Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalig spoorwegstation 'Statie van de Leuvenschen Steenweg'
Leuvense Steenweg 195-193a
Typologie(ën)
station
Spoorwegerfgoed
Spoorwegerfgoed
Ontwerper(s)
H. JONIAUX – ingenieur-architect – 1884
V. MAILLIET – ingenieur-architect – 1884
Stijlen
Eclectisme
Neo-Vlaamse renaissance
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Inventaris van de Industriële Architectuur (AAM - 1980-1982)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Inventaris van de stationsgebouwen in Brussel (Thierry Demey)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Joost-ten-Node (DMS-DML - 1994-1997)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
1993-1995
id
Urban : 10920
Beschrijving
Voormalig spoorwegstation in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met neobarokkeDe
Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en
1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische
architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt
de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar
vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In
tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische)
neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en
ornamentale overvloed.
In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van
verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de
bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze
burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot
stedelijke en nationale zelfverheffing bood.
De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de
gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal
staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware –
vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete
kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het
beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en
zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in
reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van
stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een
scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende
contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in
luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en
interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke
architectuur. en neo-Vlaamse renaissancekenmerken. Ontworpen in 1884 door de dienst Bruggen en Wegen van het toenmalig ministerie van Landbouw, Industrie en Openbare Werken. Gesigneerd door H. JONIAUX en V. MAILLIET. Ingehuldigd in 1885.
Gelegen op de spoorweglijn Brussel-Noord-Namen-Luxemburg. Verbindt het Noordstation met het station van de Leopoldswijk. Gebouwd op een vroeger schietstandterrein behorend tot de voormalige Prins Boudewijnkazerne van Schaarbeek. Samen met Etterbeek en Cerfontaine één van de zeldzame stations met loopbrug in België. Sinds WO I niet meer in gebruik.
Markant hoekcomplex op L-vormig grondplan, begrensd door Leuvensesteenweg in het Z., Wauwermansstraat in het O. en in het N. door Schietschijfstraat (de perrons), bestaande uit twee aanpalende gebouwen met overdekte loopbrug. Voorgevels aan Leuvensesteenweg en haakse zijgevel aan Wauwermansstraat.
Linkervleugel met woning en kantoor van de stationschef en wachtzaal derde klasse, rechtervleugel met grote inkom oorspronkelijk met lichtkoepel, wachtzaal eerste en tweede klasse, kantoor van postVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en telegrafie, bureau der ontvangsten en magazijn. De treinsporen lopen onder de linkervleugel, de twee perrons zijn bereikbaar via trappen. Rechtervleugel in 1975 gedeeltelijk verbouwd. De toegangen tot de sporen vanuit de gebouwen zijn sindsdien dichtgemaakt.
Baksteenbouw met ruime verwerking van hardsteen o.m. voor sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., horizontale banden, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., venster- en deurlijsten, lekdrempels, dekstenenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. en ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren.; gesmeed ijzeren sierankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief..

Voorzijde: linkervleugel omvat twee bouwlagen met resp. drie en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder gecombineerde bedaking (leien). Rechtervleugel omvat één bouwlaag en resp. drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) + afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. + vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder dito bedaking (roofing); op verhogende beboste sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. overeenkomstig de terreinhelling. Lijstgevels geaccentueerd door zwak risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. oplopend in getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. geveltop met barokke volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en bekroond met boogfronton en bolornament; fraai omlijst bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in top met bewerkte postenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en palmetmotief onder gebogen watelijst met gestrekte uiteinden, in rechtervleugel onderaan begrensd door tweeledige plaat met opschriften: 'Station de la chaussée de Louvain' en 'Statie van de leuvenschen steenweg' en bovenaan door oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.; lijstgevels met kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt., bakstenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. door getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. of drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met geprofileerde tussenstijlen in vlakke omlijsting en met houten raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn.; centraal in linkervleugel eiken vleugeldeur tussen geblokte pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… palmetornament en bekronend boogfronton met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. onderbroken voor bolornament op sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; in rechtervleugel, gelijkaardige, deels beglaasde deur met zijlichten sinds 1975 verbouwd tot groot rechthoekige vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. in aluminium samen met het raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. ernaast; houten, beglaasde deur in afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. in zelfde periode vervangen door deur in aluminium.
Soberder opgevatte zijgevel (Wauwermansstraat nr. 1) oorspronkelijk opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., rechthoekige vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. en twee drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. in houten raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. cf. voorgevel, houten deur en port; sinds 1975 openingen vergroot en in aluminium. Achterzijde: linkervleugel met zelfde opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. als voorzijde; op begane grond over de lengte begrensd met loopbrug over gebogen spoortunnel; oorspronkelijk onder deels beglaasde, deels zinken afdak en fraai gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. geraamte op dito rondboogarcade en zuiltjes, begrensd met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. ArcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. heden beglaasd en voorzien van een tweede, bakstenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., oorspronkelijke bedaking vervangen door roofing; galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. doorlopend aan achterzijde van rechtervleugel; aan N.-zijde afgesloten door klein bijgebouw met toiletten.

Perrons - heden verdwenen - op zelfde niveau als tunnel en bereikbaar via vierledige bordestrap aan weerszijden van de loopbrug. De smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… poort links aan de voorgevel van het station gaf eveneens toegang tot de spoorweg. Deze doorgang, de trappen, de perron evenals de loopbrug hadden oorspronkelijk een identieke overdekking en balustradeHekwerk van spijlen of balusters.; van E.G. zijn heden slechts de fraaie hardstenen kraagstenen aan de muren bewaard gebleven. Ruimten onder de trappen en latrines in de hoge muren die de perrons aan weerszijden begrenzen.
