Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Inventaris van het Industrieel Erfgoed (La Fonderie - 1993-1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Vorst (DPC-DCE - 2014-2020)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
De brouwerij Wielemans-Ceuppens werd in 1862 gesticht door Lambert Wielemans en zijn echtgenote Ida Ceuppens. Deze laatste kwam uit een brouwersfamilie wat de keuze logisch maakte een bierhandel te openen. Lambiek en gueuze werden verkocht aan Brusselse cafés, in hun eigendom, waaronder de bekendste ‘Le Roi d’Espagne’ op de Grote Markt. Na de dood van Lambert in 1863 namen de echtgenote en haar drie zonen (Edouard, Prosper en André) de zaak over en besloten hun eigen bier te brouwen. Hiervoor huurden ze, vanaf 1868, een brouwerij in de Nieuwlandstraat, in het centrum van Brussel.
De broers hadden echter grotere plannen en zochten een nieuw en groter terrein. Omwille van de goedkope grond in het nog landelijkePeriode: 18e – 19e – begin 20e eeuw De landelijke architectuur verwijst naar een kenmerkende bouwwijze die voornamelijk bestaat uit boerderijen en landelijke woningen, opgetrokken tussen de 18e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Tot het midden van de 19e eeuw was dit type bebouwing wijdverspreid in de Brusselse voorsteden, die toen nog een overwegend landelijk landschap kenden. De bebouwing concentreerde zich vooral rond parochiekerken, in gehuchten, en langs de belangrijkste verkeersassen. Deze bouwwijze, die binnen de vernaculaire architectuur valt, vertoont specifieke architecturale en materiële kenmerken die getuigen van lokale grondstoffen en traditionele vakkennis. De boerderijen komen doorgaans overeen met kleinschalige landbouwbedrijven. Ze bestaan uit een rechthoekige woning, laag en zonder verdieping, die parallel of loodrecht op de weg is geplaatst. De ruimte tussen de weg en de boerderij fungeert als erf. Tot het einde van de 19e eeuw was de stal rechtstreeks verbonden met de woning en vormde zo één geheel. Bijgebouwen (schuur, berging, werkplaats, hooizolder) konden dit geheel aanvullen, afhankelijk van de middelen van de eigenaar. De vierkanthoeve is een variant van dit type, georganiseerd als een gesloten vierhoek of U-vorm rond een centrale binnenplaats. Deze binnenplaats bevatte vaak een mestput, een waterput, een drinkbak of een duiventil. Soms werd de straatzijde van de vleugel monumentaler vormgegeven met een poortgebouw. De constructietechniek maakt voornamelijk gebruik van lokale materialen: baksteen, kalkmortel, pleister en natuursteen (vooral voor sokkels en omlijstingen van openingen). De daken, rustend op een houten gebinte, zijn bedekt met riet, pannen of soms leien. De openingen zijn, indien later niet aangepast, zelden uitgelijnd en vaak van verschillende afmetingen. Sommige behouden hun oorspronkelijke houten latei. Ook zijn ijzeren muurankers zichtbaar in hoefijzer-, I- of X-vorm in de gevels en/of zijgevels. De landelijke woningen (vaak verbonden met tuinbouw) volgen een herkenbare typologie: een eenvoudig, compact bakstenen volume, een gepleisterde of geschilderde gevel, een indeling in traveeën over één niveau met attiek, en een poortdeur die toegang geeft tot een achterliggende berging. Vorst vestigden zij zich in 1879 langs de Van Volxemlaan. Talrijke factoren maakten van dit terrein een ideale ligging. Zo was de laan in volle stedenbouwkundige ontwikkeling wat leidde tot een ideale ligging om het modernistischHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. imago van de brouwerij te promoten. Ook vergemakkelijkte de nabijheid van het zuidstation en de tramlijn zowel het transport van personeel als de uitvoer van bier via de spoorweg naar de provincies. Het moerassig terrein strekte zich daarenboven uit over meer dan 50 are en bood kansen voor verdere uitbreidingen en verbouwingen.
Vanaf 1887 werd een nieuw biervariant gebrouwen, de lichtblonde pils van lage gisting die van Duitsland afkomstig was en als eerste in België geïntroduceerd werd. Deze pils – die later de naam Wiels kreeg - zou een groot succes kennen en leidde tot een bloeiende zaak die de drie opeenvolgende generaties bleef groeien.

De nieuwe brouwerij werd vanaf 1880 uitgerust met een reeks industriële gebouwen die zich langs de straatzijde bevonden, op het Léon Wielemansplein en langs de Van Volxemlaan, of verspreid op het binnenterrein en langs de spoorweg achteraan het perceel. Deze bestaan uit stoomketels, een meeloven, kuipen voor verdamping, bewaringsvaten, graanschuren, magazijnen, paardenstallen en een smidse. Ook werden twee aanpalende burgerwoningen gebouwd langs de laan voor Edouard en Prosper Wielemans. Het enige gebouw uit deze eerste bouwfase dat vandaag nog bewaard bleef, is het gebouw Metropool (Van Volxemlaan 364-366-372) dat in 1890-1893 werd gebouwd. Het deed dienst als hoofdburelen en ontvangstruimtes en werd deels gebouwd met gevelelementen gerecupereerd van het hoofdgebouw van de Spaar- en Lijfrentekas, gelegen op het de Brouckèreplein, dat enkele jaren voordien aangekocht werd door de Wielemans familie om afgebroken te worden en plaats te maken voor het nieuwe Hotel Metropole (zie Brouckèreplein 33-35). De ingangspoort, de hardstenen elementen zowel als het bronzen frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met voorstelling van de toekomst en de welvaart, werden gerecupereerd van het gebouw op het de Brouckèreplein. Het hergebruik van architecturale elementen in een nieuwbouw was voor die periode zeer ongebruikelijk en vernieuwend.
In het begin van de 20ste eeuw werden reeds een aantal gebouwen afgebroken en vervangen of sterk verbouwd. De brouwerij Wielemans-Ceuppens bleef immers concurreren op de internationale markt van Europa en moderniseerde hiervoor zijn gebouwen. Zo werd in 1903 een nieuwe brouwzaal opgericht (huidig Van Volxemlaan 256-370). Het gebouw werd voorzien van een machinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. die als energiecentrale diende voor de fabriek. Zowel de brouwerijmachines als de elektrische stoommachines werden toevertrouwd aan Duitse firma’s en bestonden uit de allernieuwste technieken.
Tijdens het interbellum, bereikte de brouwerij zijn meest productieve periode en telde tot meer dan duizend werknemers. De derde generatie van de brouwersfamilie met Léon Wielemans als hoofdpersoon bleef vernieuwen met de productie van nieuwe bieren zoals de Stout en de Scotch en later de Forst, de extra-foncée en de Nationale. De veelvuldige bouwvergunningen tonen aan dat de brouwerij bleef groeien: nieuwe hangars en garages werden opgetrokken terwijl andere gebouwen werden verhoogd of verbouwd. De nieuwbouw van de Wielemanstoren aan de hoek van het Léon Wielemansplein en de Luttrebruglaan (Van Volxemlaan 354) vormt echter het hoogtepunt van deze periode. Dit emblematisch gebouw dat als nieuwe brouwerij dienstdeed werd in 1930 opgetrokken door de familiearchitect Adrien Blomme. Zowel op architectonisch als op technisch vlak behoorde ze tot de modernste brouwerijen van Europa. Ze bevatte acht brouwkuipen waarvan materie-, mais- en filterkuipen. Het strakke, betonnen gebouw met doorlopende vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. getuigt van transparantie en zichtbaarheid ten opzichte van de straat. Om de eenheid met de Wielemanstoren te bewaren, werden de bakstenen voorgevels van de oude brouwerij en machinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. gerenoveerd en voorzien van een lichtgekleurde cementlaag met art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren..
In 1935 schakelde de brouwerij over van tonnen naar flessen en liet hiervoor een bottelarij bouwen. Dit modernistischHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. gebouw met brede vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. bevond zich aan de rechterzijde van het Metropool kantoorgebouw en werd door architecten Adrien en Yvan Blomme gebouwd. In dezelfde periode werd het vervoer van karren getrokken door paarden ook volledig vervangen door gemotoriseerde vrachtwagens.
