Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
Victor BESME – architect, wegeninspecteur – 1866-1878
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Gillis (DMS-DML - 1997-2004)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Het gehucht Obbrussel maakte aanvankelijk deel uit van de parochie Vorst, maar kreeg in 1216 van hertog Hendrik I van Brabant en Lotharingen de toelating om een onafhankelijke parochie te worden en een eigen kerk te bouwen, met doopkapel en kerkhof. De kerk werd gewijd aan Sint-Gillis, die in Frankrijk en Lotharingen vereerd werd. De Benedictijnen van het klooster van Vorst behielden echter het prerogatief over de benoeming van de pastoor. Het kerkhof lag naast de kerk, die naar het oosten gericht was en een toegang in het zuiden had. De oorspronkelijke dorpskern van Obbrussel ontwikkelde zich rond deze kerk. De inwoners sloopten de kerk in 1578 om te verhinderen dat ze gebruikt zou worden door de Spaanse belegeraars van Brussel.
De bouw van een tweede kerk, op de plaats van de eerste, startte in 1595. Het koor werd ingewijd in 1600 maar het gebouw werd pas in 1756 voltooid met de overkapping van het schip (op een chronogram aan de koortoegang stond: “tanDeM noVa eCCLesIa”, met de datum “MDCCLVI”). De kerk liep enige schade op bij het bombardement van Brussel in 1695. Ze werd vergroot en kreeg een nieuwe toren in 1823. De iconografie lijkt te bevestigen dat deze kerk dezelfde oriëntatie had als de vorige.
Omdat ze niet meer beantwoordde aan de behoeften van een steeds groeiende bevolking, werd de kerk in 1866 gesloopt om plaats te maken voor een grotere. Victor Besme, wegopzichter van de buitenwijken van Brussel en trouw raadgever van Leopold II voor de verfraaiing van Brussel, tekende de plannen vanaf 1862. Hij wijzigde de ligging: het koor zou voortaan naar het westen gericht zijn en de kerk kwam dichter bij de Fortstraat te staan.
In 1866 werden de werken toegewezen aan aannemer A. Braive voor een budget van 370.000 frank. Men begon met de bouw van het koor, het transept en slechts een deel van de middenbeuk. Ten gevolge van een geschil tussen de architect en de kerkfabriek werden de werken eind 1867 stopgezet en pas in 1875 hervat. Uiteindelijk werd de kerk in 1878 voltooid en werd ze plechtig ingewijd op 12.04.1880.
Het nieuwe eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). gebouw is geïnspireerd op de romaanse11de eeuw – 13e eeuw. De Romaanse architectuur ontstond in een periode van relatieve politieke stabiliteit na de invasies en onrusten van de vroege middeleeuwen. Ze ontwikkelde zich tegelijkertijd in Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje, van waaruit ze zich over heel Europa verspreidde. De stijl putte inspiratie uit de Karolingische en Ottomaanse architectuur, die op hun beurt hun vormentaal baseerden op Romeinse en Byzantijnse voorbeelden. De Romaanse stijl kan beschouwd worden als de eerste grote kunststijl van het middeleeuwse Europa. Haar opkomst en verspreiding waren het resultaat van intensieve culturele uitwisselingen en religieuze dynamiek, met name vanuit het kloosterleven en de pelgrimsroutes. Ze werd vooral toegepast op religieuze architectuur, zoals kathedralen, kerken en kloosters. Kenmerkend voor Romaanse cultusgebouwen zijn massieve stenen muren met kleine rondboogvormige muuropeningen en rijkelijk gedecoreerde muurschilderingen. Decoratieve elementen maken veelvuldig gebruik van rondbogen, terugkerend in portalen, friezen, nissen en lisenen. Overdekking gebeurt doorgaans met een vlak houten gewelf, en minder vaak met stenen ton-, kruis- of koepelgewelven. Het grondplan is meestal een Latijns kruis met zijbeuken, en onder het koor bevindt zich vaak een crypte, bedoeld als begraafplaats of voor de bewaring van relieken. In Brussel zijn nauwelijks Romaanse kerken in hun oorspronkelijke toestand bewaard gebleven. De meeste cultusgebouwen zijn door de eeuwen heen vergroot, gemoderniseerd of gerestaureerd, waardoor vandaag slechts fragmentarische delen van deze eerste, historische fase van de bouwgeschiedenis zichtbaar zijn. bouwkunst en de laat-gotiek.
