Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Paleis voor Schone Kunsten
Ravensteinstraat 5-7-9-11-13-15-17-19-21-23
Baron Hortastraat 1-3-5-7-9
Koningsstraat 6
Typologie(ën)
kunstencentrum/cultureel centrum
spektakelzaal
museum
spektakelzaal
museum
Ontwerper(s)
Victor HORTA – architect – 1922-1929
Stijlen
Art deco
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 30454
Beschrijving
Omvangrijk complex
met tentoonstellings- en concertzalen, naar ontwerp van architect Victor Horta,
van 1922-1929. Ingeplant op een terrein begrensd door Ravensteinstraat, Koningsstraat,
Baron Hortastraat en Terarken.
Aanzet tot de bouw van het Paleis voor Schone Kunsten gegeven in 1919, onder impuls van toenmalig Minister van Openbare Werken E. Anseele en senator E. Vinck. Opdracht toevertrouwd aan Victor Horta, wiens ontwerp werd verkozen boven dat van hoofdarchitect van de Burgerlijke Gebouwen G. Hano. Project in 1920 om budgettaire redenen door de Senaat verworpen. Oprichting van de v.z.w. Société du Palais des Beaux-Arts in 1922, onder impuls van burgemeester Adolphe Max en de bankier en muziekliefhebber Henry Le Bœuf, voor de bouw - met participatie van de Stad Brussel en de Belgische Staat - en exploitatie van het Paleis. Project opnieuw toegewezen aan Horta, die rekening diende te houden met een complex programma, ongunstige terreinomstandigheden, twee erfdienstbaarheden en een strikt gelimiteerd budget. Ontwerp nog tijdens de bouw vervolledigd en op belangrijke punten gewijzigd en bijgesteld. Aanbesteding en inrichting van de werf in 1922, aanvang van de werken begin 1923, inhuldiging van het tentoonstellingscomplex in 1928, van de grote concertzaal in 1929.
Terrein van ca. 1 ha, omgord enerzijds door de schoormuren van Paleizenplein, voormalig Rekenhof (Koningsplein nr. 11- 12) en Herenhuis Errera (Koningsstraat nr. 14), anderzijds door het viaduct van de Ravensteinstraat en het trappencomplex van de Baron Hortastraat, oorspronkelijk met sterk verval. Eertijds bevonden zich hier onder meer het voormalige Terarkengodshuis, het huis David II Teniers en het plateau van de “Grote Gulden Hof”. Aangetroffen resten van een verdedigingstoren van de eerste stadsomwalling (11e-13e eeuw) werden behouden. De enorme afgravingswerken werden om stabiliteitsredenen gelijktijdig met de opbouw van het betonskelet in verticale segmenten uitgevoerd. De uiteindelijke indeling van het complex werd in hoge mate bepaald door de hoogtebeperking opgelegd door de geldende erfdienstbaarheid van het Paleizenplein, waarvan het panorama diende te worden gevrijwaard. Een tweede erfdienstbaarheid gold de inplanting van winkels aan de Ravensteinstraat. Constructie met gebruik van een skelet van gewapend beton met baksteenvulling, onder een beglaasde stalen dakstructuur, het geheel gefundeerd op betonnen heipalen (type Robur) onderling verbonden door sloffen. De oorspronkelijk geplande staalconstructie voor de grote concertzaal werd tijdens de bouw op advies van aannemer A. Blaton vervangen door een betonconstructie.
