Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
klooster/abdij
Ontwerper(s)
Victor DEGAND – architect – 1913
E. WEENEN – architect – 1977
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Eclectisme
Neogotiek
Inventaris(sen)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Anderlecht-Kuregem (Archistory - 2017-2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016, 2019
id
Urban : 37291
Beschrijving
Voormalig klooster in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met
gotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). invloed, ontworpen in 1913 door architect Victor Degand voor graaf
François de Hemricourt de Grunne.
Geschiedenis
In 1912 kocht de graaf het perceel van de gemeente. Het gebouw, met kapel, werd al onmiddellijk bestemd voor de religieuze gemeenschap van de Soeurs Servantes des Pauvres [Zusters Dienaressen der Armen]. Toch zien we op het plan van 16 september 1913 dat bijna alle vermeldingen van kloostervertrekken zijn uitgegumd en vervangen door civiele bestemmingen (veranda i.p.v. koor, enz.), terwijl de naam van de Zusters door die van de graaf is vervangen. Hij kreeg de bouwvergunning in januari 1914, en het gebouw werd tijdens of kort na de oorlog opgetrokken. Vanaf ten minste 1920, volgens de Almanach, bood het onderdak aan de Zusters, die gratis thuisverzorging leverden. Ze huurden het gebouw van graaf François, die in 1920 benedictijn was geworden in de abdij van Maredsous, en nadien van zijn zoon Guillaume, die het gebouw in 1922 verwierf. In 1962 schonk hij het goed aan de Zusters, die er tot minstens 1969 worden vermeld, evenals in het aanpalende huis (zie nr.15). In 1972 verkochten ze het gebouw aan de Parochiale Werken van het Dekenaat Brussel-West, die er het Voorzienigheidsinstituut vestigden. In 1977 liet de instelling achteraan bijgebouwen optrekken (n.o.v. architect E. Weenen), te koste van het initiële gebouw. Tot in 2019 huisvestte het gebouw de gespecialiseerde basisschool L’Etincelle.
Beschrijving
Imposant gebouw van drie bouwlagen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Voorgevel met twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. heel smal, de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) bekroond door een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is.. Gevel in oranjerode baksteen met hardstenen elementen. Rondboogopeningen met archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. als doorlopende waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Deur onder een tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. die een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op uitgesnedenVerdiept aanbrengen, beitelen,… kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog. vormt; blindZonder opening; blind venster, schijnopening. impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met in een nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. een beeld van Maria en Kind met een biddende figuur, wellicht de opdrachtgever. Erboven, driehoekig Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt. met twee vlakken, op druiper en met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Op de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen., vier per twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met uitspringende omlijsting. Twee grote venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping, vier smallere op elke verdieping. Gevelspits met rechte aandaken en drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., bekroond door een stenen nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met hoekkettingAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel., met een beeld van Maria op een veelhoekig platform. Aandaken thans bekleed met zink. Het oorspronkelijk plan voorzag in een topstuk. Ankers. Kroonlijst op kleine consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Oorspronkelijk schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... ; deur met getralied raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en gekleurd bedrukt glas; raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. op de verdiepingen met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en eenzelfde soort beglazing.
Oorspronkelijk had de met imitatievoegen bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. achtergevel vier ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) die vanuit een lager gelegen binnenplaats vertrokken. Op deze gevel, koor met koorafsluiting met drie vlakken van een kapel die door vijf spitsboogvensters werd verlicht. Dit koor, onder een hoog vijfledig leiendak, en een rechthoekig bijgebouw onder plat dak, links uitspringend, rustten op een lage bouwlaag met dezelfde plattegrond en met, volgens de oorspronkelijke indeling, de keuken verbonden met de refter. De tweede bouwlaag van het bijgebouw was bestemd voor de sacristie. Vóór 1977 werd de keuken uitgebreid onder een platform, waardoor een hoger gelegen binnenplaats ontstond tot aan de gemene muur met nr. 15, en er werden drie grote dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. tot tegen de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). geplaatst. In 1977 sloopte Weenen het koor en verving het door nieuwe bijgebouwen.
Interieur. Volgens het plan van 1913, vóór de aanpassingen, flankeerden twee aan elkaar palende ontvangkamers de toegangsportiek; dan volgden de vestibule en een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. evenwijdig aan de straat, onder daklicht. In de aslijn daarvan bevonden zich de toiletten, die gedeeltelijk werden verlicht en verlucht door een binnenplaatsje. Onder het tweede trapdeel bevond zich de centrale toegang tot de kapel, via een sas met vestiaire of bergruimte, met beglaasde tussenwanden, dat naar een tribune leidde. De rechterflank van het gebedshuis werd afgeboord door een gang leidend naar een beglaasde doorgang op glastegels die een zijdeur van het koor verbond met de trap van de binnenplaats. Op de eerste verdieping bevonden zich vier kamers, aangevuld met opslagruimten en muurkasten. Vermeldenswaard is dat de achterkamer links beschikte over een kijkgat in de vloer, naar het koor. Op de tweede verdieping, die ook van muurkasten was voorzien, lag een voorkamer naast de linnenkamer, terwijl zich achteraan een grote (gemeenschappelijke) zaal bevond waarop een badkamer en een wasruimte uitgaven.
