Typologie(ën)
kapel
Ontwerper(s)
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Schoolinstelling in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met invloed van Vlaamse renaissanceeind 15de eeuw – begin 17de eeuw
De Vlaamse-Renaissance is een
regionale stijl die zich ontwikkelde in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de
periode van de Habsburgse Nederlanden. Ze ontstond in een tijd van economische voorspoed
en artistieke vernieuwing en combineert de traditionele middeleeuwse
architectuur met vernieuwende elementen uit de Italiaanse Renaissance.
De stijl wordt enerzijds gekenmerkt door constructies in lokale bak- en
zandsteen, vaak voorzien van trapgevels, kruisvensters en speklagen. Anderzijds
is er een rijk Italiaans decoratief repertoire met frontonbekroningen,
arabesken, zuilen en pilasters. De Vlaamse-Renaissance is vooral bekend om zijn
imposante stadhuizen in verschillende Vlaamse steden, met dat van Antwerpen,
gebouwd tussen 1561 en 1564 door Cornelis Floris De Vriendt als schoolvoorbeeld.
In Brussel zijn slechts enkele gebouwen uit deze periode bewaard gebleven. Het
gaat voornamelijk om residentiële gebouwen in het centrum, opgericht in
opdracht van het hof, de adel en de hoge burgerij. Veel van deze gebouwen zijn
echter onderhevig geweest aan ingrijpende renovaties of reconstructies. In de
tweede helft van de 19e eeuw beleefde de Vlaamse-Renaissancestijl in Brussel
een heropleving als neostijl, waarbij verwezen werd naar het gouden tijdperk
van de Vlaamse kunst en handel in de 17e eeuw (zie Neo-Vlaamse renaissance)., n.o.v. Émar Collès, 1906.
Geschiedenis
De school werd opgericht door de geestelijken van Saint-André kort na de stichting van de parochie Sint-Philippus Neri in 1902, waar een jaar later de eerste noodkerk werd gebouwd, op de hoek met de Wedrenlaan en de Kongolaan (zie: Institut Saint Philippe Néri, Boondaalsesteenweg nr. 216 tot 224-224b-224c, n.o.v. architect René Théry, 1909-1911).
Het gebouw werd in 1905-1906 opgetrokken op een terrein dat zich uitstrekt tussen de Renbaanlaan, palend aan de tramremise (zie nr. 158-178), en de Boondaalsesteenweg (nr. 277). De plannen werden toevertrouwd aan architect Émar Collès en de werken werden in 1906 aangevat. In oktober van datzelfde jaar werd het gemengde externaat geopend. Het aantal leerlingen nam snel toe en in 1911 lieten de geestelijken een kapel in neogotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). stijl bouwen waarvan de plannen ditmaal door architect René Théry werden uitgevoerd.
Tussen 1925 en de vroege jaren 1960 werd de instelling verscheidene malen uitgebreid in de richting van de Generaal Jacqueslaan – ze omvat het huis gelegen op nr. 72 en de tuinen van verscheidene gebouwen tussen nr. 72 en 100.
In 1969 werd het internaat gesloten en werden de kamers tot klaslokalen verbouwd.
Beschrijving
Renbaanlaan nr. 180. Achter de rooilijn, gebouw gevormd door twee rechthoekige vleugels in L-vorm. De hoofdvleugel ligt parallel aan de laan. Drie bouwlagen onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken..
Aan de straatkant, gevel van de hoofdvleugel in baksteen, met elementen in witsteen en hardsteen. Aan de uiteinden, twee voorbouwen: links met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), rechts met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. In het midden, vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de centrale met de toegangsdeur. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op de benedenverdieping, rechthoekig en onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. op de eerste verdieping, tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder boogveldEen vlak omsloten door de binnenbegrenzing van een boog en de horizontale lijn die de aanzetten verbindt; meestal boven muuropeningen en soms versierd (beeldhouwwerk, blinde traceringen, cementtegels, …). op de tweede. Ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. in fleur de lis. Kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met dak. RaamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. vervangen.
Gevel achter een privézone (aanvankelijk als tuin aangelegd), afgesloten door ijzeren hekwerk op een klein bakstenen muurtje en dito pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met hardstenen elementen.
Aan de binnenplaats, gevel van de hoofdvleugel met zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van ongelijke breedte, met rondbogige muuropeningen op de benedenverdieping, rechthoekige op de verdiepingen en steekboogvormige op de laatste verdieping.
De tweede rechthoekige vleugel, die op de binnenplaats uitgeeft, heeft eveneens drie bouwlagen. Gevel in identieke materialen als die van de gevels van de hoofdvleugel. Tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., met dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. (benedenverdieping en tweede verdieping) en rechthoekig (eerste verdieping).
In het verlengde hiervan, klein gebouw dat de verbinding verzekert met de neogotische kapel (1911). Schip met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) zonder dwarsbeuk; veelhoekig koor. Bakstenen gevels met een afwisseling van spitsboogvensters en steunberen. DakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap..
In 1925 werden nieuwe lokalen (klas, vestiaire, speelzaal) op de binnenplaats ingericht (n.o.v. architect Edmond Serneels).
Aan de oostzijde, bijkomende vleugel in modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl, 1962 (n.o.v. architecten Paul en Stéphane Dhaeyer), gelegen binnen het gebouwenblok en aanvankelijk los van de rest van de gebouwen. Twee gevels die op een binnenplaats uitgeven (drie bouwlagen onder plat dak).
Nadien, interne herinrichting met de volledige verbouwing van de hal (n.o.v. architect René Collette, 1968), de bouw van nieuwe klaslokalen op de plaats van de refter die naar de kelderverdieping verhuisde (Atelier d'architecture De Vinci, 1971). Volledige renovatie in 1985 n.o.v. architect Emile Verhaeren: herinrichting van de lokalen (nieuwe klassen), verbinding tussen de verschillende gebouwen door middel van loopbruggen, de bouw van een overdekte speelplaats, de inrichting van een refter met geluidsisolatie in de kelderverdieping, enz. De ontwijde kapel werd volledig verbouwd: er kwam een turnzaal op de benedenverdieping, een bibliotheek en een muziekzaal op de eerste verdieping en een polyvalente zaal op de tweede.
Boondaalsesteenweg nr. 277. Bijgebouw van de school, n.o.v. architect Émar Collès, 1906, inspringend ten opzichte van de rooilijn. Drie bouwlagen en vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in baksteen met elementen in witsteen en hardsteen. Muuropeningen onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. of rechthoekig, tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. op de laatste verdieping. Inrijpoort. Ankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief. in fleur de lis. Kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder dak.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 168-180; Boondaalsesteenweg: 41-277, 41-281-283, 41-281.







