Het complex herbergt een geheel van lokalen voor uiteenlopende artistieke activiteiten, met een totale oppervlakte van ca. 30.000 m, hoofdzakelijk verdeeld over drie niveau’s met afzonderlijke toegangen in de omringende straten. Het onderste niveau, grotendeels ondergronds met diensttoegang in Terarken, omvat de drie concertzalen met hun bijlokalen, in parallelle opstelling, onderling verbonden door vestibules, gangen en twee kleinere conferentiezalen. Zuidelijke helft ingenomen door de grote concertzaal die de volledige hoogte van het gebouw beslaat, omringd door hellende vlakken en met trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. op vierkante plattegrond aan noordzijde. Het middenniveau, met toegang aan de Ravensteinstraat, omvat de hoofdinkom en -vestibule enerzijds leidend naar de concertzaal, anderzijds geopend naar de zaal voor Beeldhouwkunst (huidige animatiehal). Hierop sluit ten oosten de zaal voor Toegepaste Kunst (huidig Filmmuseum) aan, met afzonderlijke toegang aan de Baron Hortastraat. Het bovenste niveau, met toegang aan de Koningsstraat, omvat de tentoonstellingszalen verdeeld over een zestal onderling verbonden suites, ten dele gegroepeerd rondom de vides van de zaal voor Beeldhouwkunst en de grote concertzaal. Onder meer de zalen voor MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. Kunst, de Grote GalerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden., de rotonde aan de Ravensteinstraat, en de zalen voor kunstkringen rond de inkomrotonde aan de Koningsstraat.
Terreinomstandigheden en hoogtebeperking lieten niet toe een gebouw te ontwerpen met een evenwichtig symmetrisch assenstelsel noch een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gevelpartij, zelfs de inkom werd ondergeschikt gemaakt aan de erfdienstbaarheid van de winkels. De gunstige inplanting tussen boven- en benedenstad pasten dan weer in het stedenbouwkundige denken dat Horta, sinds zijn aanstelling tot architect van het Centraal Station, ontwikkeld had, en dat zijn latere loopbaan zou blijven beheersen. Hoofdbekommernis was het rationeel economisch inpassen van het gewenste programma in het beschikbare volume, waarbij Horta optimaal de diepte benutte. Dit resulteerde in een vooruitstrevende toepassing van de vrije-planopvatting, bepalend voor de continuïteit van het gebouw, wat onder meer tot uiting komt in de logische overgang tussen de verschillende onderdelen van het complex via een doordacht circulatiesysteem, en de polyvalente inzetbaarheid en variabele opdeling van de tentoonstellingscircuits. Doorslaggevend hierin is het vernieuwend gebruik van gewapend beton, onder meer geïllustreerd door de grote concertzaal met ovoïde vorm, uitgekiende akoestiek en hellende vlakken. Strakke vormgeving, voor het gevelfront vertaald in een geometrische ornamentiek volgens symmetrische schema’s en met geaccentueerd reliëf, waarvan de samenstellende delen werden ontleend aan het klassieke vormenarsenaal. Sober, uitgezuiverd interieur, waarvan de esthetiek in hoge mate berust op perspectieven, constructie- schema’s en materiaaleigenheid enerzijds, bescheiden decoratieve toetsen en een verzorgde detailafwerking anderzijds. Enige belangrijke bouwwerk uit de late periode van de architect, afgezien van het postuum gerealiseerde Centraal Station. Stijl te beschouwen als voorloper van de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”)., met classicerende inslag, gekleurd door de persoonlijke stempel van Victor Horta. In het recente verleden onterecht bekritiseerd omwille van de vermeende academische strekking.