Geschiedenis
In 1912 kocht de graaf het perceel van de gemeente. Het gebouw, met kapel, werd al onmiddellijk bestemd voor de religieuze gemeenschap van de Soeurs Servantes des Pauvres [Zusters Dienaressen der Armen]. Toch zien we op het plan van 16 september 1913 dat bijna alle vermeldingen van kloostervertrekken zijn uitgegumd en vervangen door civiele bestemmingen (veranda i.p.v. koor, enz.), terwijl de naam van de Zusters door die van de graaf is vervangen. Hij kreeg de bouwvergunning in januari 1914, en het gebouw werd tijdens of kort na de oorlog opgetrokken. Vanaf ten minste 1920, volgens de Almanach, bood het onderdak aan de Zusters, die gratis thuisverzorging leverden. Ze huurden het gebouw van graaf François, die in 1920 benedictijn was geworden in de abdij van Maredsous, en nadien van zijn zoon Guillaume, die het gebouw in 1922 verwierf. In 1962 schonk hij het goed aan de Zusters, die er tot minstens 1969 worden vermeld, evenals in het aanpalende huis (zie nr.15). In 1972 verkochten ze het gebouw aan de Parochiale Werken van het Dekenaat Brussel-West, die er het Voorzienigheidsinstituut vestigden. In 1977 liet de instelling achteraan bijgebouwen optrekken (n.o.v. architect E. Weenen), te koste van het initiële gebouw. Tot in 2019 huisvestte het gebouw de gespecialiseerde basisschool L’Etincelle.
Beschrijving
Imposant gebouw van drie bouwlagen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Voorgevel met twee ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. heel smal, de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) bekroond door een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is.. Gevel in oranjerode baksteen met hardstenen elementen. Rondboogopeningen met archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. als doorlopende waterlijstVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen.. Deur onder een tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. die een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op uitgesnedenVerdiept aanbrengen, beitelen,… kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog. vormt; blindZonder opening; blind venster, schijnopening. impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met in een nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. een beeld van Maria en Kind met een biddende figuur, wellicht de opdrachtgever. Erboven, driehoekig Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt. met twee vlakken, op druiper en met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Op de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen., vier per twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met uitspringende omlijsting. Twee grote venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping, vier smallere op elke verdieping. Gevelspits met rechte aandaken en drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., bekroond door een stenen nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met hoekkettingAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel., met een beeld van Maria op een veelhoekig platform. Aandaken thans bekleed met zink. Het oorspronkelijk plan voorzag in een topstuk. Ankers. Kroonlijst op kleine consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Oorspronkelijk schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... ; deur met getralied raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en gekleurd bedrukt glas; raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. op de verdiepingen met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. en eenzelfde soort beglazing.
Oorspronkelijk had de met imitatievoegen bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. achtergevel vier ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) die vanuit een lager gelegen binnenplaats vertrokken. Op deze gevel, koor met koorafsluiting met drie vlakken van een kapel die door vijf spitsboogvensters werd verlicht. Dit koor, onder een hoog vijfledig leiendak, en een rechthoekig bijgebouw onder plat dak, links uitspringend, rustten op een lage bouwlaag met dezelfde plattegrond en met, volgens de oorspronkelijke indeling, de keuken verbonden met de refter. De tweede bouwlaag van het bijgebouw was bestemd voor de sacristie. Vóór 1977 werd de keuken uitgebreid onder een platform, waardoor een hoger gelegen binnenplaats ontstond tot aan de gemene muur met nr. 15, en er werden drie grote dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. tot tegen de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). geplaatst. In 1977 sloopte Weenen het koor en verving het door nieuwe bijgebouwen.
Interieur. Volgens het plan van 1913, vóór de aanpassingen, flankeerden twee aan elkaar palende ontvangkamers de toegangsportiek; dan volgden de vestibule en een trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. evenwijdig aan de straat, onder daklicht. In de aslijn daarvan bevonden zich de toiletten, die gedeeltelijk werden verlicht en verlucht door een binnenplaatsje. Onder het tweede trapdeel bevond zich de centrale toegang tot de kapel, via een sas met vestiaire of bergruimte, met beglaasde tussenwanden, dat naar een tribune leidde. De rechterflank van het gebedshuis werd afgeboord door een gang leidend naar een beglaasde doorgang op glastegels die een zijdeur van het koor verbond met de trap van de binnenplaats. Op de eerste verdieping bevonden zich vier kamers, aangevuld met opslagruimten en muurkasten. Vermeldenswaard is dat de achterkamer links beschikte over een kijkgat in de vloer, naar het koor. Op de tweede verdieping, die ook van muurkasten was voorzien, lag een voorkamer naast de linnenkamer, terwijl zich achteraan een grote (gemeenschappelijke) zaal bevond waarop een badkamer en een wasruimte uitgaven.
Bronnen
Archieven
GAA/DS 14067 (12.01.1914), 45019 (30.08.1977).
Archief van de vzw Religieuses Servantes des Pauvres, kopie van de koopovereenkomst van 08.02.1972 van het goed aan de vzw Oeuvres Paroissiales du Doyenné de Bruxelles-Ouest, ter studie van meester C. Monnoyer.
Tijdschriften
Almanachs du Commerce et de l’Industrie, “Vétérinaires (rue des)”, 1920, 1969.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid


































