Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
orgel
orgel
Ontwerper(s)
Julien DE RIDDER – architect – 1934-1936
INCONNU - ONBEKEND – 1755
Guido SCHUMACHER – orgelbouwer – 1985
Stijlen
Traditionalistische architectuur
Landelijke architectuur
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van de orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (DMS-DML - 2000)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Pieters-Woluwe (DMS-DML - 2002-2009, 2014)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Landschappelijk Een landschap is een gebied, zoals waargenomen door de mens, waarvan het karakter het resultaat is van ondernomen actie en interactie van natuurlijke en/of menselijke factoren. Het is een schaalbegrip bestaande uit verschillende (erfgoed)componenten, die elk, al of niet hun intrinsieke waarde hebben, maar alles samen tot een groter meerwaardegeheel verheffen én dat dit ook zo word gepercipieerd vanop een bepaalde afstand. Wijde stadspanorama’s zijn het landschap bij uitstek, denk bijvoorbeeld aan het zicht over de benedenstad van Brussel vanop het Koningsplein, maar ook op kleinere schaal kunnen dergelijke landschappen die uit verschillende componenten zijn samengesteld voorkomen.
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2003
id
Urban : 17378
Beschrijving
Kerk in traditionelePeriode: 17e-18e eeuw
In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze
tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat.
Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met
kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint,
kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een
assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken
onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel
(rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede
planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met
centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde
dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder,
gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf,
dat haaks op de straat is georiënteerd.
Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk
voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de
smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een
diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende
delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide
volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een
zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met
hoge dichtheid of langs invalswegen.
De gevel blijft trouw aan de
middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw
opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze,
zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop
van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale
varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen,
voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant
toegepast vanaf de jaren 1730–1740. (neo-romaanse) stijl, n.o.v. arch. Julien de Ridder, 1934; enkele elementen van voormalige. dorpskerk van einde XVIII geïntegreerd. Gelegen op hoek van huizenblok op perceel tussen voorplein en Félix Poelsstraat.
Geschiedenis
Oorsprong gaat terug tot middeleeuwen. Op de huidige plaats wordt sinds 1173 melding gemaakt van een kerk. Tevens het jaar waarin de bisschop van Cambrai de toenmalige kerk en haar bijgebouwen schonk aan de abdij van Vorst. De bescheiden romaanse11de eeuw – 13e eeuw. De Romaanse architectuur ontstond in een periode van relatieve politieke stabiliteit na de invasies en onrusten van de vroege middeleeuwen. Ze ontwikkelde zich tegelijkertijd in Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje, van waaruit ze zich over heel Europa verspreidde. De stijl putte inspiratie uit de Karolingische en Ottomaanse architectuur, die op hun beurt hun vormentaal baseerden op Romeinse en Byzantijnse voorbeelden. De Romaanse stijl kan beschouwd worden als de eerste grote kunststijl van het middeleeuwse Europa. Haar opkomst en verspreiding waren het resultaat van intensieve culturele uitwisselingen en religieuze dynamiek, met name vanuit het kloosterleven en de pelgrimsroutes. Ze werd vooral toegepast op religieuze architectuur, zoals kathedralen, kerken en kloosters. Kenmerkend voor Romaanse cultusgebouwen zijn massieve stenen muren met kleine rondboogvormige muuropeningen en rijkelijk gedecoreerde muurschilderingen. Decoratieve elementen maken veelvuldig gebruik van rondbogen, terugkerend in portalen, friezen, nissen en lisenen. Overdekking gebeurt doorgaans met een vlak houten gewelf, en minder vaak met stenen ton-, kruis- of koepelgewelven. Het grondplan is meestal een Latijns kruis met zijbeuken, en onder het koor bevindt zich vaak een crypte, bedoeld als begraafplaats of voor de bewaring van relieken. In Brussel zijn nauwelijks Romaanse kerken in hun oorspronkelijke toestand bewaard gebleven. De meeste cultusgebouwen zijn door de eeuwen heen vergroot, gemoderniseerd of gerestaureerd, waardoor vandaag slechts fragmentarische delen van deze eerste, historische fase van de bouwgeschiedenis zichtbaar zijn. kerk werd omgeven door een kerkhof zoals te zien op de Grondatlas van het Sint-Jansgasthuis in Brussel getekend in 1712 (AOCMWB, Kaarten en plannen, nr 341, kaart nr 23). De abdij van Vorst besloot in 1755 de toen bouwvallige kerk te vervangen door een nieuwe. Deze datum is thans nog te lezen op de naald van de deur in de toren en op een steen boven de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. van het koor. De nieuwe kerk werd in 1778 ingewijd.
Tot in 1935 behield de kerk de pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. charme van een kleine dorpskerk. Het was een bakstenen gebouw met gerecupereerde, witstenen elementen (sokkel, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en hoekkettingen) en een eenvoudig grondplan: een eenbeukig schip met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (G), aan zuidwestkant eindigend in polygonaalRegelmatige veelhoek. koor (B) en aan noordoostkant in toren (J). Het koor werd geflankeerd door een presbyterium (A). Elke zijgevel van het in 1936 gesloopte schip, werd versterkt door vier stenen steunberen en was voorzien van twee rondboogvensters. De vloer was bedekt met hardstenen vloertegels. Het koor was verhoogd en bereikbaar via twee treden. Twee houten en beschilderde zijaltaren assorteerden met het thans nog bestaande hoofdaltaar in het koor. Tegen de muren van het schip bevonden zich twee biechtstoelen. Op de eerste verdieping van de toren bevond zich een brede orgelkast.

