Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalig klooster en Instituut van de Orde van Onze-Lieve-Vrouw-van Zeven-Smarten
Philomènestraat 37, 39-41-43
Typologie(ën)
weeshuis
kapel
school
Ontwerper(s)
C. fils ALMAIN (-DE HASE) – architect – 1871
STRUYVEN – architect – 1903
DANKELMAN – architect – 1903
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Complex bestaande uit verschillende gebouwen opgetrokken vanaf het midden van de 19e eeuw en in de loop van de 20e eeuw herhaaldelijk verbouwd.
Geschiedenis
Ten laatste in 1862 vestigde zich een kloostergemeenschap in een neoclassicistischVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. herenhuis inspringend t.o.v. de straat (A), gebouwd midden 19e eeuw. Het gaat om het huidige nr. 33 Josaphatstraat (zie dit nummer), gelegen op Sint-Joost-ten-Node, op de grens met grondgebied Schaarbeek. In 1871 liet de kloostergemeenschap aan de straat een L-vormige voorbouw met portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). (B) bouwen, rond een binnenplaats (n.o.v. architect C. ALMAIN zoon). Rond 1886 werd aan de Philomènestraat een weeshuis gevestigd in twee gebouwen, het ene haaks op de straat (C) en het andere evenwijdig aan de straat (D) – de huidige nr. 37 en 39 – die wellicht in het derde kwart van de 19e eeuw waren gebouwd. Tussen 1889 en 1903 lieten de religieuzen een kapel in neoromaanseDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. stijl bouwen (E), rechts van nr. 33 Josaphatstraat, die een bestaand gebouw verving. In 1903 vervingen de architecten Struyven en Dankelman een ander bouwwerk door een gebouw in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl (F) op de hoek met de Josaphatstraat en de Philomènestraat (nr. 43), bestemd voor de infirmerie. Het gebouw werd door een omheiningsmuur langs een binnenplaats verlengd. Tot minstens in 1910 was in het complex een weeshuis ondergebracht, daarna werd het een instituut voor meisjes. In 1933 voerde architect C. Van Der Meer verbouwingen uit op nr. 37 en 39 (C en D): hij renoveerde de straatgevels, wijzigde het interieur op nr. 39 en verbond de twee gebouwen door een volume van twee bouwlagen (G) gevolgd door een blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muur (H). In 1951 werd volume G met twee bouwlagen verhoogd. Tot slot werd in 1956 een hoog volume, blindZonder opening; blind venster, schijnopening. op de verdiepingen (I), links van nr. 39 gebouwd, ten koste van de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) ervan, met een toegang (nr. 41) in de omheiningsmuur die het hoekgebouw verlengde (n.o.v. architecten Gillis en Soukin). De schoolinstelling, toen het Institut Notre-Dame, sloot haar deuren in 1999. In het complex zijn thans verscheidene vzw's gevestigd.
Beschrijving
Op nr. 37 Philomènestraat (C), gebouw, haaks op de straat, van vier bouwlagen onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde., wellicht gebouwd in het derde kwart van de 19e eeuw. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevel aan het binnenplein van acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Straatgevel blindZonder opening; blind venster, schijnopening. op de verdiepingen, in 1933 bekleed met bakstenen en similiBepleistering ter imitatie van natuursteen.. Buitentrap van latere datum tegen de achtergevel. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen.
Op nr. 39 Philomènestraat (D), gebouw met klaslokalen van vier bouwlagen, evenwijdig aan de straat, wellicht gebouwd tijdens het derde kwart van de 19e eeuw. Straatgevel van oorspronkelijk zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de eerste verwijderd in 1956, gevolgd door een achtste, de bredere toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht.. TraveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geflankeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. BlindeZonder opening; blind venster, schijnopening. benedenverdieping. Gevel opnieuw bekleed met baksteen en similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. in 1933. Op de toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht., deur onder veelhoekige boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden., geflankeerd door kleine getraliede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en bekroond door een nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld., allemaal met dezelfde vorm. In de nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. staat een Mariabeeld, met erboven het opschrift “ECOLE PAROISSIALE DE SAINTE MARIE”. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. achtergevel geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... vervangen, behalve de deur en het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. van de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. ernaast.
Binnen, trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. in art-decostijl; trap met volle geometrische leuningen in bruin en zwart granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd. en treden in wit granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd..
Rechts van het gebouw, volume uit 1933 (G), verhoogd in 1951, en blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. muur (H) waarin later een inrijpoort werd aangebracht.
Op nr. 43 Philomènestraat (F), hoekgebouw uit 1903 (n.o.v. architecten Struyven en Dankelman). OpstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van vier bouwlagen, de eerste als onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen., met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan elke straat, elk gevat in een arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., verbonden door een hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw.. Bakstenen gevel met elementen in geelkleurige baksteen en hardsteen. De meeste muuropeningen onder lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. en ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Aan de Philomènestraat, deur op de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. gewijzigd in 1956 (n.o.v. architecten Gillis en Soukin). Verdiepingen oorspronkelijk blindZonder opening; blind venster, schijnopening.; de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. werden wellicht in 1937 geplaatst (n.o.v. architect C. Vandermeer).
Op de benedenverdieping aan de Josaphatstraat, geschilderd opschrift “ECOLE PAROISSIALE - Ste Marie –”. BoogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. op het entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles.. Oude kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Doorlopende dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. van latere datum. RaamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen.
Op de achtergevel, bijgebouw van latere datum, gevolgd door een omheiningsmuur.
Binnen, oorspronkelijk een structuur met gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. zuiltjes. Overdekte speelplaats gepland op de benedenverdieping, infirmerie van de religieuzen op de eerste verdieping en van de leerlingen op de tweede.
Tussen nr. 33 Josaphatstraat en nr. 43 Philomènestraat (E), kapel in neoromaanseDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. stijl, gebouwd tussen 1899 en 1903. Langwerpig gebouw met puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. en zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Tegen de noordgevel aangebouwd, vierkant traptorentje onder een tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. dat een klokkentoren vormt.
Bakstenen puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met elementen in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. en hardsteen. Symmetrische opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van drie bouwlagen, met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) in de eerste twee. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met zuilvormige stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust., onder timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog.. In de eerste twee bouwlagen, per twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., in de eerste bouwlaag getralied, in de tweede gevat in eenzelfde boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. en met timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. verbonden door een kleinere derde. Op de topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt., drie blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., het centrale met twee registersVensterstrook in een topgevel.. De laterale oculiKlein rond, ovaal of polygonaal venster. zijn eveneens blindZonder opening; blind venster, schijnopening.. TimpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. in de tweede en derde bouwlaag versierd met een sgraffitoSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). met bloemendecor, in de derde bouwlaag sterk beschadigd. Geveltop bekroond door een kruis. RaamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met glas-in-loodramen overwegend bewaard.
Op de gootmuren, drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.. Glas-in-loodramen met diverse heiligen, waaronder Maria met Kind.
Bepleisterd torentje. KroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). bewaard, met zaagtandmotief. Houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met galmbord en dakstoelMeestal driehoekig samenstel van dragende onderdelen van een kap, in één vlak, haaks op het dakvlak en veelal opgebouwd uit één of meerdere elementen op elkaar (kapgebinten). op uitgesnedenVerdiept aanbrengen, beitelen,… consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Kruisvormige makelaarUitstekende versiering op de nok van een dak in de vorm van een decoratieve metalen, terracotta of houten bol of stang (makelaar)..
Bronnen
Archieven
GAS/DS 214-37, 214-39-41-43.
Tijdschriften
MERTENS, A., ROZEZ, “Philomène (rue)”, Annuaire du Commerce et de l'Industrie de Belgique, Province de Brabant, Bruxelles et sa banlieue, Brussel, Établissements généraux d'imprimerie, 1887, 1903.
MERTENS, A., ROZEZ, “Josaphat (rue)”, Annuaire du Commerce et de l'Industrie de Belgique, Province de Brabant, Bruxelles et sa banlieue, Brussel, Établissements généraux d'imprimerie, 1862, 1868, 1890, 1904.
Kaarten / plannen
POPP, P. C., Atlas du Royaume de Belgique, plan parcellaire de la commune de Schaerbeek, ca. 1858.
BESME, V., Plan parcellaire des environs de Bruxelles, Saint-Josse-ten-Noode et Schaerbeek, 1867.
Plan de la commune de Schaerbeek 1876, Nationaal Geografisch Instituut.
Bruxelles et ses environs, Militair Cartografisch Instituut, 1881.
Bruxelles et ses environs, Militair Cartografisch Instituut, 1893.
Plan de la commune de Schaerbeek 1899.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid














Chaussée de Haecht, 70' class='thumb'>