Langgerekt gevelfront, centraal gemarkeerd door een hoekrotonde, uiterst rechts door een vierkante hoektoren. ParementGevel- of muurbekleding. van hardsteen met groot blokverband en verzorgde modenatuur. Bescheiden gebruik van graniet voor vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. omlijstingen en borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van de bovenverdieping, gepolijst in de hoekrotonde. Geleed in twee horizontale registersVensterstrook in een topgevel. met geaccentueerde bel-etage, bekroond door een hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.; krachtige verticale travee-indeling. Door zware postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. geflankeerde hoekrotonde van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), eertijds in symmetrie met deze van de tegenoverliggende, heden verdwenen gebouwen van de Generale Maatschappij. Licht gewelfde poorten, geflankeerd door affichagepanelen en kleine venstertjes. Op de bovenverdieping smalle drielichtvensters, geritmeerd door gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. onder klassiek entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Golvend balkon met zware postamenten/consoles en ijzeren borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met repeterend patroon. Zijvleugels met respectievelijk zeven en negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met modulair repeterende opbouw. Vooruitspringende benedenbouw met vitrines en bekronende blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., tussen doorgetrokken postenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust.. Gedrukte entresol als sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. van de bel-etage, laatst genoemde geritmeerd door ingediepte penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. en gelede rechthoekige vensternissen met drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. en gesloten borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Vrij vlakke hoektoren van één bij één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met Koninklijke Toegang en massieve balkons op de bovenverdieping. Doorlopende bekroning met zware tandlijst, kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en attiekbalustradeMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering., gesloten aan zijde Baron Hortastraat, boven rotonde en hoektoren, opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met ijzeren hekken en bekroond door gestileerde vazen aan zijde Ravensteinstraat. Metalen vleugeldeuren en ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met strak geometrische roedenverdeling, voorzien van gemarmerd glas en glas-in-lood. Hoger oplopende gevelpartij met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag, als overgang naar het aanpalende Herenhuis Errera ter hoogte van de trappenpartij van de Baron Hortastraat. Drieledige hardstenen benedenbouw met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren.; bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. bovenverdieping met rechthoekige lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). en klassiek entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Gevelpartij aan Terarken, gelegen tegenover het Ravensteinhof en om die reden uitgevoerd in bak- en hardsteenlagen. Geopend door veellichten, met bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte. ter hoogte van het Koninklijk Salon.
Sober interieur met vlak gestucteModelleerbare, snel hardende massa van gips, kalk en zand; in gepolijste vorm ter vervanging van marmer. wanden, bevloering in marmer, keperparket of granito/linoleum, en eenvormig houtwerk. De oorspronkelijke kleurstelling ging bij opeenvolgende opfrisbeurten verloren. Bepaalde onderdelen ondergingen grondiger wijzigingen.
Tentoonstellingszalen. Zaal voor Beeldhouwkunst: vijfbeukige hal over twee verdiepingen, overkluisd door een beglaasd gewelf met geknikte betonspanten. Heringericht tot animatiehal naar ontwerp van architect L. Baucher in 1969-1971, met inbreng van een demonteerbaar metalen trappenpodium en galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Via een brede trappenpartij verbonden met de suite van drie zalen voor MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. Kunst en op de bovenverdieping geflankeerd door de Grote GalerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Deze en alle overige tentoonstellingszalen zijn onderling verbonden en afsluitbaar via schuifdeuren; zij worden verlicht door beglaasde bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden., heden echter grotendeels gedicht, en waren van bij oorsprong voorzien van kunstlicht voor nocturnes. MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. rotonde, oorspronkelijk opgevat als tearoom: omringd door halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt., met gebogen trappen aan weerszij van de inkom, markante zoldering en kroonluchter.
Concertzalen. Grote concertzaal, heden zogenaamd “Zaal Henry Le Bœuf”, met ovoïde vorm, oorspronkelijk met een capaciteit van 2.200 toeschouwers. Parterre, stalles en drie rangen - balkon, loges en galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. -; centrale Koninklijke Loge. Drieledig uitgehold gewelf, ondersteund door tweemaal vijf dwarsbalken op gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.; decoratief opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. en beglaasde middenpartij. Groot concertorgel door de firma J. Stevens (Duffel). Heringericht door architecten E. de Felici en R. Delers in 1976. Brede omringende wandelgangen met hellende vlakken. Koninklijk Salon op het niveau van het balkon. Zaal voor Kamermuziek, heden zogenaamd “Zaal M”, oorspronkelijk met een capaciteit van 625 toeschouwers, verdeeld over parterre, balkon en typische zijloges, onder een geknikte casementenzoldering. Grondig verbouwd door het architectenbureau H. Gilson in 1987-1988. Idem voor de kleine “Zaal voor Recitals”, heden zogenaamd “Studio”, oorspronkelijk met een capaciteit van 200 toeschouwers.
Monument Henry Le Bœuf, met bronzen genius door V. Rousseau van 1936, in de vestibule. Monument Victor Horta, met buste door A. Wansart onthuld in 1950, in het foyer van de grote concertzaal. Filmmuseum, ondergebracht in de vroegere zaal voor Toegepaste Kunst, hiertoe volledig heringericht door architecten C. Brodzki en C. Hannoset in 1962-1967.
