Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
- Het monumentale erfgoed van België. Vorst (DPC-DCE - 2014-2020)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Driebeukige
kerk in neogotische stijl met hogere middenbeuk, koor, kleine hoektoren,
dwarsbeuken en bijgebouwen, gebouwd in 2 fasen, waarvan het eerste deel langs
het koor in 1907 volgens plannen
van ingenieur-architect Henry Vaes en architect Paul Saintenoy en het tweede
deel – omwille van financiële redenen – pas decennia later in 1949-1953 en volgens
gewijzigde plannen van architect De Bauwer.
Geschiedenis
Reeds vanaf het midden van
de 19de eeuw bestond aan het kruispunt van de Brusselse steenweg en
de Roose straet (huidige
Steenbeukstraat) een kapel gewijd aan Sint-Antonius. De boeren die in de buurt
woonden hielden een jaarlijks feest met processie ter ere van Sint-Antonius,
die hun vee diende te beschermen tegen epidemieën.
De snelle verstedelijking
van de Zuidwijk op het einde van de 19de eeuw en de bijhorende
bevolkingstoename leiden in 1897 tot de creatie van een nieuwe parochie die de
bestaande heilige in ere hield: de Sint-Antonius van Paduaparochie. De grenzen
van de parochie bevinden zich tussen de Zenne en het park van Vorst enerzijds,
en het Grondwetplein en de Sint-Denijsstraat anderzijds.
Een noodkapel wordt gebouwd
in de de Mérodestraat 225-227 (zie de Mérodestraat 225-227) die reeds snel te
klein wordt bevonden. Twee jaar na de oprichting van de kapel beslist de
gemeenteraad van Vorst om een financiële bijdrage te leveren aan de nieuwe
parochie. Ze stelt de landmeter Ph. Cattoir aan om een nieuw stedenbouwkundig
project uit te tekenen waarbij de definitieve kerk aan een voorplein wordt
gebouwd en omgeven wordt door nieuwe straten. Zo wordt een algemeen perspectief
gecreëerd op het religieus gebouw en krijgt de kerk een centrale plaats in de
nieuwe parochie. Het plan wordt goedgekeurd volgens K.B. van 06.05.1899.
Het ontwerp van de kerk
wordt in 1902 getekend door de ingenieur-architect Henri Vaes (1876-1945) en de
architect Paul Saintenoy (1862-1952). De Kerkfabriek keurt de plannen goed op
16.04.1905 en in 1907 wordt de eerste steen gelegd. De bouwwerken starten aan
de oostzijde van het gebouw maar worden omwille van financiële redenen
stopgezet. Enkel het koor, de dwarsbeuken en de vier eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van de midden-
en zijbeuken worden gebouwd. Een tijdelijk westportaal met groot driedelig
maaswerk dient de kerk af te sluiten. De oorspronkelijke plannen van Vaes en
Saintenoy worden niet volledig gerespecteerd: zo worden in de bijgebouwen de
dakvensters met driehoeksfronton en pinakelsSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje. vereenvoudigd en hebben de
maaswerken in de middenbeuk één groot spitsboogvormig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. in plaats van de
twee smalle spitsboogvensters bekroond door een oculusvenster.
De afwerking van de kerk
blijkt te kostelijk en daarom stelt de kerkfabriek in 1941 een nieuwe architect
aan om de oorspronkelijke bouwplannen te wijzigen. Architect De Bauwer maakt
deze plannen op en uiteindelijk wordt het religieus gebouw tussen 1949 en 1953
afgewerkt. De bouwwerken worden deels gefinancierd door de wijnhandelaar
Cinzano die de kelders van de kerk zal gebruiken als reserves voor zijn waren.
De keldervensters in dit deel van het gebouw verraden dit gebruik. In plaats
van de twee laatste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) die het bestaande gebouw dienden te verlengen
voorziet De Bauwer een lager gebouw bestaande uit twee topgevelsHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt. en langs de
westzijde een brede ingangspoort.
Beschrijving
Plattegrond
Basilicaal plan met middenbeuk van vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geflankeerd door lagere
zijbeuk en dwarsbeuk, langs de oostzijde rechthoekig koor met bijgebouwen waarin
een sacristie. Kleine hoektoren aan de noordoostelijke zijde. Later gebouwd
volume met lagere narthex van één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee zijkapellen uitgevend op
driezijdige apsis.
Buitenzijde
Gevels in bruinrood- en
roodgekleurde bakstenen met elementen in hardsteen. De hoofdgevel bestaat uit
drie delen: een centraal deel geflankeerd door twee zijbeuken. Het centrale
deel wordt bekroond door een puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. waarin drie smalle spitsboogvensters met
maaswerk gevat in één omlijsting met onderaan het beeld van de Heilige Antonius
van Padua, geheel bekroond door een klein oculusvenster en een kruis. Op de
benedenverdieping, massief inkomportaal onder luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak., door rechthoekige
pilasters ingedeeld in drie delen.
Zijgevels met enkel-of
veelvuldige spitsboogvensters gescheiden door steunberen. Getrapte tandlijst in
hoofdgestel zijbeuken, boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. in middenbeuk. Kleine zijkapellen in de
narthex. Bijgebouw van twee bouwlagen langs de zuidelijke zijgevel voorzien van
tweelichten en dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Langs de noordelijke zijgevel dwarsbeuk onder
puntgevel.
Interieur
Hoofd- en zijbeuken voorzien van kruisribgewelven en geritmeerd door
spitsboogvormige arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. op kolommen met veelzijdige kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.. Meest oostelijk
kolom met kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. voorzien van acanthusbladeren. Kolommen in blauwe steen,
muren geschilderd met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. en vloer in zwart-witte tegels die samen
ruitmotieven vormen. Koor voorzien van muurschilderingen met onder andere de
voorstelling van het kind Jezus in de stal en de Annunciatie. Doopkapel in de
narthex met doopvont in zwarte marmer en tweede zijkapel gewijd aan
Sint-Antonius van Padua.
Bronnen
Archieven
AGV/ OW dossier 52, K.B. 06.05.1899.
Archief VIOE, Bulletin van de
Koninklijke Commissie van kunst en archeologie. Sint-Antonius van Paduakerk in
Vorst, plannen, 1902.
Bulletin van de Koninklijke Commissie
van kunst en archeologie, XLV (1906), p. 67; L (1911), pp. 26, 27.
BSE, Documentatiecentrum Monumenten en Landschappen, Koninklijke Commissie Monumenten en Landschappen, correspondentiemateriaal
Sint-Antonius van Paduakerk.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., Fotorepertorium van
het meubilair van de Belgische bedehuizen. Provincie Brabant, Kanton Ukkel, KIKIRPA, 1979, p. 13.
HUSTACHE A., Forest,
CFC-Éditions, Brussel, 2001 (coll. Guide des communes de la Région bruxelloise),
pp. 42-43.
VERNIERS, L., Histoire de Forest Lez
Bruxelles, A. De Boeck, Brussel, 1949, p. 263.
KIKIRPA,
Kerk Sint-Antonius van Padua, voorgevel, 1970, clichénummer M059281.
Tijdschriften
«La mosquée bruxelloise comme projet», Bulletin de Clara, 2, 2014, pp. 43, 44, 58-63.
Website
http://archiwebture.citechaillot.fr/fonds/FRAPN02_BAH46/inventaire/objet-25183
http://balat.kikirpa.be/photo.php?path=M059281&objnr=20005655&lang=fr-FR&nr=1
https://terrainsdarchitecture.wordpress.com/2012/12/12/les-elevations-de-leglise-saint-antoine-quatre-photos-asservies/