Op 05.06.1929 besloot de Gemeenteraad de kerk te vergroten. Ze was verouderd en te klein – ze bood amper plaats aan 300 personen, voor een bevolking van 4.213 mensen. In 1930 werd een eerste reeks plannen opgesteld door arch. Julien de Ridder van Sint-Lambrechts-Woluwe. Tussen 1931 en 1933 werden de aanpalende huizen en de uiteinden van de tuinen van aanpalende huizen in Donkerstraat onteigend.
Voor de nieuwe constructie werd het koor en de toren van de oude kerk bewaard. Er werd een nieuw en groter schip gebouwd (H) i.p.v. de oude (G), een nieuw koor (I) en een nieuwe toren (A). De as van de nieuwe kerk staat haaks op die van de oude, waardoor de lengte van het oude schip de breedte werd van het nieuwe schip. Het vloerniveau werd vijftig centimeter verlaagd ten opzichte van het oude gebouw.
De architectuur verwijst naar die van de oude kerk om eenheid te creëren met de materialen en vormen van de behouden elementen. Ze is een mengeling van conservatisme en moderniteit, d.w.z. dat ze grotendeels trouw blijft aan de traditie zonder het modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. de rug toe te keren. Het monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. karakter contrasteert met de bescheidenheid van het oude gebouw.

Het lastenboek en de plannen werden in februari 1934 getekend door arch. Julien de Ridder. In mei 1934 werden de grondwerken aangevat door aannemer Feyarts. Het oude parochiale kerkhof werd gesloopt en de stoffelijke resten en sommige grafkelders werden overgebracht naar het nieuwe kerkhof in Stokkel. Monseigneur Vancauwenbergh legde de eerste steen op 20.09.1935. De bouw werd goedgekeurd bij KB van 30.09.1935. De funderingen van het nieuwe schip en koor waren in oktober 1935 voltooid. De betonbekisting van het plafond van het schip en het metalen gebinte van het koor werden in april 1936 verwezenlijkt. Het schip was in juni onder dak. De binneninrichting werd in het tweede deel van 1936 uitgevoerd.
De funderingen in gewapend beton van de hoofdgevel waren in april 1936 voltooid, die van de toren in juni. De gevels waren in juli afgewerkt en de hoogste verdieping van de toren werd in september opgetrokken.
De werken werden zodanig uitgevoerd dat de dienst in de oude kerk kon worden voortgezet. De buitenmuren van het oude schip, die in het nieuwe gebouw waren bewaard gebleven, werden pas in september 1936 gesloopt.
De voorlopige oplevering van de werken had plaats op 03.12.1936. De kerk was onder dak, maar had, met uitzondering van het al ingerichte koor, nog geen deuren of vloeren.
De industrieel Jules Waucquez, woonachtig op de Tervurenlaan, financierde de voltooiing van de kerk op voorwaarde dat de werken aan de Brusselse architect Léonard Homez werden toevertrouwd. Onder zijn toezicht werden de vloer, deuren, glasramen en meubilair geïnstalleerd, 1937.

De omgeving van de kerk en zijn monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trap werden aangelegd door aannemer Scheerlinck, 1938. Inmiddels zijn de smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… leuningen vervangen (1974) en werd het plafondlijstwerk van het oude koor identiek gereconstrueerd in gips (1972).
Ironisch genoeg bleek de kerk in de jaren 1980 te groot en moeilijk te verwarmen. Ook de esthetica van de jaren 1930 werd als bijzonder koel en monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. ervaren. Twee niet uitgevoerde ontwerpen uit die tijd wilden, elk met andere middelen, het gebouw zijn oorspronkelijke soberheid en eenvoud teruggeven.
In 1982 stelden professor Raymond Lemaire en arch. Ch. Vander Elst, van het bureau BUAS van Louvain-la-Neuve, voor om binnen het gebouw de oude ruimte te reconstrueren door wanden met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. te plaatsen ter hoogte van de vroegere muren van het oude koor, de vloer tot zijn oorspronkelijke hoogte te verhogen, en een vals plafond aan te brengen onder het huidige plafond. De rest van het gebouw moest in zijn oorspronkelijke staat blijven. Buiten moest de oude pastorie en de nabijgelegen oude hoeve van de familie Thielemans geïntegreerd worden in het voorplein om het oude dorpse karakter te herstellen. Deze plannen werden niet uitgevoerd.
In 1988 werkten arch. Feremans en aannemer Vandekerkhove een, evenmin uitgevoerd, voorontwerp uit waarbij alle elementen van 1930 zouden gesloopt worden en het oude schip ‘identiek' gereconstrueerd zou worden.
Beschrijving
De kerk heeft een basilicaal, noordwestelijk georiënteerd grondplan. Ze is toegankelijk via monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trappen en het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). (E). Zuidwestelijk van de narthex (F) situeert zich de nieuwe toren van vijf bouwlagen (A). Breed schip (G en H) met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); de eerste (G) ter hoogte van het oude schip, geflankeerd door het oude koor (B), nu een zijkapel, en door de oude toren (J), die de enige toegang tot het oude gebouw vormde. Het nieuwe, halfcirkelvormige koor (I), is aan weerszijden geflankeerd door een kapel (C en K), zuidwestelijk door een bijgebouw (D) en noordoostelijk door de sacristie (L).

Net als het oude gebouw, hebben nieuwe delen van de kerk bakstenen gevels met elementen in Gobertange (hoekkettingen en sokkels). De meeste muuropeningen met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., sommige met uitspringende dagkantenBinnenkant (tussen muurvlak en kozijn) van de stijlen van een muuropeningen; soms geprofileerd of afgeschuind..
Portiek (E) met drie grote bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. op pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…). In as van bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. kerkpoorten met omlijsting in Gobertange; eiken vleugeldeuren onder witstenen timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd..
Portiek voor gevel met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Brede centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt., voorzien van groot centraal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Laterale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. waarin kruis en onderaan met klein rechthoekig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur..
Gevels van nieuwe toren (A) met hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. waarin vierkante venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en bekroond met wijzerplaat in Gobertange met metalen Romeinse cijfers. Klokkenverdieping voorzien van galmgaten met betonnen galmborden onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. Op benedenverdieping bas-reliëf gesigneerd door Oscar De Clerck, voorstelling: Sint-Petrus die zijn visnetten ophaalt.
Oud koor (B) met polygonaleRegelmatige veelhoek. drieledige apsis, waarvan zijwanden met vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Boven onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. steen met inscriptie “ANNO / 1755”. Gezien het grondniveau werd verlaagd en zo de funderingen bloot werden gelegd, werd een hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met daarop vier lagen Gobertange aan onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. toegevoegd. In interieur halfrond en geribd koepelgewelf.

Poort van oude toren (J) met hardstenen rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. omlijsting en dito kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Eiken vleugeldeur met geprofileerde naald met het jaartal “1755”. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. waarin glas-in-lood met florale motieven. Uit zichtbare sporen in metselverbandWijze waarop bakstenen aan de buitenzijde van een muur zijn gerangschikt. blijkt dat hardstenen omlijsting van latere datum is. Door verlaging van grondniveau, onderging poort enkele wijzigingen: postenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. werden verlengd, terwijl de deur een twintigtal centimeter zakte en werd bekroond met glas-in-lood om hoogteverschil op te vangen. Op verdieping boven poort groot getralied vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met glas-in-lood. In hoogste bouwlaag, aan drie kanten van toren, rondboogvenster met galmborden. TentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met vernieuwde leisteen (1936).
Zijgevels van het gebouw geritmeerd door pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) met uitspringende hoeken. Het gebruik van gewapend beton liet toe om een plafond met grote spanwijdte te voorzien dat hele schipbreedte overdekt en uitsluitend rust op buitenmuren van het gebouw. Hoge en dunne liggers, geplaatst in lengterichting van het gebouw, ritmeren het plafond en creëren een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. perspectivisch effect dat doorbroken wordt door zwaardere laterale liggers die zijbeuken markeren.

Middenschip met leien zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. op gewapend betonnen gebinte. Zijbeuken en ruimten naast koor, bedekt met licht hellend zinken dak.
Orgelgalerij in de narthex. Schip eindigend in drie betonnen rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.: een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. centrale boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. naar het koor en twee laterale bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. naar de zijkapellen.
Het nieuwe koor (I) onder halfrond koepelgewelf bedekt met halfconisch dak op metalen gebinte. Lichtjes gedecentreerd door gebrekkig werk.
Interieur en meubilair
Oud koor
Houten en beschilderd hoofdaltaar van XVIII A, op oorspronkelijke plaats in voormalig koor (B). Concave vorm geflankeerd door zuilCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan pilasterPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., allebei met Corinthisch kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., waarop hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Centrale lamberkijnDraperie in guirlandevorm, al dan niet met kwasten; vaak geschilderd of nagebootst in hout, metaal, ... met symbool van Heilige Geest in stralenkrans, geflankeerd door twee engelen met attributen van het Pausdom. Het thans verdwenen beeld boven tabernakel, vervangen door schilderij.
Op muren eiken lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl van XVIII c. Ze werden verworven in 1808 en zouden van het klooster van Ophem komen; hoge geprofileerde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. gescheiden door met stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. versierde gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met naakte friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. OrnamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren.: trofeeënNabootsing van oorlogs- of jachttrofeeën die oorspronkelijk werden opgehangen; later veelal als zuiver decoratief motief gebruikt met dezelfde onderwerpen of uitgebreid met zinnebeelden van de kunsten, de ambachten,… van liturgische instrumenten, medaillonsRonde of ovale cartouche. met Christus en de Madonna.

Eiken communiebank van XVIII met liervormige balustersVaasvormige spijl van een borstwering. en liturgische ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren..
Nieuw koor en zijkapellen
De binneninrichting van het nieuwe koor (I) en de zijkapellen (C en K) dateert van 1936.
Hoofdaltaar in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). n.o.v. “la Croix latine de Louvain” o.l.v. de benedictijn Dom Martin van de abdij Keizersberg en uitgevoerd door marmerbewerker Fernand Colin van Brussel. Oorspronkelijk ontworpen voor de koninklijke kapel op de Wereldtentoonstelling van Brussel in 1935, waar het de eerste prijs behaalde. Het gelauwerde ensemble en alle marmer van de tentoonstellingskapel werden verkocht in 1936 aan de kerkfabriek om in nieuwe kerk een gelijkaardig ensemble te creëren.
Het altaar bestaat uit een zwart marmeren tablet met inlegwerk van malachiet uit Katanga. Onderstuk in Levantomarmer, geschraagd door zwart marmeren, met malachiet ingelegde, steunberen. Het geheel werd oorspronkelijk vervolledigd met zes metalen kandelaars.
Tabernakel eveneens in zwart marmer met deuren in zwart geschilderd multiplex, ingelegd met malachiet; bekroond door Christus in beschilderd hout.
Vloer van koor bekleed met grijs gepareld marmer, treden in zwart marmer.
Muren bekleed met twee meter hoge travertijn op zwart marmeren plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
Art deco communiebank in Levantomarmer, geritmeerd door per drie gegroepeerde postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering..
Altaren van zijkapellen in geel geaderd marmer op zwart marmeren trappenpartij, waarschijnlijk n.o.v. goudsmid-beeldhouwer H. Holemans uit Brussel. Bestaande uit rechthoekig tablet geschraagd door twee volumineuze gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd..

Schip
Schip ingericht in 1937.
Zwarte marmeren tegels van Mazy, geel marmer van Siena en “Bois Jourdan” marmer.
Enkele kerkmeubels in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). n.o.v. arch. Julien de Ridder, 1935: aan weerszijde van deur, hardstenen wijwatervat; vier ingewerkte biechtstoelen, grotendeels in travertijn en met twee hardstenen reliëfs uitgevoerd door beeldhouwer R. Vanceselaers, 1937; notenhouten deur; preekstoel bestaande uit trap en kuip in gewapend beton, bekleed met “Napoléon G.M.” marmer.
Achteraan het schip, grenzend aan narthex, twee eiken kasten vervaardigd door J. Schoonejans, 1936 met elementen van preekstoel uit XVII en het orgel van midden XVIII uit oude kerk.
Op tribune boven narthex monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. tweedelig namaakorgel: eenvoudige houten constructie, inclusief de in imitatiekoper geschilderde pijpen, vervaardigd door schrijnwerker Guillaume Pelleriaux, 1937 woonachtig in de nabijgelegen Donkerstraat.

Glas-in-loodramen
In oud koor (B): links Madonna met Kind dat rozenkrans geeft aan een heilige, XIX; rechts Sint-Jozef met lelie en het kind Jezus, XIX.
Noordwestvenster: Sint-Petrus draagt de sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. naar het paradijs, door J-B Jacobs, 1939.
In nieuwe schip en koor: glasramen in academische stijl, trouw aan de traditie van XIX, n.o.v. Brusselaar J-B Jacobs. Kartons gedateerd met 07.07.1936. Plaatsing goedgekeurd door KB van 09.06.1937.
Hoofdgevel: De wonderlijke visvangst.
Zijmuren van schip: tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) links: Jezus wandelt over het water en redt Sint-Petrus, rechts, Sint-Petrus geneest een lamme aan de tempel; derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) links: De geloofsbelijdenis van Simon Petrus; rechts: Sint-Petrus bevrijd door de engel.
In het koor, links: Het primaat van Sint-Petrus; rechts: De verloochening van Sint-Petrus.
Het geheel van de glasramen werd in 1980 gerestaureerd door Y. Van Veerdeghem-Vosch.

Beeldhouwwerk
Beschadigd beeld van Sint-Petrus, XVII, lindehout met oude polychromie. Ontdekt in kapgebintMeestal driehoekig samenstel van dragende onderdelen van een kap, in één vlak, haaks op het dakvlak en veelal opgebouwd uit één of meerdere elementen op elkaar (kapgebinten). en vervolgens gerestaureerd door Mevr. Poswick, 1981.
Houten polychroom beeld van Sint-Ambrosius van Milaan, XVIII.
Beeld van heilige bisschop, XVIII, karton-steen.
Boven altaar van zijkapellen, twee beelden in academische stijl van het Heilig Hart, n.o.v. Harry Elström, 1937.
In het schip, veertien staties van de kruisweg in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. n.o.v. Oscar De Clerck, 1937. De expressionistischePeriode: 1920-1930 De Amsterdamse School is een modernistische beweging, doordrongen van een socialistisch ideaal, die zich in Nederland ontwikkelt in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en haar volle bloei kent in het begin van de jaren 1920. De architectuur wordt gekenmerkt door de expressiviteit van ambachtelijke materialen waarbij met diverse vormen en kleuren wordt gewerkt. De stijl valt op door een grote plasticiteit van de vormen (golvende, gezwollen, gebogen gevels en complexe dakvormen), onder meer dankzij een originele toepassing van baksteen (gebruik van verschillende metselverbanden zoals bakstenen in staand verband, bakstenen in halfsteensverband, bakstenen in uitspringend verband enz.). De subtiele effecten van de metselverbanden, de verspringingen en de complexe aansluitingen zorgen voor levendige gevels met organische rondingen. Het is een architectuur waarin louter decoratieve elementen een belangrijke rol spelen in het ontwerp: de architecten integreren onder meer pinakels, figuratieve sculpturen en muuropeningen met “laddervensters” (vensters met horizontale roeden, zoals de sporten van een ladder). In Brussel is de invloed van de Amsterdamse School op de architecten van het interbellum voornamelijk esthetisch. De stijl wordt vooral toegepast in de woonarchitectuur via de compositie van elementaire volumes en door expressieve gevels die tot stand komen door de verwerking van baksteen (die soms verwant is aan de geometrische art deco). Het expressionisme is er echter minder spectaculair dan in de Amsterdamse architectuur, waar de bakstenen wanden werkelijk een organisch karakter lijken te hebben. behandeling van de personages benadrukt het lijden van Christus. De Christus van het hoofdaltaar en de doopvont zijn van dezelfde kunstenaar. De doopvont bestaat uit een gedreven koperen bekken in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”)., met allegorieën van de rivieren van het paradijs; behaalde in 1937 gouden medaille op de ‘Exposition des Arts décoratifs' in Parijs; plaatsing in kerk goedgekeurd door KB van 19.02.1940.

Monumentale beelden van vier evangelisten n.o.v. beeldhouwer Adhémar Goeters, 1937. Geometrische behandeling van de fysionomieën.
Schilderijen
Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van het schip: Christus valt in de Kedron, XVII A, toegeschreven aan Antoon Sallaert; Bevrijding van Sint-Petrus door de engel, school van Van Loon, einde XVII.
Op het altaar van het oude koor, De Heilige Familie met Sint-Franciscus van Assisi, XVII A, toegeschreven aan Cornelis Schut, olieverf op doek, gerestaureerd door Daniel Pierrot, 1981. Marteldood van Sint-Laurentius, XVII, kopie naar Peter-Paul Rubens. Mirakel van Sint-Nicolaas, XVIII; Christus aan het kruis, XIX, schenking van M. Mostinck in 1880. Sint-Franciscus van Assisi geeft de communie aan een ezel, XIX.
Klokken
Een klok gegoten door Oscar Van den Ghein uit Leuven, werd in WO II meegenomen door de Duitsers.
In nieuwe toren: twee klokken op elektrisch aangedreven metalen klokkenbalk en wiel; kleine klok gegoten door Marcel Michiels uit Doornik, 1939; grote klok van 500 kilo gegoten door gebroeders Sergeys uit Leuven; ter ere van jubileum van priesterwijding van pastoor Georges Jadoul, Georges gedoopt en op 20 oktober 1963 gewijd.
Deze kerk beschikt over een modern koororgel vervaardigd door orgelbouwer Guido Schumacher, 1985.
Tussen 1939 en 1946 werd aan de kerk een betonnen grot gebouwd verwijzend naar die van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes; nu gesloopt (1980). Altaar van deze grot rustte op twee zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. afkomstig uit renaissancewoning van kardinaal Granvelle in Brussel (nu verdwenen).
Geschiedenis
Oorsprong gaat terug tot middeleeuwen. Op de huidige plaats wordt sinds 1173 melding gemaakt van een kerk. Tevens het jaar waarin de bisschop van Cambrai de toenmalige kerk en haar bijgebouwen schonk aan de abdij van Vorst. De bescheiden romaanse11de eeuw – 13e eeuw. De Romaanse architectuur ontstond in een periode van relatieve politieke stabiliteit na de invasies en onrusten van de vroege middeleeuwen. Ze ontwikkelde zich tegelijkertijd in Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje, van waaruit ze zich over heel Europa verspreidde. De stijl putte inspiratie uit de Karolingische en Ottomaanse architectuur, die op hun beurt hun vormentaal baseerden op Romeinse en Byzantijnse voorbeelden. De Romaanse stijl kan beschouwd worden als de eerste grote kunststijl van het middeleeuwse Europa. Haar opkomst en verspreiding waren het resultaat van intensieve culturele uitwisselingen en religieuze dynamiek, met name vanuit het kloosterleven en de pelgrimsroutes. Ze werd vooral toegepast op religieuze architectuur, zoals kathedralen, kerken en kloosters. Kenmerkend voor Romaanse cultusgebouwen zijn massieve stenen muren met kleine rondboogvormige muuropeningen en rijkelijk gedecoreerde muurschilderingen. Decoratieve elementen maken veelvuldig gebruik van rondbogen, terugkerend in portalen, friezen, nissen en lisenen. Overdekking gebeurt doorgaans met een vlak houten gewelf, en minder vaak met stenen ton-, kruis- of koepelgewelven. Het grondplan is meestal een Latijns kruis met zijbeuken, en onder het koor bevindt zich vaak een crypte, bedoeld als begraafplaats of voor de bewaring van relieken. In Brussel zijn nauwelijks Romaanse kerken in hun oorspronkelijke toestand bewaard gebleven. De meeste cultusgebouwen zijn door de eeuwen heen vergroot, gemoderniseerd of gerestaureerd, waardoor vandaag slechts fragmentarische delen van deze eerste, historische fase van de bouwgeschiedenis zichtbaar zijn. kerk werd omgeven door een kerkhof zoals te zien op de Grondatlas van het Sint-Jansgasthuis in Brussel getekend in 1712 (AOCMWB, Kaarten en plannen, nr 341, kaart nr 23). De abdij van Vorst besloot in 1755 de toen bouwvallige kerk te vervangen door een nieuwe. Deze datum is thans nog te lezen op de naald van de deur in de toren en op een steen boven de onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. van het koor. De nieuwe kerk werd in 1778 ingewijd.
Tot in 1935 behield de kerk de pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. charme van een kleine dorpskerk. Het was een bakstenen gebouw met gerecupereerde, witstenen elementen (sokkel, kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. en hoekkettingen) en een eenvoudig grondplan: een eenbeukig schip met twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) (G), aan zuidwestkant eindigend in polygonaalRegelmatige veelhoek. koor (B) en aan noordoostkant in toren (J). Het koor werd geflankeerd door een presbyterium (A). Elke zijgevel van het in 1936 gesloopte schip, werd versterkt door vier stenen steunberen en was voorzien van twee rondboogvensters. De vloer was bedekt met hardstenen vloertegels. Het koor was verhoogd en bereikbaar via twee treden. Twee houten en beschilderde zijaltaren assorteerden met het thans nog bestaande hoofdaltaar in het koor. Tegen de muren van het schip bevonden zich twee biechtstoelen. Op de eerste verdieping van de toren bevond zich een brede orgelkast.

Op 05.06.1929 besloot de Gemeenteraad de kerk te vergroten. Ze was verouderd en te klein – ze bood amper plaats aan 300 personen, voor een bevolking van 4.213 mensen. In 1930 werd een eerste reeks plannen opgesteld door arch. Julien de Ridder van Sint-Lambrechts-Woluwe. Tussen 1931 en 1933 werden de aanpalende huizen en de uiteinden van de tuinen van aanpalende huizen in Donkerstraat onteigend.
Voor de nieuwe constructie werd het koor en de toren van de oude kerk bewaard. Er werd een nieuw en groter schip gebouwd (H) i.p.v. de oude (G), een nieuw koor (I) en een nieuwe toren (A). De as van de nieuwe kerk staat haaks op die van de oude, waardoor de lengte van het oude schip de breedte werd van het nieuwe schip. Het vloerniveau werd vijftig centimeter verlaagd ten opzichte van het oude gebouw.
De architectuur verwijst naar die van de oude kerk om eenheid te creëren met de materialen en vormen van de behouden elementen. Ze is een mengeling van conservatisme en moderniteit, d.w.z. dat ze grotendeels trouw blijft aan de traditie zonder het modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. de rug toe te keren. Het monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. karakter contrasteert met de bescheidenheid van het oude gebouw.

Het lastenboek en de plannen werden in februari 1934 getekend door arch. Julien de Ridder. In mei 1934 werden de grondwerken aangevat door aannemer Feyarts. Het oude parochiale kerkhof werd gesloopt en de stoffelijke resten en sommige grafkelders werden overgebracht naar het nieuwe kerkhof in Stokkel. Monseigneur Vancauwenbergh legde de eerste steen op 20.09.1935. De bouw werd goedgekeurd bij KB van 30.09.1935. De funderingen van het nieuwe schip en koor waren in oktober 1935 voltooid. De betonbekisting van het plafond van het schip en het metalen gebinte van het koor werden in april 1936 verwezenlijkt. Het schip was in juni onder dak. De binneninrichting werd in het tweede deel van 1936 uitgevoerd.
De funderingen in gewapend beton van de hoofdgevel waren in april 1936 voltooid, die van de toren in juni. De gevels waren in juli afgewerkt en de hoogste verdieping van de toren werd in september opgetrokken.
De werken werden zodanig uitgevoerd dat de dienst in de oude kerk kon worden voortgezet. De buitenmuren van het oude schip, die in het nieuwe gebouw waren bewaard gebleven, werden pas in september 1936 gesloopt.
De voorlopige oplevering van de werken had plaats op 03.12.1936. De kerk was onder dak, maar had, met uitzondering van het al ingerichte koor, nog geen deuren of vloeren.
De industrieel Jules Waucquez, woonachtig op de Tervurenlaan, financierde de voltooiing van de kerk op voorwaarde dat de werken aan de Brusselse architect Léonard Homez werden toevertrouwd. Onder zijn toezicht werden de vloer, deuren, glasramen en meubilair geïnstalleerd, 1937.

De omgeving van de kerk en zijn monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trap werden aangelegd door aannemer Scheerlinck, 1938. Inmiddels zijn de smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… leuningen vervangen (1974) en werd het plafondlijstwerk van het oude koor identiek gereconstrueerd in gips (1972).
Ironisch genoeg bleek de kerk in de jaren 1980 te groot en moeilijk te verwarmen. Ook de esthetica van de jaren 1930 werd als bijzonder koel en monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. ervaren. Twee niet uitgevoerde ontwerpen uit die tijd wilden, elk met andere middelen, het gebouw zijn oorspronkelijke soberheid en eenvoud teruggeven.
In 1982 stelden professor Raymond Lemaire en arch. Ch. Vander Elst, van het bureau BUAS van Louvain-la-Neuve, voor om binnen het gebouw de oude ruimte te reconstrueren door wanden met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. te plaatsen ter hoogte van de vroegere muren van het oude koor, de vloer tot zijn oorspronkelijke hoogte te verhogen, en een vals plafond aan te brengen onder het huidige plafond. De rest van het gebouw moest in zijn oorspronkelijke staat blijven. Buiten moest de oude pastorie en de nabijgelegen oude hoeve van de familie Thielemans geïntegreerd worden in het voorplein om het oude dorpse karakter te herstellen. Deze plannen werden niet uitgevoerd.
In 1988 werkten arch. Feremans en aannemer Vandekerkhove een, evenmin uitgevoerd, voorontwerp uit waarbij alle elementen van 1930 zouden gesloopt worden en het oude schip ‘identiek' gereconstrueerd zou worden.
Beschrijving
De kerk heeft een basilicaal, noordwestelijk georiënteerd grondplan. Ze is toegankelijk via monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trappen en het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). (E). Zuidwestelijk van de narthex (F) situeert zich de nieuwe toren van vijf bouwlagen (A). Breed schip (G en H) met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); de eerste (G) ter hoogte van het oude schip, geflankeerd door het oude koor (B), nu een zijkapel, en door de oude toren (J), die de enige toegang tot het oude gebouw vormde. Het nieuwe, halfcirkelvormige koor (I), is aan weerszijden geflankeerd door een kapel (C en K), zuidwestelijk door een bijgebouw (D) en noordoostelijk door de sacristie (L).

Net als het oude gebouw, hebben nieuwe delen van de kerk bakstenen gevels met elementen in Gobertange (hoekkettingen en sokkels). De meeste muuropeningen met rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., sommige met uitspringende dagkantenBinnenkant (tussen muurvlak en kozijn) van de stijlen van een muuropeningen; soms geprofileerd of afgeschuind..
Portiek (E) met drie grote bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. op pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…). In as van bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. kerkpoorten met omlijsting in Gobertange; eiken vleugeldeuren onder witstenen timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd..
Portiek voor gevel met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Brede centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met topgevelHoogste deel van een gevel, vaak driehoekig en/of getrapt., voorzien van groot centraal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Laterale traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. waarin kruis en onderaan met klein rechthoekig vensterLicht- en/of luchtopening in een muur..
Gevels van nieuwe toren (A) met hoge blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. waarin vierkante venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. en bekroond met wijzerplaat in Gobertange met metalen Romeinse cijfers. Klokkenverdieping voorzien van galmgaten met betonnen galmborden onder tentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak.. Op benedenverdieping bas-reliëf gesigneerd door Oscar De Clerck, voorstelling: Sint-Petrus die zijn visnetten ophaalt.
Oud koor (B) met polygonaleRegelmatige veelhoek. drieledige apsis, waarvan zijwanden met vensterLicht- en/of luchtopening in een muur.. Boven onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. steen met inscriptie “ANNO / 1755”. Gezien het grondniveau werd verlaagd en zo de funderingen bloot werden gelegd, werd een hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met daarop vier lagen Gobertange aan onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. toegevoegd. In interieur halfrond en geribd koepelgewelf.

Poort van oude toren (J) met hardstenen rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. omlijsting en dito kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Eiken vleugeldeur met geprofileerde naald met het jaartal “1755”. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. waarin glas-in-lood met florale motieven. Uit zichtbare sporen in metselverbandWijze waarop bakstenen aan de buitenzijde van een muur zijn gerangschikt. blijkt dat hardstenen omlijsting van latere datum is. Door verlaging van grondniveau, onderging poort enkele wijzigingen: postenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. werden verlengd, terwijl de deur een twintigtal centimeter zakte en werd bekroond met glas-in-lood om hoogteverschil op te vangen. Op verdieping boven poort groot getralied vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met glas-in-lood. In hoogste bouwlaag, aan drie kanten van toren, rondboogvenster met galmborden. TentdakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. met vernieuwde leisteen (1936).
Zijgevels van het gebouw geritmeerd door pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) met uitspringende hoeken. Het gebruik van gewapend beton liet toe om een plafond met grote spanwijdte te voorzien dat hele schipbreedte overdekt en uitsluitend rust op buitenmuren van het gebouw. Hoge en dunne liggers, geplaatst in lengterichting van het gebouw, ritmeren het plafond en creëren een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. perspectivisch effect dat doorbroken wordt door zwaardere laterale liggers die zijbeuken markeren.

Middenschip met leien zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. op gewapend betonnen gebinte. Zijbeuken en ruimten naast koor, bedekt met licht hellend zinken dak.
Orgelgalerij in de narthex. Schip eindigend in drie betonnen rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.: een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. centrale boogConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. naar het koor en twee laterale bogenConstructie waarvan de beschrijvende lijnen delen van cirkels of gebogen lijnen zijn en waarin alle drukkrachten optreden. naar de zijkapellen.
Het nieuwe koor (I) onder halfrond koepelgewelf bedekt met halfconisch dak op metalen gebinte. Lichtjes gedecentreerd door gebrekkig werk.
Interieur en meubilair
Oud koor
Houten en beschilderd hoofdaltaar van XVIII A, op oorspronkelijke plaats in voormalig koor (B). Concave vorm geflankeerd door zuilCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan pilasterPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., allebei met Corinthisch kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen., waarop hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Centrale lamberkijnDraperie in guirlandevorm, al dan niet met kwasten; vaak geschilderd of nagebootst in hout, metaal, ... met symbool van Heilige Geest in stralenkrans, geflankeerd door twee engelen met attributen van het Pausdom. Het thans verdwenen beeld boven tabernakel, vervangen door schilderij.
Op muren eiken lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl van XVIII c. Ze werden verworven in 1808 en zouden van het klooster van Ophem komen; hoge geprofileerde panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. gescheiden door met stafwerkOrnament, bestaande uit een pijp-, riet- of koordvormige vulling van cannelures tot op een derde van hun hoogte. versierde gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met naakte friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. OrnamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren.: trofeeënNabootsing van oorlogs- of jachttrofeeën die oorspronkelijk werden opgehangen; later veelal als zuiver decoratief motief gebruikt met dezelfde onderwerpen of uitgebreid met zinnebeelden van de kunsten, de ambachten,… van liturgische instrumenten, medaillonsRonde of ovale cartouche. met Christus en de Madonna.

Eiken communiebank van XVIII met liervormige balustersVaasvormige spijl van een borstwering. en liturgische ornamentenNiet-zelfstandig sierelement om een voorwerp of gebouw op te luisteren..
Nieuw koor en zijkapellen
De binneninrichting van het nieuwe koor (I) en de zijkapellen (C en K) dateert van 1936.
Hoofdaltaar in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). n.o.v. “la Croix latine de Louvain” o.l.v. de benedictijn Dom Martin van de abdij Keizersberg en uitgevoerd door marmerbewerker Fernand Colin van Brussel. Oorspronkelijk ontworpen voor de koninklijke kapel op de Wereldtentoonstelling van Brussel in 1935, waar het de eerste prijs behaalde. Het gelauwerde ensemble en alle marmer van de tentoonstellingskapel werden verkocht in 1936 aan de kerkfabriek om in nieuwe kerk een gelijkaardig ensemble te creëren.
Het altaar bestaat uit een zwart marmeren tablet met inlegwerk van malachiet uit Katanga. Onderstuk in Levantomarmer, geschraagd door zwart marmeren, met malachiet ingelegde, steunberen. Het geheel werd oorspronkelijk vervolledigd met zes metalen kandelaars.
Tabernakel eveneens in zwart marmer met deuren in zwart geschilderd multiplex, ingelegd met malachiet; bekroond door Christus in beschilderd hout.
Vloer van koor bekleed met grijs gepareld marmer, treden in zwart marmer.
Muren bekleed met twee meter hoge travertijn op zwart marmeren plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
Art deco communiebank in Levantomarmer, geritmeerd door per drie gegroepeerde postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering..
Altaren van zijkapellen in geel geaderd marmer op zwart marmeren trappenpartij, waarschijnlijk n.o.v. goudsmid-beeldhouwer H. Holemans uit Brussel. Bestaande uit rechthoekig tablet geschraagd door twee volumineuze gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd..

Schip
Schip ingericht in 1937.
Zwarte marmeren tegels van Mazy, geel marmer van Siena en “Bois Jourdan” marmer.
Enkele kerkmeubels in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”). n.o.v. arch. Julien de Ridder, 1935: aan weerszijde van deur, hardstenen wijwatervat; vier ingewerkte biechtstoelen, grotendeels in travertijn en met twee hardstenen reliëfs uitgevoerd door beeldhouwer R. Vanceselaers, 1937; notenhouten deur; preekstoel bestaande uit trap en kuip in gewapend beton, bekleed met “Napoléon G.M.” marmer.
Achteraan het schip, grenzend aan narthex, twee eiken kasten vervaardigd door J. Schoonejans, 1936 met elementen van preekstoel uit XVII en het orgel van midden XVIII uit oude kerk.
Op tribune boven narthex monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. tweedelig namaakorgel: eenvoudige houten constructie, inclusief de in imitatiekoper geschilderde pijpen, vervaardigd door schrijnwerker Guillaume Pelleriaux, 1937 woonachtig in de nabijgelegen Donkerstraat.

Glas-in-loodramen
In oud koor (B): links Madonna met Kind dat rozenkrans geeft aan een heilige, XIX; rechts Sint-Jozef met lelie en het kind Jezus, XIX.
Noordwestvenster: Sint-Petrus draagt de sleutelSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. naar het paradijs, door J-B Jacobs, 1939.
In nieuwe schip en koor: glasramen in academische stijl, trouw aan de traditie van XIX, n.o.v. Brusselaar J-B Jacobs. Kartons gedateerd met 07.07.1936. Plaatsing goedgekeurd door KB van 09.06.1937.
Hoofdgevel: De wonderlijke visvangst.
Zijmuren van schip: tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) links: Jezus wandelt over het water en redt Sint-Petrus, rechts, Sint-Petrus geneest een lamme aan de tempel; derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) links: De geloofsbelijdenis van Simon Petrus; rechts: Sint-Petrus bevrijd door de engel.
In het koor, links: Het primaat van Sint-Petrus; rechts: De verloochening van Sint-Petrus.
Het geheel van de glasramen werd in 1980 gerestaureerd door Y. Van Veerdeghem-Vosch.