Aanzet tot de bouw van het Paleis voor Schone Kunsten gegeven in 1919, onder impuls van toenmalig Minister van Openbare Werken E. Anseele en senator E. Vinck. Opdracht toevertrouwd aan Victor Horta, wiens ontwerp werd verkozen boven dat van hoofdarchitect van de Burgerlijke Gebouwen G. Hano. Project in 1920 om budgettaire redenen door de Senaat verworpen. Oprichting van de v.z.w. Société du Palais des Beaux-Arts in 1922, onder impuls van burgemeester Adolphe Max en de bankier en muziekliefhebber Henry Le Bœuf, voor de bouw - met participatie van de Stad Brussel en de Belgische Staat - en exploitatie van het Paleis. Project opnieuw toegewezen aan Horta, die rekening diende te houden met een complex programma, ongunstige terreinomstandigheden, twee erfdienstbaarheden en een strikt gelimiteerd budget. Ontwerp nog tijdens de bouw vervolledigd en op belangrijke punten gewijzigd en bijgesteld. Aanbesteding en inrichting van de werf in 1922, aanvang van de werken begin 1923, inhuldiging van het tentoonstellingscomplex in 1928, van de grote concertzaal in 1929.
Terrein van ca. 1 ha, omgord enerzijds door de schoormuren van Paleizenplein, voormalig Rekenhof (Koningsplein nr. 11- 12) en Herenhuis Errera (Koningsstraat nr. 14), anderzijds door het viaduct van de Ravensteinstraat en het trappencomplex van de Baron Hortastraat, oorspronkelijk met sterk verval. Eertijds bevonden zich hier onder meer het voormalige Terarkengodshuis, het huis David II Teniers en het plateau van de “Grote Gulden Hof”. Aangetroffen resten van een verdedigingstoren van de eerste stadsomwalling (11e-13e eeuw) werden behouden. De enorme afgravingswerken werden om stabiliteitsredenen gelijktijdig met de opbouw van het betonskelet in verticale segmenten uitgevoerd. De uiteindelijke indeling van het complex werd in hoge mate bepaald door de hoogtebeperking opgelegd door de geldende erfdienstbaarheid van het Paleizenplein, waarvan het panorama diende te worden gevrijwaard. Een tweede erfdienstbaarheid gold de inplanting van winkels aan de Ravensteinstraat. Constructie met gebruik van een skelet van gewapend beton met baksteenvulling, onder een beglaasde stalen dakstructuur, het geheel gefundeerd op betonnen heipalen (type Robur) onderling verbonden door sloffen. De oorspronkelijk geplande staalconstructie voor de grote concertzaal werd tijdens de bouw op advies van aannemer A. Blaton vervangen door een betonconstructie.
Het complex herbergt een geheel van lokalen voor uiteenlopende artistieke activiteiten, met een totale oppervlakte van ca. 30.000 m, hoofdzakelijk verdeeld over drie niveau’s met afzonderlijke toegangen in de omringende straten. Het onderste niveau, grotendeels ondergronds met diensttoegang in Terarken, omvat de drie concertzalen met hun bijlokalen, in parallelle opstelling, onderling verbonden door vestibules, gangen en twee kleinere conferentiezalen. Zuidelijke helft ingenomen door de grote concertzaal die de volledige hoogte van het gebouw beslaat, omringd door hellende vlakken en met trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. op vierkante plattegrond aan noordzijde. Het middenniveau, met toegang aan de Ravensteinstraat, omvat de hoofdinkom en -vestibule enerzijds leidend naar de concertzaal, anderzijds geopend naar de zaal voor Beeldhouwkunst (huidige animatiehal). Hierop sluit ten oosten de zaal voor Toegepaste Kunst (huidig Filmmuseum) aan, met afzonderlijke toegang aan de Baron Hortastraat. Het bovenste niveau, met toegang aan de Koningsstraat, omvat de tentoonstellingszalen verdeeld over een zestal onderling verbonden suites, ten dele gegroepeerd rondom de vides van de zaal voor Beeldhouwkunst en de grote concertzaal. Onder meer de zalen voor MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. Kunst, de Grote GalerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden., de rotonde aan de Ravensteinstraat, en de zalen voor kunstkringen rond de inkomrotonde aan de Koningsstraat.
