Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
hotel
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Adolf van Cleve († 1492) en zijn zoon Filips († 1528), heren van Ravenstein, vestigden zich hier, aan de tweede “Jodentrappen”, respectievelijk in 1460 en 1486 en lieten het Hof van Meldert en de belendende eigendommen verbouwen tot een ruim gebouwenensemble, omvattende: het huidige eigenlijke “Ravensteinhof”; ertegenover, aan de overzijde van de vroegere Ravensteinstraat, een tweede ruime woning zogenaamd “de Synagoog”, en aan de noordzijde van de Terarkenstraat een huis met stallingen. Na Filips’ dood in 1528 bij testament overgemaakt aan Willem V, hertog van Juliers en van Cleve. In 1609 in bezit van de paltsgraaf Johan Georg I, keurvorst van Saksen, en bewoond door diens raadgever P. Fuchs, die in 1613 herstellingswerken liet uitvoeren. Complex in 1656 door de toenmalige eigenaar, de hertog van Neuburg, in loten verkocht: de Synagoog aan de zijde- en tapijthandelaar G. Ruffin, vanaf 1849 betrokken door een privé-onderwijsinstelling en zogenaamd Hotel Dupuich, in 1909-1911 gesloopt voor de aanleg van de huidige Ravensteinstraat; het huis met stallingen en tuin aan de Terarkenstraat werd opgekocht door de schilder David II Teniers en verbouwd tot een imposante woning, in 1875 betrokken door de school Ecole Catholique Saint-Jacques, eveneens gesloopt in 1911. Het Ravensteinhof daarentegen bleef tot 1680 in bezit van de paltsgraven, nadien achtereenvolgens van Dona F. de Salinas (1686), de familie Thisquen (1714), baron J.I. Vander Linden-d’Hoogvorst (1752). Vanaf 1780 eigendom van de familie de Neufforge die bij hun intrek belangrijke aanpassings- en verfraaiingswerken liet uitvoeren, en in 1893-1894 onder leiding van architect Paul Saintenoy summiere restauratiewerken liet uitvoeren voor verhuur aan diverse Sociétés Savantes. In 1894 door de Stad onteigend voor de geplande heraanleg van de Ravensteinstraat. Vestiging van verschillende wetenschappelijke instellingen waaronder reeds vanaf 1894 de Société Royale Belge des Ingénieurs et des Industriels (S.R.B.I.I.) en vanaf 1911 de Société Centrale d’Architecture de Belgique (S.C.A.B.). Een aanvankelijk project van burgemeester Karel Buls voor annexatie van de Synagoog en uitbouw tot een prestigieus Hotel des Sociétés Savantes naar ontwerp van architect Paul Saintenoy van 1896, als Palais de la Ville de Bruxelles geëxposeerd op de wereldtentoonstelling van 1897, werd afgevoerd. Ravensteinhof in 1934-1937 grondig gerestaureerd naar ontwerp van stadsarchitect François Malfait (plannen vanaf 1933), waarbij gebruik van vervangende bak- en natuursteen, onder meer Gobertange- en Reffroysteen respectievelijk voor de gerestaureerde en gereconstrueerde gevelparementen).
Hof heden met U-vormige gebouweninplanting rondom een binnenplein - ten noorden opgedeeld in een lagere basse-cour -, met noordelijke straatgevel aan de Terarkenstraat, westelijke straatgevel en afsluitingsmuur aan de Ravensteinstraat en korte oostvleugel aan het binnenplein. Opgetrokken in Brabants laatgotische bak- en zandsteenstijl, en ondanks latere aanpassingen en grondige restauratie, met gedeeltelijke wederopbouw, bijzonder illustratief voor de toenmalige rijkere privé-architectuur. Verankerde vleugels met gelijkvloerse en eerste verdieping, ten noorden en ten westen met bijkomende benedenverdieping en kelderverdieping. overeenkomstig het straatniveau, onder gecombineerde zadel- en mansardebedaking (leien). Karakteristiek uitzicht met sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld., hoek- en negblokken, speklagen, waterlijstenVooruitspringende rand in het gevelvlak die regenwater buiten gevel laat afdruppelen., steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel. en beëindiging door getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. en dakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met schouderstukken.
![Ravensteinstraat 3, voormalig Hotel van Cleve-Ravenstein (foto [s.d.]).](/medias/500/buildings/10001089/10001089_0003_M01.jpg)
Aan Ravensteinstraat, bakstenen afsluitingsmuur met gedicht zandstenen kruiskozijn en brede tudorbogige ingangspoort met zandstenen afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. dagkantenBinnenkant (tussen muurvlak en kozijn) van de stijlen van een muuropeningen; soms geprofileerd of afgeschuind. onder bekronende dito booglijst met kruisbloem(Neo)gotische beëindiging, bestaande uit een stam met daarop één of meerdere kransen van gestileerde bladeren (hogels) en bovenaan bekroond met een sierbol (pumeel). en rankwerkconsoles.
Dubbele haakse noordvleugel (parallel met Terarkenstraat) met straatgevel van totaal acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Vernieuwde kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld. en rondboogdeuren, rechter ter vervanging van voorheen rechthoekige. Markante, evenwel gereconstrueerde (1934-1937) rechthoekige erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. van de voormalige huiskapel: gedrukte spitsbooglichten met ingeschreven driepas, in de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. herhaald in het maaswerk en versierd met het wapenschild van Adolf en Filips van Cleve; gelede colonnettenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met vierkante sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en druipers met loofwerkVersiering van beeld- en houtsnijwerk in de vorm van bladeren.; afgewolfdZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd. zadeldakje en overkraging door middel van brede, consolevormige geprofileerde korfboogBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen.. Kleinere trapezoïdale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. rechts, eveneens gereconstrueerd, met gelijkaardige doch vereenvoudigde uitwerking. Vernieuwde getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. (6 treden + topstuk) zijtopgevel (Ravensteinstraat), drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met tweelichtTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. en kleiner rechthoekige luik in top.
