Typologie(ën)

school
kapel

Ontwerper(s)

Émar COLLÈSarchitect1906

Edmond SERNEELSarchitect1925

René THÉRYarchitect1911

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Neo-Vlaamse renaissance
Eclectisme
Neogotiek

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2011-2013

id

Urban : 21496
lees meer

Beschrijving

Schoolinstelling in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met invloed van Vlaamse renaissanceeind 15de eeuw – begin 17de eeuw De Vlaamse-Renaissance is een regionale stijl die zich ontwikkelde in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de periode van de Habsburgse Nederlanden. Ze ontstond in een tijd van economische voorspoed en artistieke vernieuwing en combineert de traditionele middeleeuwse architectuur met vernieuwende elementen uit de Italiaanse Renaissance. De stijl wordt enerzijds gekenmerkt door constructies in lokale bak- en zandsteen, vaak voorzien van trapgevels, kruisvensters en speklagen. Anderzijds is er een rijk Italiaans decoratief repertoire met frontonbekroningen, arabesken, zuilen en pilasters. De Vlaamse-Renaissance is vooral bekend om zijn imposante stadhuizen in verschillende Vlaamse steden, met dat van Antwerpen, gebouwd tussen 1561 en 1564 door Cornelis Floris De Vriendt als schoolvoorbeeld. In Brussel zijn slechts enkele gebouwen uit deze periode bewaard gebleven. Het gaat voornamelijk om residentiële gebouwen in het centrum, opgericht in opdracht van het hof, de adel en de hoge burgerij. Veel van deze gebouwen zijn echter onderhevig geweest aan ingrijpende renovaties of reconstructies. In de tweede helft van de 19e eeuw beleefde de Vlaamse-Renaissancestijl in Brussel een heropleving als neostijl, waarbij verwezen werd naar het gouden tijdperk van de Vlaamse kunst en handel in de 17e eeuw (zie Neo-Vlaamse renaissance)., n.o.v. Émar Collès, 1906.

Geschiedenis
De school werd opgericht door de geestelijken van Saint-André kort na de stichting van de parochie Sint-Philippus Neri in 1902, waar een jaar later de eerste noodkerk werd gebouwd, op de hoek met de Wedrenlaan en de Kongolaan (zie: Institut Saint Philippe Néri, Boondaalsesteenweg nr. 216 tot 224-224b-224c, n.o.v. architect René Théry, 1909-1911).

Renbaanlaan 180, Institut Saint-André, 1920 (Verzameling Dexia Bank-ARB-BHG).

Het gebouw werd in 1905-1906 opgetrokken op een terrein dat zich uitstrekt tussen de Renbaanlaan, palend aan de tramremise (zie nr. 158-178), en de Boondaalsesteenweg (nr. 277). De plannen werden toevertrouwd aan architect Émar Collès en de werken werden in 1906 aangevat. In oktober van datzelfde jaar werd het gemengde externaat geopend. Het aantal leerlingen nam snel toe en in 1911 lieten de geestelijken een kapel in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl bouwen waarvan de plannen ditmaal door architect René Théry werden uitgevoerd.
Tussen 1925 en de vroege jaren 1960 werd de instelling verscheidene malen uitgebreid in de richting van de Generaal Jacqueslaan – ze omvat het huis gelegen op nr. 72 en de tuinen van verscheidene gebouwen tussen nr. 72 en 100.
In 1969 werd het internaat gesloten en werden de kamers tot klaslokalen verbouwd.

Beschrijving
Renbaanlaan nr. 180.
Achter de rooilijn, gebouw gevormd door twee rechthoekige vleugels in L-vorm. De hoofdvleugel ligt parallel aan de laan. Drie bouwlagen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken..
Aan de straatkant, gevel van de hoofdvleugel in baksteen, met elementen in witsteen en hardsteen. Aan de uiteinden, twee voorbouwen: links met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), rechts met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. In het midden, vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de centrale met de toegangsdeur. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op de benedenverdieping, rechthoekig en onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. op de eerste verdieping, tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder boogveldEen vlak omsloten door de binnenbegrenzing van een boog en de horizontale lijn die de aanzetten verbindt; meestal boven muuropeningen en soms versierd (beeldhouwwerk, blinde traceringen, cementtegels, …). op de tweede. Ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. in fleur de lis. Kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met dak. RaamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen.
Gevel achter een privézone (aanvankelijk als tuin aangelegd), afgesloten door ijzeren hekwerk op een klein bakstenen muurtje en dito pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met hardstenen elementen.

Aan de binnenplaats, gevel van de hoofdvleugel met zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van ongelijke breedte, met rondbogige muuropeningen op de benedenverdieping, rechthoekige op de verdiepingen en steekboogvormige op de laatste verdieping.

De tweede rechthoekige vleugel, die op de binnenplaats uitgeeft, heeft eveneens drie bouwlagen. Gevel in identieke materialen als die van de gevels van de hoofdvleugel. Tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. (benedenverdieping en tweede verdieping) en rechthoekig (eerste verdieping).

In het verlengde hiervan, klein gebouw dat de verbinding verzekert met de neogotische kapel (1911). Schip met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) zonder dwarsbeuk; veelhoekig koor. Bakstenen gevels met een afwisseling van spitsboogvensters en steunberen. DakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..

Renbaanlaan 180, Institut Saint-André, kapel, <a href='/nl/glossary/183' class='info'>opstanden<span>Bouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur.</span></a> en doorsnede, GAE/DS 168-180 (1906).

In 1925 werden nieuwe lokalen (klas, vestiaire, speelzaal) op de binnenplaats ingericht (n.o.v. architect Edmond Serneels).

Aan de oostzijde, bijkomende vleugel in modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl, 1962 (n.o.v. architecten Paul en Stéphane Dhaeyer), gelegen binnen het gebouwenblok en aanvankelijk los van de rest van de gebouwen. Twee gevels die op een binnenplaats uitgeven (drie bouwlagen onder plat dak).

Nadien, interne herinrichting met de volledige verbouwing van de hal (n.o.v. architect René Collette, 1968), de bouw van nieuwe klaslokalen op de plaats van de refter die naar de kelderverdieping verhuisde (Atelier d'architecture De Vinci, 1971). Volledige renovatie in 1985 n.o.v. architect Emile Verhaeren: herinrichting van de lokalen (nieuwe klassen), verbinding tussen de verschillende gebouwen door middel van loopbruggen, de bouw van een overdekte speelplaats, de inrichting van een refter met geluidsisolatie in de kelderverdieping, enz. De ontwijde kapel werd volledig verbouwd: er kwam een turnzaal op de benedenverdieping, een bibliotheek en een muziekzaal op de eerste verdieping en een polyvalente zaal op de tweede.

Boondaalsesteenweg nr. 277. Bijgebouw van de school, n.o.v. architect Émar Collès, 1906, inspringend ten opzichte van de rooilijn. Drie bouwlagen en vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in baksteen met elementen in witsteen en hardsteen. Muuropeningen onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. of rechthoekig, tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. op de laatste verdieping. Inrijpoort. Ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. in fleur de lis. Kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder dak.

Binnen het gebouwenblok, extra vleugel uit 1910, n.o.v. dezelfde architect, in L gelegen ten opzichte van de vleugel uit 1906. Gevel in identieke materialen, met drie bouwlagen en vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van ongelijke breedte. Muuropeningen in de eerste twee bouwlagen onder I-balkIJzeren latei met I-profiel., de grootste op de benedenverdieping als resultaat van de wijziging van de oorspronkelijke deuren. De meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de laatste verdieping zijn gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd.. Zijgevel van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).

Bronnen

Archieven
GAE/DS 168-180; Boondaalsesteenweg: 41-277, 41-281-283, 41-281.