Terreinomstandigheden en hoogtebeperking lieten niet toe een gebouw te ontwerpen met een evenwichtig symmetrisch assenstelsel noch een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gevelpartij, zelfs de inkom werd ondergeschikt gemaakt aan de erfdienstbaarheid van de winkels. De gunstige inplanting tussen boven- en benedenstad pasten dan weer in het stedenbouwkundige denken dat Horta, sinds zijn aanstelling tot architect van het Centraal Station, ontwikkeld had, en dat zijn latere loopbaan zou blijven beheersen. Hoofdbekommernis was het rationeel economisch inpassen van het gewenste programma in het beschikbare volume, waarbij Horta optimaal de diepte benutte. Dit resulteerde in een vooruitstrevende toepassing van de vrije-planopvatting, bepalend voor de continuïteit van het gebouw, wat onder meer tot uiting komt in de logische overgang tussen de verschillende onderdelen van het complex via een doordacht circulatiesysteem, en de polyvalente inzetbaarheid en variabele opdeling van de tentoonstellingscircuits. Doorslaggevend hierin is het vernieuwend gebruik van gewapend beton, onder meer geïllustreerd door de grote concertzaal met ovoïde vorm, uitgekiende akoestiek en hellende vlakken. Strakke vormgeving, voor het gevelfront vertaald in een geometrische ornamentiek volgens symmetrische schema’s en met geaccentueerd reliëf, waarvan de samenstellende delen werden ontleend aan het klassieke vormenarsenaal. Sober, uitgezuiverd interieur, waarvan de esthetiek in hoge mate berust op perspectieven, constructie- schema’s en materiaaleigenheid enerzijds, bescheiden decoratieve toetsen en een verzorgde detailafwerking anderzijds. Enige belangrijke bouwwerk uit de late periode van de architect, afgezien van het postuum gerealiseerde Centraal Station. Stijl te beschouwen als voorloper van de art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”)., met classicerende inslag, gekleurd door de persoonlijke stempel van Victor Horta. In het recente verleden onterecht bekritiseerd omwille van de vermeende academische strekking.
Langgerekt gevelfront, centraal gemarkeerd door een hoekrotonde, uiterst rechts door een vierkante hoektoren. ParementGevel- of muurbekleding. van hardsteen met groot blokverband en verzorgde modenatuur. Bescheiden gebruik van graniet voor vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. omlijstingen en borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van de bovenverdieping, gepolijst in de hoekrotonde. Geleed in twee horizontale registersVensterstrook in een topgevel. met geaccentueerde bel-etage, bekroond door een hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.; krachtige verticale travee-indeling. Door zware postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. geflankeerde hoekrotonde van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), eertijds in symmetrie met deze van de tegenoverliggende, heden verdwenen gebouwen van de Generale Maatschappij. Licht gewelfde poorten, geflankeerd door affichagepanelen en kleine venstertjes. Op de bovenverdieping smalle drielichtvensters, geritmeerd door gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. onder klassiek entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Golvend balkon met zware postamenten/consoles en ijzeren borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met repeterend patroon. Zijvleugels met respectievelijk zeven en negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met modulair repeterende opbouw. Vooruitspringende benedenbouw met vitrines en bekronende blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., tussen doorgetrokken postenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust.. Gedrukte entresol als sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. van de bel-etage, laatst genoemde geritmeerd door ingediepte penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. en gelede rechthoekige vensternissen met drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. en gesloten borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Vrij vlakke hoektoren van één bij één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met Koninklijke Toegang en massieve balkons op de bovenverdieping. Doorlopende bekroning met zware tandlijst, kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en attiekbalustradeMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering., gesloten aan zijde Baron Hortastraat, boven rotonde en hoektoren, opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met ijzeren hekken en bekroond door gestileerde vazen aan zijde Ravensteinstraat. Metalen vleugeldeuren en ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met strak geometrische roedenverdeling, voorzien van gemarmerd glas en glas-in-lood. Hoger oplopende gevelpartij met classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. inslag, als overgang naar het aanpalende Herenhuis Errera ter hoogte van de trappenpartij van de Baron Hortastraat. Drieledige hardstenen benedenbouw met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren.; bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. bovenverdieping met rechthoekige lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). en klassiek entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Gevelpartij aan Terarken, gelegen tegenover het Ravensteinhof en om die reden uitgevoerd in bak- en hardsteenlagen. Geopend door veellichten, met bow-windowErker (afk. Engels, van bow: buiging, en window: venster) die door haar gebogen vorm integrerend deel uitmaakt van de gevel en de achterliggende ruimte. ter hoogte van het Koninklijk Salon.