De basilicale kruiskerk bestaat uit een klokkentorenportaal geflankeerd door twee zijkapellen, gevolgd door middenschip van vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) tussen twee zijbeuken. Het transept valt op door haar vrij korte apsidiale armen. Het koor telt twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), eindigt in een apsis en wordt geflankeerd door twee apsidiolen. Middenbeuk, transept en koor tellen twee bouwlagen, terwijl zijbeuken, transeptapsiden en apsidiolen slecht over één bouwlaag beschikken.
Hoofdgevel met toren en haar twee laterale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) volledig in Savonnières, rest van gebouw in baksteen met hier en daar wit- en hardstenen elementen. Hoofdgevel weerspiegelt drieledige opbouw van beuken. Centraal bekroond door imposante vierkante klokkentoren onder torenspits. Gedeeltelijk opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. schoormuur corrigeert hoogteverschil tussen zijbeuken en middenbeuk/toren. Centraal inspringend rondboogportaal op zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.; gebeeldhouwd timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. met taferelen uit leven van Sint-Gillis; grote vleugeldeur aan zware hengselsSmeedijzeren beslag waarmee deuren, ramen of luiken worden opgehangen.. Groot rondboogvenster boven portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). verlicht middenbeuk; maaswerk met o.a. groots rozetRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood.. Aan weerszijden van portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met maaswerk samengesteld uit biforaTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. Dit venstertype vormt één van de leidmotieven van het gebouw en vindt men terug in alle gevels. Hoofdgevel verlevendigd met terugkerende elementen zoals getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. klimmende boogfriezenReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen., versneden steunberen, opgewerkte pinakelsSlanke beëindiging in de vorm van een gotisch torentje., rondstaafprofielen, teerling- en knoppenkapitelen, vierpassen,…
Torenspits aan basis benadrukt door driehoekige frontonsDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met uurwerken, in 1894 gerealiseerd door Mechels huis Ed. Michiels-Moermans en Zoon, in 2002 door hetzelfde huis gerestaureerd. Torenspits bekleed met leien en bekroond door kunstig bewerkt smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… kruis.
Transeptarmen eindigen in puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met grote klimmende boogfriezenReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen..
Tegen volledige achterzijde van kerk smal en lager volume van twee bouwlagen onder lessenaardak; herbergt sacristie en vormt overgang tussen ronde vormen van koorafsluiting en apsissen en rechte rooilijn van straten. In verlengde van koor deur tot sacristie onder biforaTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. en puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met kruis in Savonnières. Gevel naar Oude Mannenstraat met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en vensteromlijstingen en tussenstijl in Savonnières. Gevel in Sint-Gilliskerkstraat met brede erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. toegevoegd door arch. Raphaël Verwilghen, 1928.
Interieur. Ruimte overspannen met spitsbooggewelven met geprofileerde ribben. Rondboogarcades die beuken van elkaar scheiden ondersteund door bundelpijlersSamengestelde pijler bezet met (half)zuilen, pijlers of pilasters die bogen uit verschillende richtingen opvangt. (bestaande uit vier halfzuilen). Triforium uit drie- of viervoudige arcaden, sommige blindZonder opening; blind venster, schijnopening.. KapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. versierd met van elkaar verschillende gepleisterde plantenmotieven. Metalen kapconstructie. Meubilair. Pastoor Aertssens, parochiepriester van 1885 tot 1911, verfraaide bij zijn aankomst de schaars bemeubelde kerk met altaren, vier eiken biechtstoelen (1890), eiken preekstoel met zes standbeelden die vier evangelisten, Sint-Paulus en Sint-Petrus voorstellen (1890), koorstoelen (M. Daems, Turnhout, 1885) en communiebank evenals verschillende glas-in-loodramen (zie hieronder); hij voorzag kerk ook van elektrische verlichting. Hoofdaltaar in neoromaanseDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. stijl, wit marmer met versieringen en koperen beeldjes, 1880.
In 1961 werd vloer van koorruimte tussen koorhek en hoofdaltaar op dezelfde hoogte gebracht als rest van het koor (arch. Simon Brigode). Altaar met retabel en koorstoelen weggehaald en opnieuw geïnstalleerd in kerk van Nethen (Duitsland). Nieuw Mazy-marmeren altaar in koor. Oorspronkelijke tegelvloer daarbij vervangen door grote leisteentegels.
Kapel van Maagd Maria en kapel gewijd aan Sint-Gillis bevinden zich in de apsidiolen, resp. links en rechts van koor; uitgerust met wit marmeren en koperen altaren in neoromaanseDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. stijl, resp. van 1897 en 1890.
Schildering. In 1882 werden binnenmuren eerste keer gewit. In 1893 kregen wanden van koor en transept nieuwe verflaag in drie tinten. Schilder Arthur Van Gramberen herschilderde volledige kerk in 1923 volgens richtlijnen van kanunnik Simons, parochiepriester. Koor en transept werden toen versierd met engelen en heiligen. In 1959 werd interieur gedeeltelijk bedekt met parelgrijze verf, voor kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. en basis van pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) werd hardsteenkleur gebruikt en gewelven werden strogeel geschilderd. Tijdens recente restauratie kregen meeste muren uniforme verflaag. Momenteel is vrijmaking van polychromie van 1923 gepland voor koor en twee zijkapellen evenals voor timpanenMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. van transeptarmen.
Orgel. Plaatsing van twee romantische orgels, uitgevoerd door bouwers J. Billion en H. Van de Loo uit Wezemael, 1883. Kast is werk van beeldhouwer Janssens uit Sint-Truiden, volgens plannen van Mertens; houten beeld van koning David omringd door musicerende engelen domineert. Orgels in 1956-1957 gerestaureerd en van elektriciteit voorzien door orgelbouwer M. Delmotte uit Doornik.
Glasramen. Glasramen van koor uitgevoerd door H. Dobbelaere, 1880. Voorstellingen in midden: l. Sint-Gillis, Sint-Barbara en Sint-Franciscus van Sales en r. Sint-Jozef, Sint-Elizabeth en Sint-Johannes-de-Doper, patroonheiligen van familie Berckmans, schenkers van glasramen van koor. Andere twee glasramen van koor stellen twaalf apostelen voor. Overige glasramen uitgevoerd door J. Dobbelaere tussen 1904 en 1923; medaillonsRonde of ovale cartouche. met taferelen uit leven van Maagd Maria in l. transept en taferelen uit leven van Jezus in r. transept. Voorstelling van glasramen in l. zijbeuk, vanaf transept: opstanding van Lazarus, Jezus bedaart storm over meer, vermenigvuldiging van brood, Goede Herder en, op gevel, Heilig Hart dat aan Marguerite-Marie Alacoque verschijnt. Voorstelling glasramen in r. zijbeuk, vanaf transept: Jezus overhandigt apostel Petrus sleutelsSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. van hemelrijk, terugkeer van verloren zoon, bergrede, Jezus zegent kinderen, Heilige Maagd omringd door heiligen uit hemel. Andere glasramen hebben gestileerde plantenmotieven die soms liturgische symbolen omringen. Hoge venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. van middenbeuk bestaan uit spel van licht gekleurd glas-in-lood. In 1938 werden zijvensters van klokkentorenportaal ook in lood gezet. Alle glasramen opnieuw in lood gezet in 1958.
Klokken. Toren herbergde verschillende klokken uitgevoerd door A. en Ch. Van Aerschodt uit Leuven, 1877. Twee werden verwijderd tijdens WO II. Na oorlog leverde huis Michiels uit Mechelen twee nieuwe klokken.
In 1991 werd kerk om veiligheidsredenen gesloten. Van 1997 tot nu restauratie in verschillende fasen door arch. A. Dupont en J.L. Vanden Eynde 1997-1999: daken en kappen, stucwerkModelleerbare, snel hardende massa van gips, kalk en zand; in gepolijste vorm ter vervanging van marmer. en bepleisteringen; 2000: gevels en glasramen, vernieuwing van elektrische installaties; gestart in 2000: schilderwerken binnen.
Beschermd volgens Besluit van Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16.03.1995.
Bronnen
Archieven van de kerkfabriek.
Publicaties en studies
BERNAERTS, A., Histoire de la paroisse de Saint-Gilles-lez-Bruxelles, éd. De Visscher, Brussel, 1954.
BERNIER, F., Monographie de Saint-Gilles-lez-Bruxelles, P. Weissenbruch, Brussel, 1904.
COEKELBERGHS, D., JANSSENS, W., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Sint-Gillis, KIK, Brussel, 1979, p. 14.
Inventaire exhaustif des orgues en région bruxelloise, La Renaissance de l'Orgue, Brussel, 1992, p. 125.
KEMPENEERS, J., Histoire d'Obbrussel-Saint-Gilles, Brussel, 1962, pp. 73-90.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid



![Kerk van de Pères du Saint-Sacrement [Paters van het Heilig Sacrament]](https://monument.heritage.brussels/medias/66/buildings/10503160_0203_P01.jpg)






