de straatkant uitgevoerd. De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan de binnenplaats zijn identiek aan die uit 1928 en worden afgebakend door de verlengingen van de pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Het lage zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. wordt aan de linkerkant door een schild doorbroken. De ingreep is nog duidelijk merkbaar aan de verschillende kleuren van de gekozen bakstenen.

Verbouwingen en uitbreidingen van 1959
Het instituut breidde aanzienlijk uit en maakte tabula rasa met al haar oorspronkelijke structuren, met uitzondering van het klasgebouw en de woning, hoewel het klasgebouw zijn topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. aan de straatkant verloor ten voordele van de verlenging van de verdieping in 1946. Zo kreeg de gevel een laatste bouwlaag in baksteen in een duidelijk verschillende tint, met drie venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aansluitend bij die uit 1928. Terzelfder tijd werden drie identieke venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aangebracht in de tot dan toe blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. benedenverdieping.

Met een plattegrond in onregelmatige U-vorm, geheel van gebouwen van drie bouwlagen in rode en gele baksteen en architectonisch beton, onder een platform met fijne betonnen kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Het eerste gebouw, aan de straat en tegen het oorspronkelijke klasgebouw, bevat, links van een brede toegang en kantoren en boven elkaar een feestzaal, een refter en een turnzaal. De gevel is volledig van beton en is bekleed met tegels; de vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. zitten gevat in een structuur van fijne stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust.. Aan de binnenplaats is de gevel eenvoudiger, overwegend in baksteen: de vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. hebben een betonnen moneelStenen vensterstijl. en doorlopende  lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. en onderdorpels, en ze worden doorbroken door muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. met gevarieerde breedte. Het terugwijkende linkervolume, overwegend in baksteen, bevat een lichtjes inspringend trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., een overdekte speelplaats met toiletten, en twee verdiepingen met kantoren en een gang achteraan. Op de gevel wordt het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. over vier bouwlagen verlicht door drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., gevat in een gemeenschappelijke betonnen omlijsting, met borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. in opstaande gele bakstenen. Het volume achteraan is hoofdzakelijk voor de klaslokalen voorbehouden. Oorspronkelijk omvatte de benedenverdieping een overdekte speelplaats verbonden met de vorige en met de ondiepe binnenplaats achteraan, maar die werd door klaslokalen vervangen. Op de verdiepingen, klassen en kantoren langs een gang vooraan, aansluitend op die van de aanpalende vleugel. De lokalen zijn bereikbaar via een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. gelegen in de scherpe rechterhoek van de grote speelplaats. De gevel van het gebouw neemt de schema’s en materialen van het vorige gebouw over, maar dan met een andere indeling: hier vormen de uiteinden twee kwartcirkelvormige voorbouwen, met in de rechter voorbouw de al vermelde trappen en hun toegang, en in de linker een aansluiting op de gang op de begane grond en één kantoor per verdieping. Hun opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur., met vier gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. muuropeningen (drie boven de toegang), is analoog aan die van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. van de vorige vleugel. De rest van de opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur., die met de gangen overeenstemt, bestaat thans uit twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters..
Binnen is het gros van de oorspronkelijke afwerking, met wand- en vloertegels in diverse kleuren bewaard gebleven, evenals de beglaasde binnenwanden van de klaslokalen. De twee trappen met schalmgatHet vrije, open gedeelte in een trappenhuis., het ene rechthoekig, het andere halfrond, zijn kenmerkend voor de jaren 1950-1960, met hun tegels in granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd. en hun metalen leuningen met geringdeVoorzien van een fijne, horizontale band. staven en met plastic beklede handlijstenGeprofileerde lijst op een borstwering of tegen een muur bevestigd, waaraan men zich met de hand kan vastgrijpen..
Het tuintje van de achteruitbouwstrook wordt thans afgesloten door een lage buisreling op een hardstenen sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..

Recente vernieuwingen
Schrijnwerk volledig vervangen, in gelakt aluminium of in pvc.

Bronnen

Archieven
SAB/OW Laken 1753 (1909), 53000 (1927), 38548 (1931), 59983 (1945-1946), 71222 (1959), 73140 (1961).