Sober interieur met vlak gestucteModelleerbare, snel hardende massa van gips, kalk en zand; in gepolijste vorm ter vervanging van marmer. wanden, bevloering in marmer, keperparket of granito/linoleum, en eenvormig houtwerk. De oorspronkelijke kleurstelling ging bij opeenvolgende opfrisbeurten verloren. Bepaalde onderdelen ondergingen grondiger wijzigingen.
Tentoonstellingszalen. Zaal voor Beeldhouwkunst: vijfbeukige hal over twee verdiepingen, overkluisd door een beglaasd gewelf met geknikte betonspanten. Heringericht tot animatiehal naar ontwerp van architect L. Baucher in 1969-1971, met inbreng van een demonteerbaar metalen trappenpodium en galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Via een brede trappenpartij verbonden met de suite van drie zalen voor MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. Kunst en op de bovenverdieping geflankeerd door de Grote GalerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.. Deze en alle overige tentoonstellingszalen zijn onderling verbonden en afsluitbaar via schuifdeuren; zij worden verlicht door beglaasde bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden., heden echter grotendeels gedicht, en waren van bij oorsprong voorzien van kunstlicht voor nocturnes. MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. rotonde, oorspronkelijk opgevat als tearoom: omringd door halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt., met gebogen trappen aan weerszij van de inkom, markante zoldering en kroonluchter.
Concertzalen. Grote concertzaal, heden zogenaamd “Zaal Henry Le Bœuf”, met ovoïde vorm, oorspronkelijk met een capaciteit van 2.200 toeschouwers. Parterre, stalles en drie rangen - balkon, loges en galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. -; centrale Koninklijke Loge. Drieledig uitgehold gewelf, ondersteund door tweemaal vijf dwarsbalken op gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.; decoratief opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. en beglaasde middenpartij. Groot concertorgel door de firma J. Stevens (Duffel). Heringericht door architecten E. de Felici en R. Delers in 1976. Brede omringende wandelgangen met hellende vlakken. Koninklijk Salon op het niveau van het balkon. Zaal voor Kamermuziek, heden zogenaamd “Zaal M”, oorspronkelijk met een capaciteit van 625 toeschouwers, verdeeld over parterre, balkon en typische zijloges, onder een geknikte casementenzoldering. Grondig verbouwd door het architectenbureau H. Gilson in 1987-1988. Idem voor de kleine “Zaal voor Recitals”, heden zogenaamd “Studio”, oorspronkelijk met een capaciteit van 200 toeschouwers.
Monument Henry Le Bœuf, met bronzen genius door V. Rousseau van 1936, in de vestibule. Monument Victor Horta, met buste door A. Wansart onthuld in 1950, in het foyer van de grote concertzaal. Filmmuseum, ondergebracht in de vroegere zaal voor Toegepaste Kunst, hiertoe volledig heringericht door architecten C. Brodzki en C. Hannoset in 1962-1967.
Bronnen
Archieven
SAB, NPP, 71.
Publicaties en studies
DULIERE C., Victor Horta, Mémoires, Brussel, 1985, pp. 230-277.
HORTA V., Le Palais des Beaux-Arts du point de vue architectural (Cahiers de Belgique, 1928, juni, pp. 17-52).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid
