Westvleugel (parallel met Ravensteinstraat) op foto’s uit eind 19e-begin 20e eeuw figurerend met 18e-eeuwse aanpassingen. Huidige langsgevel aan straat met vernieuwd parementGevel- of muurbekleding., getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en in vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. en kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld., grotendeels volgens de vroegere ordonnantie. Aan zijde binnenplein voorheen met bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. lijstgevels met vlak omlijste rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., één op één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) links en achteruitwijkende rechterpartij met driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., twee op twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), onder combinatie van schild- en mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Tijdens restauratie gewijzigd tot huidig uitzicht: twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) brede trapgevelGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. links, met kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld. en begane grond in de tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uitgewerkt als een portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert.; achteruitwijkende partij links van één op één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met bewaarde zandstenen Lodewijk XVI-rondboogdeur in rechthoekige omlijsting (laatste kwart 18e eeuw) met imposten, voluutsluitsteen, casementen in de zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is., pilasterbegrenzing met dubbel acanthusblad als kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., bekronend driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en een gebogen steektrap.
Kortere oostvleugel aan het binnenplein (parallel aan westvleugel) met twee bouwlagen en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), vóór 1934-1937 bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen., met rechthoekige deur en tot getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aangepaste kruiskozijnen; gereconstrueerd met kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld., bijkomend rondboogdeur en getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. dakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is..
Eén traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) breed trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met lage aanbouw in de noordwestoksel en gedeeltelijk zichtbare achtergevel van de noordvleugel, met getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. dakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is., lagere aanbouw met op bovenverdieping kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld. in twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), boven een hardstenen korfbooggalerij in een 16e/17e eeuwse stijl, met Toscaanse zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. op hoog vierkant basement: resultaat van de restauratie in 1893-1894 door Paul Saintenoy.
Conciërgewoning van één bouwlaag aan westzijde (1934-1937).
Gekasseide pleinaanleg met bewaard 18e-eeuwse rozetpatroon, in verbinding met de lagere basse-cour via een trappenpartij en korfbogige doorgang, op pleinniveau “afgeschermd” door een zandstenen korfboogarcade (16e/17e eeuw) op Toscaanse zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met lijstkapiteel en achthoekig basement, en centraal het blazoen van de familie de Neufforge.
Interieur. Behoudens gelijktijdig summiere aanpassingen door architect A. Dumont in een aantal lokalen van de S.C.A.B., in 1935-1937 nagenoeg volledig gerestaureerd onder leiding van architect François Malfait. Een aantal markante zalen en kamers behielden nog grotendeels hun stoffering uit de oprichtingsperiode van eind 15e/begin 16e eeuw en de herinrichting in het laatste kwart 18e eeuw. Inkompartij met traphal met eikenhouten trap en stijlvol uitgewerkte Lodewijk XVI-trappaal van 1780. In de westvleugel: kamer met classicistischVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stucplafond, trofeeëndecor en stijlvolle marmeren Lodewijk XVI-schouw; zogenaamde “Voorzitterskamer” met fraaie, met hout gelambriseerde schouwmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. in Lodewijk XV-stijl; heringerichte zogenaamd Raadzaal met bruin marmeren schouw in gotisch/renaissancistische stijl (?). In de dubbele noordvleugel: zogenaamde “Conferentiezaal” met eikenhouten moer- en kinderbalkenplafond, gotisch/renaissancistische schouw door H. Baes herverfraaid met het wapenschild van Filips van Cleve en zijn devies A Jamais, herhaald in de wandversiering en gealterneerd door het wapenschild en devies Vous Seul van zijn echtgenote Françoise van Luxemburg; zogenaamde “Cordobazaal” met gelijkaardig balkenplafond en gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). schouw waarop de wapens van de familie de Neufforge en hun devies Ad alta petantur; interessante zogenaamde “Portrettenzaal”, met 18e-eeuws stucplafond en -schouw, en de zogenaamde “Architectenzaal”. Verder nog diverse kamers onder meer met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. onder putti-reliëf; gereconstrueerde voormalige huiskapel onder stergewelf in de erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. Zolderverdieping met onder meer vergaderzaal onder imposant houten dakgebint met open dakstoelMeestal driehoekig samenstel van dragende onderdelen van een kap, in één vlak, haaks op het dakvlak en veelal opgebouwd uit één of meerdere elementen op elkaar (kapgebinten)..
Bronnen
Archieven
SAB/OW 19921 (1893-1894), 44676, 57647 en 57648 (1933-1937); PP, A 15.
Publicaties en studies
BRION R., BUYLE A., (onder leiding van J. Tourneur en A. Vanrie), L’Hôtel Ravenstein. Siège de la Société Royale des Ingénieurs et des Industriels, Brussel, 1987.
CHEVALIER H., L’Hôtel Ravenstein et les Clèves, Brussel, 1960.
DES MAREZ G., La maison de David Teniers II et l’Hôtel Ravenstein, Brussel, 1912.
L’Hôtel Ravenstein. Siège de la Société Royale Belge des Ingénieurs et des Industriels, s.l., s.d.
MAURIN DE NAHUYS (Comte), Notice Historique sur l’Hôtel et la Seigneurie de Ravenstein (overdruk A.S.R.A.B., dl. 3, 1889).
Tijdschriften
L’Emulation, 1899, 24, kol. 166-169, pl. 44-47; 1900, 25, pl. 2-3; 1901, 26, pl. 35-41.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











