Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
appartementsgebouw
Ontwerper(s)
H. GEERTS – architect – 1938-1939
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Art deco
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2011-2013
id
Urban : 21470
Beschrijving
Op een doorlopend perceel, klein appartementsgebouw in art-decostijl, n.o.v. architect H. Geerts, 1938-1939.
Gevels van acht bouwlagen, in bruingekleurde baksteen met elementen in (simili-)hardsteen. Ze worden gedomineerd door een gebogen gestapelde uitbouw over alle verdiepingen. In Klauwaertslaan bijzonder verzorgde portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert., versierd met een impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met groene glas-in-loodramen, geflankeerd door veelhoekige lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. op pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., alles belijnd door een band van goudkleurige keramiektegeltjes. Bewaarde opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deuren, schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... deels bewaard.
Gevels achter een achteruitbouwstrook met tuintjes die bijdragen tot het landelijkePeriode: 18e – 19e – begin 20e eeuw De landelijke architectuur verwijst naar een kenmerkende bouwwijze die voornamelijk bestaat uit boerderijen en landelijke woningen, opgetrokken tussen de 18e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Tot het midden van de 19e eeuw was dit type bebouwing wijdverspreid in de Brusselse voorsteden, die toen nog een overwegend landelijk landschap kenden. De bebouwing concentreerde zich vooral rond parochiekerken, in gehuchten, en langs de belangrijkste verkeersassen. Deze bouwwijze, die binnen de vernaculaire architectuur valt, vertoont specifieke architecturale en materiële kenmerken die getuigen van lokale grondstoffen en traditionele vakkennis. De boerderijen komen doorgaans overeen met kleinschalige landbouwbedrijven. Ze bestaan uit een rechthoekige woning, laag en zonder verdieping, die parallel of loodrecht op de weg is geplaatst. De ruimte tussen de weg en de boerderij fungeert als erf. Tot het einde van de 19e eeuw was de stal rechtstreeks verbonden met de woning en vormde zo één geheel. Bijgebouwen (schuur, berging, werkplaats, hooizolder) konden dit geheel aanvullen, afhankelijk van de middelen van de eigenaar. De vierkanthoeve is een variant van dit type, georganiseerd als een gesloten vierhoek of U-vorm rond een centrale binnenplaats. Deze binnenplaats bevatte vaak een mestput, een waterput, een drinkbak of een duiventil. Soms werd de straatzijde van de vleugel monumentaler vormgegeven met een poortgebouw. De constructietechniek maakt voornamelijk gebruik van lokale materialen: baksteen, kalkmortel, pleister en natuursteen (vooral voor sokkels en omlijstingen van openingen). De daken, rustend op een houten gebinte, zijn bedekt met riet, pannen of soms leien. De openingen zijn, indien later niet aangepast, zelden uitgelijnd en vaak van verschillende afmetingen. Sommige behouden hun oorspronkelijke houten latei. Ook zijn ijzeren muurankers zichtbaar in hoefijzer-, I- of X-vorm in de gevels en/of zijgevels. De landelijke woningen (vaak verbonden met tuinbouw) volgen een herkenbare typologie: een eenvoudig, compact bakstenen volume, een gepleisterde of geschilderde gevel, een indeling in traveeën over één niveau met attiek, en een poortdeur die toegang geeft tot een achterliggende berging. en pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. karakter van de wijk van de Vijvers. Afsluithekken bewaard.
Gevels van acht bouwlagen, in bruingekleurde baksteen met elementen in (simili-)hardsteen. Ze worden gedomineerd door een gebogen gestapelde uitbouw over alle verdiepingen. In Klauwaertslaan bijzonder verzorgde portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert., versierd met een impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met groene glas-in-loodramen, geflankeerd door veelhoekige lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten. op pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., alles belijnd door een band van goudkleurige keramiektegeltjes. Bewaarde opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. deuren, schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... deels bewaard.
Gevels achter een achteruitbouwstrook met tuintjes die bijdragen tot het landelijkePeriode: 18e – 19e – begin 20e eeuw De landelijke architectuur verwijst naar een kenmerkende bouwwijze die voornamelijk bestaat uit boerderijen en landelijke woningen, opgetrokken tussen de 18e eeuw en het begin van de 20e eeuw. Tot het midden van de 19e eeuw was dit type bebouwing wijdverspreid in de Brusselse voorsteden, die toen nog een overwegend landelijk landschap kenden. De bebouwing concentreerde zich vooral rond parochiekerken, in gehuchten, en langs de belangrijkste verkeersassen. Deze bouwwijze, die binnen de vernaculaire architectuur valt, vertoont specifieke architecturale en materiële kenmerken die getuigen van lokale grondstoffen en traditionele vakkennis. De boerderijen komen doorgaans overeen met kleinschalige landbouwbedrijven. Ze bestaan uit een rechthoekige woning, laag en zonder verdieping, die parallel of loodrecht op de weg is geplaatst. De ruimte tussen de weg en de boerderij fungeert als erf. Tot het einde van de 19e eeuw was de stal rechtstreeks verbonden met de woning en vormde zo één geheel. Bijgebouwen (schuur, berging, werkplaats, hooizolder) konden dit geheel aanvullen, afhankelijk van de middelen van de eigenaar. De vierkanthoeve is een variant van dit type, georganiseerd als een gesloten vierhoek of U-vorm rond een centrale binnenplaats. Deze binnenplaats bevatte vaak een mestput, een waterput, een drinkbak of een duiventil. Soms werd de straatzijde van de vleugel monumentaler vormgegeven met een poortgebouw. De constructietechniek maakt voornamelijk gebruik van lokale materialen: baksteen, kalkmortel, pleister en natuursteen (vooral voor sokkels en omlijstingen van openingen). De daken, rustend op een houten gebinte, zijn bedekt met riet, pannen of soms leien. De openingen zijn, indien later niet aangepast, zelden uitgelijnd en vaak van verschillende afmetingen. Sommige behouden hun oorspronkelijke houten latei. Ook zijn ijzeren muurankers zichtbaar in hoefijzer-, I- of X-vorm in de gevels en/of zijgevels. De landelijke woningen (vaak verbonden met tuinbouw) volgen een herkenbare typologie: een eenvoudig, compact bakstenen volume, een gepleisterde of geschilderde gevel, een indeling in traveeën over één niveau met attiek, en een poortdeur die toegang geeft tot een achterliggende berging. en pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. karakter van de wijk van de Vijvers. Afsluithekken bewaard.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 168-3.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid

































Avenue du Général de Gaulle' class='thumb'>