Gelegen op de spoorweglijn Brussel-Noord-Namen-Luxemburg. Verbindt het Noordstation met het station van de Leopoldswijk. Gebouwd op een vroeger schietstandterrein behorend tot de voormalige Prins Boudewijnkazerne van Schaarbeek. Samen met Etterbeek en Cerfontaine één van de zeldzame stations met loopbrug in België. Sinds WO I niet meer in gebruik.
Markant hoekcomplex op L-vormig grondplan, begrensd door Leuvensesteenweg in het Z., Wauwermansstraat in het O. en in het N. door Schietschijfstraat (de perrons), bestaande uit twee aanpalende gebouwen met overdekte loopbrug. Voorgevels aan Leuvensesteenweg en haakse zijgevel aan Wauwermansstraat.
Linkervleugel met woning en kantoor van de stationschef en wachtzaal derde klasse, rechtervleugel met grote inkom oorspronkelijk met lichtkoepel, wachtzaal eerste en tweede klasse, kantoor van postVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en telegrafie, bureau der ontvangsten en magazijn. De treinsporen lopen onder de linkervleugel, de twee perrons zijn bereikbaar via trappen. Rechtervleugel in 1975 gedeeltelijk verbouwd. De toegangen tot de sporen vanuit de gebouwen zijn sindsdien dichtgemaakt.
Baksteenbouw met ruime verwerking van hardsteen o.m. voor sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel., horizontale banden, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., venster- en deurlijsten, lekdrempels, dekstenenNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. en ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren.; gesmeed ijzeren sierankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief..
Voorzijde: linkervleugel omvat twee bouwlagen met resp. drie en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder gecombineerde bedaking (leien). Rechtervleugel omvat één bouwlaag en resp. drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) + afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. + vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder dito bedaking (roofing); op verhogende beboste sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. overeenkomstig de terreinhelling. Lijstgevels geaccentueerd door zwak risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. oplopend in getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. geveltop met barokke volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en bekroond met boogfronton en bolornament; fraai omlijst bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in top met bewerkte postenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en palmetmotief onder gebogen watelijst met gestrekte uiteinden, in rechtervleugel onderaan begrensd door tweeledige plaat met opschriften: 'Station de la chaussée de Louvain' en 'Statie van de leuvenschen steenweg' en bovenaan door oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.; lijstgevels met kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt., bakstenen consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. en opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. door getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. of drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met geprofileerde tussenstijlen in vlakke omlijsting en met houten raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn.; centraal in linkervleugel eiken vleugeldeur tussen geblokte pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… palmetornament en bekronend boogfronton met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. onderbroken voor bolornament op sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; in rechtervleugel, gelijkaardige, deels beglaasde deur met zijlichten sinds 1975 verbouwd tot groot rechthoekige vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. in aluminium samen met het raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. ernaast; houten, beglaasde deur in afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. in zelfde periode vervangen door deur in aluminium.
Soberder opgevatte zijgevel (Wauwermansstraat nr. 1) oorspronkelijk opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., rechthoekige vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. en twee drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. in houten raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. cf. voorgevel, houten deur en port; sinds 1975 openingen vergroot en in aluminium. Achterzijde: linkervleugel met zelfde opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. als voorzijde; op begane grond over de lengte begrensd met loopbrug over gebogen spoortunnel; oorspronkelijk onder deels beglaasde, deels zinken afdak en fraai gietijzerenHard, bros en niet smeedbaar ijzer; gegoten in herbruikbare mallen; meestal gebruikt voor de borstwering van balkons. geraamte op dito rondboogarcade en zuiltjes, begrensd met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. ArcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. heden beglaasd en voorzien van een tweede, bakstenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust., oorspronkelijke bedaking vervangen door roofing; galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. doorlopend aan achterzijde van rechtervleugel; aan N.-zijde afgesloten door klein bijgebouw met toiletten.
Perrons - heden verdwenen - op zelfde niveau als tunnel en bereikbaar via vierledige bordestrap aan weerszijden van de loopbrug. De smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… poort links aan de voorgevel van het station gaf eveneens toegang tot de spoorweg. Deze doorgang, de trappen, de perron evenals de loopbrug hadden oorspronkelijk een identieke overdekking en balustradeHekwerk van spijlen of balusters.; van E.G. zijn heden slechts de fraaie hardstenen kraagstenen aan de muren bewaard gebleven. Ruimten onder de trappen en latrines in de hoge muren die de perrons aan weerszijden begrenzen.
Interieur: oorspronkelijke mozaïekbevloering deels bewaard.
* Beschermd 26.09.1996.
Bronnen
Archieven
GASJ/DS/OW 16391 (1975).
Archief NMBS, plannen nrs 420001-420006.
Publicaties en studies
DEMEY, T., Les gares bruxelloises, un patrimoine méconnu, Brussel, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Monumenten en Landschappen, 1994, pp. 34-35.
GASJ/DS/OW 16391 (1975).
Archief NMBS, plannen nrs 420001-420006.
Publicaties en studies
DEMEY, T., Les gares bruxelloises, un patrimoine méconnu, Brussel, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Monumenten en Landschappen, 1994, pp. 34-35.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid









