Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalig Instituut voor Sociologie (huidige Solvaybibliotheek)
Belliardstraat 137-137a
Leopoldpark
Typologie(ën)
bibliotheek
Ontwerper(s)
Henri VANDEVELD – architect – 1901-1902
Constant BOSMANS – architect – 1901-1902
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Oost (Apeb - 2006-2009)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
Om het onderzoek en het onderwijs van de economische en sociale wetenschappen aan te moedigen, stichtte Ernest Solvay, in samenwerking met zijn vriend Emile Waxweiler, in 1901 het Instituut voor Sociologie. Het werd samen met de Handelsschool in het Leopoldpark gebouwd. Tijdens deze tweede bouwgolf van de Stad van de Wetenschap van de ULB vroeg E.Solvay aan de geassocieerde architecten C. Bosmans en H. Vandeveld, die al vaker in opdracht van de industrieel hadden gewerkt, deze twee instituten te ontwerpen. In 1901 werd een terrein door de Stad Brussel gegund aan E. Solvay voor een duur van vijfentwintig jaar; daarna werden het gebouw en het meubilair eigendom van stad (SAB, Bulletin Communal, 1901, I, pp. 716-718). Dit luxueuze instituut werd in 1902 ingehuldigd en bood onderzoekers een bijzonder rustig kader dat het onderzoek stimuleerde.

Tijdens het interbellum bleven het Instituut voor Sociologie en de Handelsschool in het Leopoldpark aanwezig, in tegenstelling tot de andere instituten, die naar de Solbosch verhuisden. Toch besliste de ULB in 1967 om ook het Instituut voor Sociologie naar de Solbosch-campus over te brengen. Tot in 1981 was de universiteitsuitgeverij van de ULB in het oude gebouw gevestigd. In 1981 kwam het instituut leeg te staan en verkommerde het; in 1988 werd het in zijn geheel beschermd als historisch monument. In 1991 werd een erfpacht van 99 jaar afgesloten tussen de Stad Brussel, eigenares, en de GOMB (Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest). In 1993-1994 werd het gebouw zorgvuldig gerestaureerd door architectuurbureau Deleuze, Metzger & Associés. Tot slot werd in 2000 werd een gebruiksovereenkomst gesloten tussen de GOMB en de beheersmaatschappij Edificio (voormalig Huis van Europa). In het gebouw worden allerhande evenementen georganiseerd, zoals conferenties, diners, recepties …
Beschrijving
Het voormalige Instituut voor Sociologie lag in het midden van het park, niet ver van het Instituut voor Fysiologie en, vooral, dicht bij de Handelsschool.
Het gebouw heeft een basiliekvorm: het bestaat uit een hoofdbeuk – een soort schip dat de volledige hoogte inneemt en van lateraal en zenitaal wordt verlicht – aangevuld met een voorbouw, zijbeuken met studiekamers en zalen van twee bouwlagen die de achterzijde afsluiten. Het dak van het hoofdvolume heeft twee hellingen, terwijl dat van de “zijbeuken” plat is. Een van de zijvleugels wordt voorafgegaan door een breed halfrond bekroond door een terras met zicht op de lager gelegen vijver.
Het gebouw is minder avant-gardistisch dan de oudere instituten voor fysiologie, hygiëne en anatomie. Het is volledig in witsteen opgetrokken, en de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. zijn in traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. metselwerk gevat. Toch heeft het dak een metalen geraamte. De bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. die de grote hoofdzaal overspannen, rusten op metalen elementen die in de galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. op de verdieping beginnen, en niet op traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. manier op een sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in metselwerk.
De toegangsgevel oogt als een portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). en heeft een eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). en elegante compositie in bewerkte Euvillesteen. Het middendeel heeft drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van twee bouwlagen onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. en wordt ingesloten door vierkante torentjes bekroond door een tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met pinakelSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje.. De ingang is versierd met de cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. “Institut de Sociologie”. De gevel met het halfrond aan de zijde van de vijver is drie bouwlagen hoog en is versierd met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. bekroond door een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. en een uitspringende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. De andere zijgevel is een zuilenrij die op de benedenverdieping een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. vormt.
![Belliardstraat 137-137A, Voormalig Instituut voor Sociologie (huidige Solvaybibliotheek), plannen, [i]L’Émulation[/i], 1904, pl. 6.](/medias/500/buildings/10415009_0137_W03.jpg)
Interieur. De vestibule met mozaïekvloer wordt bekroond door drie koepelsBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis. op pendentief. Ze wordt van de leeszaal gescheiden door een portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. met drie rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.. De grote leeszaal, het belangrijkste element van het gebouw, neemt de volledige hoogte in en wordt overspannen door een steekboogvormig metalen gebinte met caissons en een gemaroufleerd decor. De zaal wordt afgeboord door leeskamers, met op de verdieping een wandelgang. Ze wordt verlicht door brede lateralen en zenitale muuropeningen.
De decoratie is bijzonder verzorgd en gemaakt van kostbare materialen: mozaïek van marmer, glas-in-loodramen, ebbenhout en acajou, geschilderde decors, kunstsmeedwerk, gemaroufleerde doeken, bibliotheken over de hele lengte van de muren…
Bronnen
Archieven
SAB/CP 24-26, mon civils I, Leopoldpark
SAB/OW 97945 (1992).
Publicaties en studies
Atelier
d’Architecture Deleuze, Metzger & Associés, Aperçu d’une restauration 1993-1994, Brussel, 1994.
BRAUMAN, A., DEMANET, M., Le Parc Léopold
1850-1950. Le zoo, la cité scientifique et la ville, Brussel, AAM, 1985.
CROMBOIS J.-F., LAMBOTTE G., L’Institut
de Sociologie Solvay. Histoire, architecture, restauration, Institut de
sociologie – Université Libre de Bruxelles, 1994.
L’Institut de sociologie Solvay.
Histoire, Architecture, Restauration, Instituut voor Sociologie, Brussel,
1994.
Tijdschriften
DESPY-MEYER, A., DEVRIESE, D., “Paul Héger, maître d’œuvre des instituts
d’enseignement et de recherche en sciences médicales voulus par Ernest Solvay à
Bruxelles (1891-1895)”, in VAN LUNTHEREN, F.-H., PALM, L.-C., VAN PAEMEL, G.,
“De toga om de wetenschap. Ontwikkelingen in
het hoger onderwijs in de geneeskunde, natuurwetenschappen en techniek in België
en Nederland (1850-1940)”, in Themanummer
van Gewina, XVI, 1993, nr. 3, pp. 90-103.
COUVREUR,
D., “Bruxelles dans la cour des grands au Danemark. La bibliothèque Solvay
honorée par la Fondation Carlsberg”, Le
Soir, 20-20 mei 1995.
DEWALQUE, A., “Un temple pour la sociologie”, A+, nr. 135, okt-sept. 1995, pp. 32-35.
“Parc Léopold à Brussel”, Architecture
& Décoration, nr.9, 1e jaargang, 1903, pl. 41, 42.
“Solvay. La mémoire préservée”, Neuf/Nieuw, nr. 169, nov. 1994, p. 54.
VIRÉ, L., “La Cité scientifique du Parc Léopoldà Bruxelles. 1890-1920”, in Cahiers Bruxellois. Revue d’histoire urbaine, dl. XIX, 1974, pp. 86-180.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid














