Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Hotel de Knuyt de Vosmaer
Congresstraat 33-33a
Onderrichtsstraat 97
Drukpersstraat 1-3
Typologie(ën)
herenhuis
kantoorgebouw
kantoorgebouw
Ontwerper(s)
Joseph NAERT – architect – 1878-1879
Arthur VERHELLE – architect – 1926
Charles VERHELLE – architect – 1926
Stijlen
Neo-Vlaamse renaissance
Art deco
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van koloniale sporen (DPC-DCE 2024-2025)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 33381
Beschrijving
Congresstraat 33-33A.
Voormalig Herenhuis de Knuyt de Vosmaer. Indrukwekkend hoekgebouw in neo-Vlaamse-renaissancestijl, waarvoor ontwerpen van architect Joseph Naert van 1878-1879, en gemeenschappelijke bouwaanvraag met belendende gevels aan Drukpersstraat (zie aldaar nr. 5) en Onderrichtsstraat (zie aldaar nr. 93-95).
In 1881 werd het hotel gekocht door de industrieel Édouard Louis Joseph Empain (Beloeil, 1852 - Sint-Pieters-Woluwe, 1929), die er zijn woning en bank vestigde. In de daaropvolgende decennia werden verschillende naburige gebouwen verbouwd en bijgebouwd om er bedrijven in onder te brengen die verbonden waren aan de E.L.J. Empain Bank, later omgedoopt tot Industriële Bank van België. Dit was een van de eerste holdings ter wereld. É. Empain maakte vooral fortuin in lokaal transport en ontwikkelde tramlijnen in België, Frankrijk, Spanje, Egypte, China en Rusland. Hij zat achter de bouw van de Parijse metro en creëerde ook de wijk Heliopolis in Caïro.
In 1902 vroeg Léopold II aan É. Empain om een uitgebreid spoorwegnetwerk in Congo op te zetten. Empain richtte de Chemins de Fer du Congo supérieur aux Grands Lacs africains (CFL) op. Tijdens het eerste kwart van de 20e eeuw werd de aanleg van ongeveer 1700 kilometer spoor-, rivier- en wegennet, gefinancierd door CFL, uitgevoerd door dwangarbeiders. De werkomstandigheden waren verschrikkelijk en de menselijke tolHangende elementen aan de klossen van een kroonlijst. onder de Congolezen was erg hoog.
De sterren op de voorkant van het hotel herinneren aan de activiteiten van Empain in Congo. De stad Kindu in Congo kreeg ter ere van hem de naam Port-Empain. Als erkenning voor zijn bijdrage aan de Congolese zaak en de economische ontwikkeling van het land, gaf de Koning in 1907 de adellijke titel van Baron aan Édouard Empain. De Empain-groep blijft mijnen, bossen en gewassen exploiteren op de 40.000 vierkante kilometer staatsgrond die Leopold II heeft afgestaan in ruil voor de investering in CFL.
Drie bouwlagen en respectievelijk drie + vijf + drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder gebogen mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Symmetrisch opgebouwde, picturaal behandelde en rijk gedecoreerde gevels in combinatie van bak-, natuur- en hardsteen.
Hoofdgevel met middenrisaliet doorlopend in torenvormig dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met vierkante portiekbekroning, verfraaid door Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., gebroken en driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., wapenschild van de Knuyt de Vosmaer. Driekwartronde hoektorentjes in overstek: per registerVensterstrook in een topgevel. versierde colonnettenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en slanke rondbooglichten onder sterk uitkragende kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., boven de met ijzeren hek afgelijnde kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). uitgroeiend tot een soort van overkoepelde lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. naar renaissancepatroon.
Zijgevels met hoekrisalieten, extra gemarkeerd door fraai uitgevoerde loggia’s onder balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en bovenvenster met driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., uitlopend in dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. onder bolvormig dak. Voorts ordonnerende composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met geblokte basementen; getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. en rondbogige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder booglijst met siersluitsteen en imposten; afzonderlijke balusterbalkons op bewerkte consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief..
Omlopend hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden., versierd friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op tandlijst en modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. DakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. verbonden door balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met siervazen. Het ontwerp voorzag een centraal verhoogde bedaking met fraai overdekt dakterras.
Op binnenplaats (ook toegankelijk via Drukpersstraat nr. 9), ter plaatse van de vroegere stallingen en aanhorigheden, volgens bouwaanvraag van 1926 oprichting van een ruim gebouw met garage en burelen naar ontwerp van architecten A. en Ch. Verhelle. Art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). getinte voorgevel van drie bouwlagen en totaal zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) brede lagere aanbouw links en torenvormige aanbouw rechts. Baksteenbouw met verwerking van natuur-, simili- en hardsteen. Ritmerende lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). waartussen geknikte en boogvormige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Bijzonder fraai interieur.
Voormalig Herenhuis de Knuyt de Vosmaer. Indrukwekkend hoekgebouw in neo-Vlaamse-renaissancestijl, waarvoor ontwerpen van architect Joseph Naert van 1878-1879, en gemeenschappelijke bouwaanvraag met belendende gevels aan Drukpersstraat (zie aldaar nr. 5) en Onderrichtsstraat (zie aldaar nr. 93-95).
In 1881 werd het hotel gekocht door de industrieel Édouard Louis Joseph Empain (Beloeil, 1852 - Sint-Pieters-Woluwe, 1929), die er zijn woning en bank vestigde. In de daaropvolgende decennia werden verschillende naburige gebouwen verbouwd en bijgebouwd om er bedrijven in onder te brengen die verbonden waren aan de E.L.J. Empain Bank, later omgedoopt tot Industriële Bank van België. Dit was een van de eerste holdings ter wereld. É. Empain maakte vooral fortuin in lokaal transport en ontwikkelde tramlijnen in België, Frankrijk, Spanje, Egypte, China en Rusland. Hij zat achter de bouw van de Parijse metro en creëerde ook de wijk Heliopolis in Caïro.
In 1902 vroeg Léopold II aan É. Empain om een uitgebreid spoorwegnetwerk in Congo op te zetten. Empain richtte de Chemins de Fer du Congo supérieur aux Grands Lacs africains (CFL) op. Tijdens het eerste kwart van de 20e eeuw werd de aanleg van ongeveer 1700 kilometer spoor-, rivier- en wegennet, gefinancierd door CFL, uitgevoerd door dwangarbeiders. De werkomstandigheden waren verschrikkelijk en de menselijke tolHangende elementen aan de klossen van een kroonlijst. onder de Congolezen was erg hoog.
De sterren op de voorkant van het hotel herinneren aan de activiteiten van Empain in Congo. De stad Kindu in Congo kreeg ter ere van hem de naam Port-Empain. Als erkenning voor zijn bijdrage aan de Congolese zaak en de economische ontwikkeling van het land, gaf de Koning in 1907 de adellijke titel van Baron aan Édouard Empain. De Empain-groep blijft mijnen, bossen en gewassen exploiteren op de 40.000 vierkante kilometer staatsgrond die Leopold II heeft afgestaan in ruil voor de investering in CFL.
Drie bouwlagen en respectievelijk drie + vijf + drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder gebogen mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Symmetrisch opgebouwde, picturaal behandelde en rijk gedecoreerde gevels in combinatie van bak-, natuur- en hardsteen.
Hoofdgevel met middenrisaliet doorlopend in torenvormig dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met vierkante portiekbekroning, verfraaid door Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., gebroken en driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., wapenschild van de Knuyt de Vosmaer. Driekwartronde hoektorentjes in overstek: per registerVensterstrook in een topgevel. versierde colonnettenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en slanke rondbooglichten onder sterk uitkragende kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., boven de met ijzeren hek afgelijnde kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). uitgroeiend tot een soort van overkoepelde lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. naar renaissancepatroon.
Zijgevels met hoekrisalieten, extra gemarkeerd door fraai uitgevoerde loggia’s onder balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en bovenvenster met driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., uitlopend in dakvensterUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. onder bolvormig dak. Voorts ordonnerende composiete pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met geblokte basementen; getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. en rondbogige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder booglijst met siersluitsteen en imposten; afzonderlijke balusterbalkons op bewerkte consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief..
Omlopend hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden., versierd friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op tandlijst en modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst.. DakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. met gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. verbonden door balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met siervazen. Het ontwerp voorzag een centraal verhoogde bedaking met fraai overdekt dakterras.
Op binnenplaats (ook toegankelijk via Drukpersstraat nr. 9), ter plaatse van de vroegere stallingen en aanhorigheden, volgens bouwaanvraag van 1926 oprichting van een ruim gebouw met garage en burelen naar ontwerp van architecten A. en Ch. Verhelle. Art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). getinte voorgevel van drie bouwlagen en totaal zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) brede lagere aanbouw links en torenvormige aanbouw rechts. Baksteenbouw met verwerking van natuur-, simili- en hardsteen. Ritmerende lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries). waartussen geknikte en boogvormige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Bijzonder fraai interieur.
Op gelijkvloerse verdieping ruime inkomhal met marmeren wand- en
vloerbekleding, ritmerende ingediepte en geblokte pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. onder gebogen
frontonbekroning, bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. tonoverwelving met gordelbogen centraal
onderbroken door graatgewelf, sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met beelden en deur met fraai
smeedijzerwerk.
Imposant trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.: muurbekleding van marmer en onyx, gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met vergulde basementen en lijstkapitelen; sierlijke marmeren eretrap met balusterleuning, leidend naar bovenverdieping. Stucplafond met casement omgeven door beschildering met allegorische taferelen. Diepe nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met bronzen beeld voorstellende “Le Dénicheur d’aigles”. Zijhal met rondboogarcade op gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. natuurstenen zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met composiete kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.. Voorts talrijke glasramen onder meer met voorstelling van Theresia van Avilla, H. Jacobus, paus Gregorius, diverse wapenschilden.
Haardkamer met houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in neorenaissancestijl. Houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in neo-Lodewijk XV-stijl en marmeren schouw met rocailleversiering in raadzaal.
Merkwaardige kleine traphal volledig met hout gelambriseerd, in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl; rijk bewerkte, door loof- en rankwerkVersiering bestaande uit een buigzame, slingerende tak, versierd met lofwerk. opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. trapleuning, sierlijke verbindende colonnettenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en met saterfiguur verlevendigde trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap.; deuren onder kruisbloemafwerking.
Imposant trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht.: muurbekleding van marmer en onyx, gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met vergulde basementen en lijstkapitelen; sierlijke marmeren eretrap met balusterleuning, leidend naar bovenverdieping. Stucplafond met casement omgeven door beschildering met allegorische taferelen. Diepe nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met bronzen beeld voorstellende “Le Dénicheur d’aigles”. Zijhal met rondboogarcade op gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. natuurstenen zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met composiete kapitelenKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen.. Voorts talrijke glasramen onder meer met voorstelling van Theresia van Avilla, H. Jacobus, paus Gregorius, diverse wapenschilden.
Haardkamer met houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in neorenaissancestijl. Houten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in neo-Lodewijk XV-stijl en marmeren schouw met rocailleversiering in raadzaal.
Merkwaardige kleine traphal volledig met hout gelambriseerd, in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl; rijk bewerkte, door loof- en rankwerkVersiering bestaande uit een buigzame, slingerende tak, versierd met lofwerk. opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. trapleuning, sierlijke verbindende colonnettenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en met saterfiguur verlevendigde trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap.; deuren onder kruisbloemafwerking.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 1348 (1878-1879), 32943 (1926).
Publicaties en studies
VANDAMME, T., Beyond Belgium : the business empire of Edouard Empain in the First Global Economy (1880-1914), doctoraatsthesis in geschiedenis, Gent, Ghent University, 2020, p.219.
BUELENS, F., Congo 1885-1960. Een financieel-economische geschiedenis, Berchem, EPO, 2007.
MARCHAL, J., Travail forcé pour le rail, Borgloon, Paula Bellings, 2000.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid





























