































Voorm. Klooster en Instituut van de Soeurs de Charité de N-D du Bon et Perpétuel Secours
Bergense Steenweg 176
Typologie(ën)
klooster/abdij
school
school
Ontwerper(s)
Alph. VERHAS WARMOES – architect – 1874-1875
René THIRY – architect – 1946
H. SNEIDERS – architect – 1966-1967
Jan SNEIDERS – architect – 1978
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Neoclassicisme
Inventaris(sen)
- Het monumentale erfgoed van België. Anderlecht-Kuregem (Archistory - 2017-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2019
id
Urban : 39699
Beschrijving
Voormalig Klooster en Instituut van de Soeurs de Charité de
Notre-Dame du Bon et Perpétuel Secours, thans de Sint-Mariaschool. Schoolinstelling bestaande uit een modernistisch gebouw dat het
resultaat is van de verbouwing in 1966-1967 door architect H.Sneiders van een neoclassicistisch herenhuis van vóór
1835, evenals van een vleugel met eclectische invloed uit 1925.
Geschiedenis
Rond 1874 vestigden de zusters hun klooster in een herenhuis in neoclassicistische stijl dat vóór 1835 op de hoek van de toekomstige Jorezstraat was opgetrokken. Op hun terrein, dat een L vormde die uitmondde aan de la Schapenkopstraat (de toekomstige Sergeant De Bruynestraat), stond een folie op de hoek, en een magazijn haaks op de Schapenkopstraat. In juli 1874 ontwierp architect Alph. Verhas Warmoes de plannen voor een gebouw met klaslokalen van één bouwlaag langs de Jorezstraat, en een jaar later ontwierp hij eveneens een omheiningsmuur langs de Schapenkopstraat en verbouwde hij het magazijn tot klaslokalen (gesloopt vóór 1971). In 1925 werd het gebouw aan de Jorezstraat vervangen door een nieuw gebouw, met invloed van de eclectische stijl, met klaslokalen en op de verdieping slaapzalen. In 1946 ontwierp architect René Thiry een nieuwe vleugel, volgens identiek model, terugwijkend achter het gebouw van de Jorezstraat. De instelling werd omgedoopt tot Ecole Sainte-Marie – Sint-Mariaschool en werd beheerd door de Zusters van Sint-Vincentius a Paulo. In 1966-1967 werd ze door architect H. Sneiders uitgebreid: het aanpalende huis aan de Bergensesteenweg werd vervangen door een uitbreiding van het hoekgebouw, en het geheel kreeg een nieuwe modernistische gevel. In 1978 werd het middendeel van het gebouw aan de Jorezstraat verhoogd met een verdieping in dezelfde stijl, bestemd voor twee klaslokalen (n.o.v. architect Jan Sneiders).
Beschrijving
Hoekgebouw van drie bouwlagen onder plat dak. Bakstenen gevels. Breed uitkragende betonnen kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Aan de kant van de steenweg, middentravee met de toegang: deur onder vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met twee monelenStenen vensterstijl.; twee smalle gekoppelde vensters op de verdiepingen. Brede linkertravee, twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts, verdeeld door respectievelijk vier monelenStenen vensterstijl. en één doorlopende moneelStenen vensterstijl. in witte baksteen. Schrijnwerk bewaard op de benedenverdieping.
Interieur. Enkele plafonds en neoclassicistische schoorstenen van het herenhuis zijn bewaard, evenals de diensttrap met fijne balustersVaasvormige spijl van een borstwering..
Gebouw aan de Jorezstraat van twee bouwlagen en twaalf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de eerste drie onder plat dak, met attiekmuurtje met panelen, de vier volgende voorzien van een tweede verdieping onder plat dak (1978), terwijl de overige hun zadeldak hebben behouden. De achtste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) verlicht een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. Gevels in oranjekleurige baksteen met banden en lateien in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen.. TraveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) inspringend gevat tussen kolossale pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met verspringende bouwlagen. Gevel aan de binnenplaats met een vergelijkbare compositie, achter een overdekte speelplaats van latere datum. Oorspronkelijke kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Schrijnwerk vervangen.
Interieur. Betonvloeren op metalen balken, sommige rustend op gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuilen. Oorspronkelijk bevonden zich vijf klassen op de benedenverdieping, langs een gang aan de kant van de binnenplaats; drie slaapzalen op de verdieping.
Terugwijkende vleugel van twee bouwlagen onder plat dak, met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de breedte en vijf in de lengte aan de kant van de binnenplaats; laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), die het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. verlicht, versierd met een nis voor een beeld van het Heilig Hart van Jezus.
Interieur. Oorspronkelijk, toiletten in de kelderverdieping, twee klaslokalen op de benedenverdieping, slaapzaal op de verdieping.
Geschiedenis
Rond 1874 vestigden de zusters hun klooster in een herenhuis in neoclassicistische stijl dat vóór 1835 op de hoek van de toekomstige Jorezstraat was opgetrokken. Op hun terrein, dat een L vormde die uitmondde aan de la Schapenkopstraat (de toekomstige Sergeant De Bruynestraat), stond een folie op de hoek, en een magazijn haaks op de Schapenkopstraat. In juli 1874 ontwierp architect Alph. Verhas Warmoes de plannen voor een gebouw met klaslokalen van één bouwlaag langs de Jorezstraat, en een jaar later ontwierp hij eveneens een omheiningsmuur langs de Schapenkopstraat en verbouwde hij het magazijn tot klaslokalen (gesloopt vóór 1971). In 1925 werd het gebouw aan de Jorezstraat vervangen door een nieuw gebouw, met invloed van de eclectische stijl, met klaslokalen en op de verdieping slaapzalen. In 1946 ontwierp architect René Thiry een nieuwe vleugel, volgens identiek model, terugwijkend achter het gebouw van de Jorezstraat. De instelling werd omgedoopt tot Ecole Sainte-Marie – Sint-Mariaschool en werd beheerd door de Zusters van Sint-Vincentius a Paulo. In 1966-1967 werd ze door architect H. Sneiders uitgebreid: het aanpalende huis aan de Bergensesteenweg werd vervangen door een uitbreiding van het hoekgebouw, en het geheel kreeg een nieuwe modernistische gevel. In 1978 werd het middendeel van het gebouw aan de Jorezstraat verhoogd met een verdieping in dezelfde stijl, bestemd voor twee klaslokalen (n.o.v. architect Jan Sneiders).
Beschrijving
Hoekgebouw van drie bouwlagen onder plat dak. Bakstenen gevels. Breed uitkragende betonnen kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Aan de kant van de steenweg, middentravee met de toegang: deur onder vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met twee monelenStenen vensterstijl.; twee smalle gekoppelde vensters op de verdiepingen. Brede linkertravee, twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) rechts, verdeeld door respectievelijk vier monelenStenen vensterstijl. en één doorlopende moneelStenen vensterstijl. in witte baksteen. Schrijnwerk bewaard op de benedenverdieping.
Interieur. Enkele plafonds en neoclassicistische schoorstenen van het herenhuis zijn bewaard, evenals de diensttrap met fijne balustersVaasvormige spijl van een borstwering..
Gebouw aan de Jorezstraat van twee bouwlagen en twaalf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de eerste drie onder plat dak, met attiekmuurtje met panelen, de vier volgende voorzien van een tweede verdieping onder plat dak (1978), terwijl de overige hun zadeldak hebben behouden. De achtste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) verlicht een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.. Gevels in oranjekleurige baksteen met banden en lateien in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen.. TraveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) inspringend gevat tussen kolossale pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met verspringende bouwlagen. Gevel aan de binnenplaats met een vergelijkbare compositie, achter een overdekte speelplaats van latere datum. Oorspronkelijke kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Schrijnwerk vervangen.
Interieur. Betonvloeren op metalen balken, sommige rustend op gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuilen. Oorspronkelijk bevonden zich vijf klassen op de benedenverdieping, langs een gang aan de kant van de binnenplaats; drie slaapzalen op de verdieping.
Terugwijkende vleugel van twee bouwlagen onder plat dak, met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de breedte en vijf in de lengte aan de kant van de binnenplaats; laatste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), die het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. verlicht, versierd met een nis voor een beeld van het Heilig Hart van Jezus.
Interieur. Oorspronkelijk, toiletten in de kelderverdieping, twee klaslokalen op de benedenverdieping, slaapzaal op de verdieping.
Bronnen
Archieven
GAA/DS 702 (30.07.1874), 1008 (24.06.1875), 17954 (19.01.1925), 32348 (05.12.1946), 42027 (30.07.1965), 42638 (22.02.1967), 45082 (30.05.1978).
Archief Marcel Jacobs.
Tijdschriften
Almanach du Commerce et de l’Industrie, “Mons (chaussée de)”, 1873, 1875.
Kaarten / plannen
CRAAN, W. B., Plan géométrique de la Ville de Bruxelles, 1835.