Beeldhouwwerk
Beschadigd beeld van Sint-Petrus, XVII, lindehout met oude polychromie. Ontdekt in kapgebintMeestal driehoekig samenstel van dragende onderdelen van een kap, in één vlak, haaks op het dakvlak en veelal opgebouwd uit één of meerdere elementen op elkaar (kapgebinten). en vervolgens gerestaureerd door Mevr. Poswick, 1981.
Houten polychroom beeld van Sint-Ambrosius van Milaan, XVIII.
Beeld van heilige bisschop, XVIII, karton-steen.
Boven altaar van zijkapellen, twee beelden in academische stijl van het Heilig Hart, n.o.v. Harry Elström, 1937.
In het schip, veertien staties van de kruisweg in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. n.o.v. Oscar De Clerck, 1937. De expressionistischePeriode: 1920-1930 De Amsterdamse School is een modernistische beweging, doordrongen van een socialistisch ideaal, die zich in Nederland ontwikkelt in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en haar volle bloei kent in het begin van de jaren 1920. De architectuur wordt gekenmerkt door de expressiviteit van ambachtelijke materialen waarbij met diverse vormen en kleuren wordt gewerkt. De stijl valt op door een grote plasticiteit van de vormen (golvende, gezwollen, gebogen gevels en complexe dakvormen), onder meer dankzij een originele toepassing van baksteen (gebruik van verschillende metselverbanden zoals bakstenen in staand verband, bakstenen in halfsteensverband, bakstenen in uitspringend verband enz.). De subtiele effecten van de metselverbanden, de verspringingen en de complexe aansluitingen zorgen voor levendige gevels met organische rondingen. Het is een architectuur waarin louter decoratieve elementen een belangrijke rol spelen in het ontwerp: de architecten integreren onder meer pinakels, figuratieve sculpturen en muuropeningen met “laddervensters” (vensters met horizontale roeden, zoals de sporten van een ladder). In Brussel is de invloed van de Amsterdamse School op de architecten van het interbellum voornamelijk esthetisch. De stijl wordt vooral toegepast in de woonarchitectuur via de compositie van elementaire volumes en door expressieve gevels die tot stand komen door de verwerking van baksteen (die soms verwant is aan de geometrische art deco). Het expressionisme is er echter minder spectaculair dan in de Amsterdamse architectuur, waar de bakstenen wanden werkelijk een organisch karakter lijken te hebben. behandeling van de personages benadrukt het lijden van Christus. De Christus van het hoofdaltaar en de doopvont zijn van dezelfde kunstenaar. De doopvont bestaat uit een gedreven koperen bekken in art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”)., met allegorieën van de rivieren van het paradijs; behaalde in 1937 gouden medaille op de ‘Exposition des Arts décoratifs' in Parijs; plaatsing in kerk goedgekeurd door KB van 19.02.1940.

Monumentale beelden van vier evangelisten n.o.v. beeldhouwer Adhémar Goeters, 1937. Geometrische behandeling van de fysionomieën.
Schilderijen
Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van het schip: Christus valt in de Kedron, XVII A, toegeschreven aan Antoon Sallaert; Bevrijding van Sint-Petrus door de engel, school van Van Loon, einde XVII.
Op het altaar van het oude koor, De Heilige Familie met Sint-Franciscus van Assisi, XVII A, toegeschreven aan Cornelis Schut, olieverf op doek, gerestaureerd door Daniel Pierrot, 1981. Marteldood van Sint-Laurentius, XVII, kopie naar Peter-Paul Rubens. Mirakel van Sint-Nicolaas, XVIII; Christus aan het kruis, XIX, schenking van M. Mostinck in 1880. Sint-Franciscus van Assisi geeft de communie aan een ezel, XIX.
Klokken
Een klok gegoten door Oscar Van den Ghein uit Leuven, werd in WO II meegenomen door de Duitsers.
In nieuwe toren: twee klokken op elektrisch aangedreven metalen klokkenbalk en wiel; kleine klok gegoten door Marcel Michiels uit Doornik, 1939; grote klok van 500 kilo gegoten door gebroeders Sergeys uit Leuven; ter ere van jubileum van priesterwijding van pastoor Georges Jadoul, Georges gedoopt en op 20 oktober 1963 gewijd.
Deze kerk beschikt over een modern koororgel vervaardigd door orgelbouwer Guido Schumacher, 1985.
Tussen 1939 en 1946 werd aan de kerk een betonnen grot gebouwd verwijzend naar die van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes; nu gesloopt (1980). Altaar van deze grot rustte op twee zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. afkomstig uit renaissancewoning van kardinaal Granvelle in Brussel (nu verdwenen).
Beschermd 19.02.2004
Bronnen
Archieven
Archief van de kerkfabriek, niet geklasseerde fondsen.
GASPW/SPC.
GASPW/TP 7908-7919.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., JANSSENS, W., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 1980, pp. 19-20.
DEMETER, S. (o.l.v.), Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel, t. 14, Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 2004, pp. 51-52.
FALKENBACK, P., Historique de Woluwe-Saint-Pierre, Gemeente Sint-Pieters-Woluwe, 1992, pp. 57–61.
Livre d'or de l'exposition universelle et internationale de Bruxelles de 1935, Brussel, 1935, pp. 339-340.
Websites
Orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Archief van de kerkfabriek, niet geklasseerde fondsen.
GASPW/SPC.
GASPW/TP 7908-7919.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., JANSSENS, W., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 1980, pp. 19-20.
DEMETER, S. (o.l.v.), Atlas van de archeologische ondergrond van het Gewest Brussel, t. 14, Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 2004, pp. 51-52.
FALKENBACK, P., Historique de Woluwe-Saint-Pierre, Gemeente Sint-Pieters-Woluwe, 1992, pp. 57–61.
Livre d'or de l'exposition universelle et internationale de Bruxelles de 1935, Brussel, 1935, pp. 339-340.
Websites
Orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