De brouwerij maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog een recessie door. Toch probeerde ze na de oorlog haar activiteiten terug op te nemen en bleef ze haar industriële gebouwen tot begin jaren 1970 uitbreiden. De dood van Léon Wielemans in 1975 en de harde concurrentie en crisis leidden er echter toe dat de Wielemans-Ceuppens brouwerij in 1979 werd verkocht aan de Leuvense biermagnaat Artois (later Interbrew en Inbev). Vanaf de jaren 1980 werden de activiteiten afgebouwd en in 1988 was Th. Rotthier, archterkleinzoon van Prosper Wielemans, genoodzaakt de brouwactiviteiten definitief te staken.
Reeds enkele maanden na de sluiting van de brouwerij werd een groot deel van de industriële gebouwen afgebroken, ook de brouwkuipen in de Wielemanstoren werden deels ontmanteld. La Fonderie verzette zich tegen de afbraak. Volgens K.B. van 20.07.1997 werden de Wielemanstoren, de oude brouwzaal met machinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. en het kantoorgebouw beschermd als monument.
Het Wiels gebouw werd in 2005-2007 gerestaureerd en doet vandaag dienst als centrum voor hedendaagse beeldende kunst met café-restaurant. De oude brouwzaal met machinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. werden in gebruik genomen als Cultureel Centrum van de Gemeente Vorst en Nederlandstalige bibliotheek. Het kantoorgebouw wacht nog steeds op een nieuwe functie.
Wiels gebouw
Exterieur
Brouwzaal aan de hoek van de Van Volxemlaan en de Luttrebruglaan, tegenover het Léon Wielemansplein, vier bouwlagen, geheel onder plat dak. Benedenverdieping in hardsteen, overige delen in beton. Hogere benedenverdieping met grote vensteropeningen, repetitieve verdiepingen met nadruk op horizontale lijn door doorlopende vensteropeningen met uitstekende bovendorpels. Centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) Van Volxemlaan met hoofdingang en groot verticaal glasraam geflankeerd door drie registersVensterstrook in een topgevel. van telkens vijf uitspringende lijsten en bovenaan het opschrift Wielemans Ceuppens.
Graansilo in het verlengde van de brouwzaal bestaande uit een blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. gevel in beton. Langs de Luttrebruglaan nog één van de vier garagepoorten onder doorlopend dakoversteek. Op de verdiepingen dito registersVensterstrook in een topgevel. met uitspringende lijsten. Uiterst links langs de Luttrebruglaan, doorlopende , driehoekige blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. erkervorm in de bovenste bouwlagen. Aan de achterzijde van het gebouw monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. keramieken tegelopschrift met rode letters op wit achtergrond “Wielemans Forst”.
Interieur
Gelijkvloerse verdieping met grote ruimte op twee niveaus waarin drie van de acht koperen brouwkuipen bewaard zijn gebleven. Deze ruimte dient vandaag als onthaal en café/restaurant. Muren bekleed met lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met zwarte tegels en groene randen. Lichtarmaturen in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”).. Achteraan het gebouw, ruimte met hogere bouwlaag, bereikbaar via een trap, waarin zich oorspronkelijk de graanzolders bevonden. Deze werd sterk verbouwd en omgevormd tot tentoonstellingszalen.
Vroegere brouwzaal en machinekamer
Exterieur
Vroegere brouwzaal en machinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. waarvan eerste volume van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en vijf bouwlagen onder plat dak en tweede volume van vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee bouwlagen onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met centrale glazen koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis.. GecementeerdeMet portlandcement bestrijken. gevel met hardstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. en benedenverdieping met diepe schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren..
Vroegere brouwzaal met rechthoekige of rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. muuropeningen, op twee hoogste bouwlagen gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd.. Borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. en penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. in stucwerkModelleerbare, snel hardende massa van gips, kalk en zand; in gepolijste vorm ter vervanging van marmer. versierd met geometrische motieven in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”).. Uitspringende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. onderbroken door rechthoekige postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen met respect voor oorspronkelijk model.
MachinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. met rechthoekige vensteropeningen waarvan deze van de kelder, gelijkvloerse en eerste verdieping doorlopen in eenzelfde omlijsting. Achtergevel met glasramen waarin het wapenschild van de brouwerij.
Interieur
Vroegere brouwzaal in ijzeren structuur op kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., plafond met reeks tongewelven. Keramische vloertegels en muurbetegeling met faiences en decoratieve friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). waarin leeuwen.
MachinekamerIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. met ijzeren draagstructuur van het Polonceau type en centraal glazen dak. Eén grote ruimte waarin zich de stoommachines, compressoren en koelmachines bevonden welke vandaag nog deels bewaard zijn. Keramische vloertegels en lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … met roze marmeren tegels.
Metropool gebouw
Exterieur
Symmetrische opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van twee bouwlagen en negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de straatzijde. Centraal risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. onder hoog attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. waarin opschrift met vergulde letters “Brasserie Wielemans-Ceuppens”. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevel met imitatievoegen en elementen in hardsteen. RondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. muuropeningen met doorlopende archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. op de benedenverdieping, rechthoekig met entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. op de eerste verdieping. Muuropeningen in de risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. van elkaar gescheiden door colonnettenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... verdwenen.
Interieur
Volgens ontwerpplan centraal bureau voor de directie met rijk versierde ontvangstzaal waarin lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … en beschilderde fresco’s met de grote brouwerssteden. Aan de linkerzijde burelen, aan de rechterzijde economaat.
Beschermd als monument op 20.07.1993
Bronnen
Archieven
La
Fonderie, Brouwerij Wielemans-Ceuppens, Vanderhulst G., fiche 64, 65, 66, 67,
1992.
Publicaties en Studies
s.a.,
Blomme Wiels, Brussel, 2007.
Bier en brouwerijen te Brussel, Van de
Middeleeuwen tot vandaag,
Archief en Museum van het Vlaams Leven te Brussel vzw, Brussel, 1996, pp.
223-225.
BLOMME, F., A
la rencontre d’Adrien Blomme 1878-1940. Sa vie, son œuvre racontées par
Françoise Blomme, CIVA, Brussel, 2004.
COURTOIS, R. en M. HERCK, Adrien
Blomme. Travaux d’architecte, SCAB, Brussel, 1978.
CULOT, M. [dir.], Forest. Inventaire
visuel de l'architecture industrielle à Bruxelles, AAM, Bruxelles,
1980-1982, fiche 1.
DEL MARMOL, B. en O. BERCKMANS, Ancien
immeuble de bureaux de la brasserie Wielemans-Ceuppens, avenue Van Volxem
366-368 à Forest. Etude historique et matérielle de la salle dite “de
réception” du rez-de-chaussée, APEB, Brussel, 2016, vol. 1 en 2.
VERNIERS, L’histoire de Forest-les-Bruxelles,
Bruxelles, 1949, p. 299.
Tijdschriften
GERARD,
H., ‘De brouwerijen Wielemans-Ceuppens te Vorst, een wedergeboorte in vrouwelijke
linie’, Historische woonsteden en tuinen,
nr. 141, 2004, pp. 29-33.
KERREMANS, R., ‘Les brasseries
Wielemans-Ceuppens classées’, Les
Nouvelles du Patrimoine, nr. 51, 1993, pp. 26-27.
NEMO, J., ‘Les nouvelles installations de Wielemans-Ceuppens’, Clarté, nr. 12, 1933, pp. 17-20.
‘La nouvelle salle de brassage de la brasserie Wielemans-Ceuppens, œuvre de
l’architecte A. Blomme’, La Revue
Documentaire, nr. 7, 1931, pp. 106-110.
VAES, J-P., ‘Wielemans-Ceuppens. Grandeur et décadence d’une brasserie’, Les cahiers de la Fonderie, nr. 8, 1990,
pp. 13-22.
VANDERHULST, G., ‘La Fonderie veut sauver la Brasserie. Un témoin, un
acteur, une réflexion’, Les cahiers de la
Fonderie, nr. 8, 1990, pp. 2-7.
VAN LIL, A., ‘Wielemans-Ceuppens. Un nom séculaire à Forest’, Le Folklore Brabançon, nr. 252, 1986, pp.
291-314.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



























































