Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
park
Ontwerper(s)
INCONNU - ONBEKEND – 1530-1600
J.-N. SERVANDONI – architect – 1759-1762
INCONNU - ONBEKEND – 1770
B. GUIMARD – 1773
Tilman-François SUYS – architect – 1830-1839
Edmond GALOPPIN – landschapsarchitect – 1901-1902
O. FLANNEAU – 1906-1910
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
In 1532 aankoop van een huis en gronden bij de Kleine Zavel door Françoise van Luxemburg, weduwe van Jan II van Egmont, gevolgd door de bouw van een herenhuis in 1533-1534, later het klein Egmonthotel genaamd. In 1547 aankoop van een belendende hofstaet en aanpalende eigendommen, gevolgd door afsluiting van de straat die het klein hotel en het nieuwe eigendom scheidde. Bouw van een herenwoning door Lamoraal van Egmont, waarvan althans het hoofdgebouw vermoedelijk in 1560 werd voltooid, voortaan groot Egmonthotel genoemd. In de daaropvolgende jaren nog uitgebreid onder meer met de ca. 1560-1563 te dateren oostelijke renaissancevleugel. In 1559 uitbreiding van het domein tot grosso modo de huidige omvang. Inbeslagname van het eigendom na de terechtstelling van Lamoraal van Egmont in 1568; restitutie aan Philips van Egmont in 1576. Iconografische bronnen uit de 16e en 17e eeuw, en een reconstructie van de westgevel door E. Laloire en B. de Lestré (1904), tonen het klein Egmonthotel in laatgotische stijl met pinakelgevel en spitsboogpoort met kruisbloem(Neo)gotische beëindiging, bestaande uit een stam met daarop één of meerdere kransen van gestileerde bladeren (hogels) en bovenaan bekroond met een sierbol (pumeel).; het groot Egmonthotel met drie vleugels en een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. toren rond een rechthoekig binnenhof, met volutengevel, torenbekroning en de heden nog bewaarde oostvleugel in renaissancestijl; tussen beide hotels de verbindingsvleugel ter plaatse van de vroegere straat. Deze toestand bleef vrijwel ongewijzigd tot midden 18e eeuw. Beide hotels werden vanaf einde 17e eeuw geheel of gedeeltelijk verhuurd, onder meer van 1716 tot 1725 aan markies1. Beglaasde metalen of houten afdak; 2. Opvouwbaar zonnescherm boven raam of deur. de Prié, gevolmachtigd minister van keizer Karel VI; het groot hotel vanaf 1729 aan Marie-Françoise Pignatelli, het klein hotel vanaf 1735 aan haar echtgenoot, hertog Leopold-Philippe van Arenberg. Aankoop door laatstgenoemde van het klein hotel in 1738, van het groot hotel in 1752, vervolgens respectievelijk Egmonthotel en Arenberghotel genaamd. Vanaf 1752 diverse verbouwingen en sloop van de westvleugel en toren van het groot hotel voortgezet door hertog Charles-Marie-Raymond. Uitbreiding en aanpassing van de resterende vleugels, in Lodewijk XIV- en Lodewijk XV-stijl, volgens archiefstukken en bewaarde ontwerpen onder leiding van de Italiaans/Franse architect Giovanni Niccolo Servandoni, van 1759 tot 1762. Creatie van het ereplein met de huidige ingangsportiek, bouw van de zuidvleugel en de zogenaamde Appartements de Leurs Altesses, aanpassing van de oostvleugel en uitbreiding met het zogenaamd Quartier Français, voorts heraanleg van de tuinen. Bouw van remises door architect Cambier in 1769. Wederopbouw van de verbindingsvleugel tussen beide hotels, in classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl ca. 1770. Werken aan het interieur door architect B. Guimard in 1773.
Het eigendom werd door de Fransen onder sekwester geplaatst van 1794 tot 1804. Aankoop van het ten noorden aanpalende voorplein van het voormalige karmelietenklooster door hertog Louis-Engelbert in 1805, en inrichting van het Quartier Français n.o.v. architect Gh.-J. Henry in 1806-1807. Grootscheepse werken onder hertog Prosper-Louis, grosso modo resulterend in het huidige uitzicht van het paleis. Herinrichting van de oostvleugel tot bibliotheek en balzaal door architect A. Cousin in 1822-1825. Aankoop van gronden tot de Waterloolaan in 1826. Vervolgens uitbreiding en aanpassing van het complex onder leiding van architect Tilman-François Suys van 1830 tot 1839: bouw van stallingen en portiersloge (1830-1832), de rijschool (1831-1834), doortrekken van het Quartier Français ter omsluiting van het zogenaamde Grasveld van het Everzwijn (1834- 1837), bouw van de noordvleugel aan het ereplein (1836-1839), en restauratie en aanpassing van de oostvleugel (1837). Suys’ ontwerp voor de noordvleugel van 1830 voorzag tevens in de symmetrische wederopbouw van de zuidvleugel en de vernieuwing van de portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert.; het verving een eerder project van de Parijse architect F. Gau van 1828. In 1892 werden het klein Egmonthotel, de verbindingsvleugel en de zuidvleugel door brand vernield. Laatste belangrijke bouwcampagne onder hertog Engelbert-Marie begin 20e eeuw. Heraanleg van het park onder leiding van architect E. Galoppin in 1901-1902. Sloop van de door brand geteisterde gebouwen in 1903-1906. Bouw van een reeks burgerhuizen (zie Wolstraat nr. 4 tot 54) aan de westrand van het park in 1902-1906. Wederopbouw van de zuidvleugel en de zogenaamde Aile Ouest onder leiding van architect Oscar Flanneau in 1906-1910; hieraan gingen ontwerpen vooraf door de architecten E. Acker (1901), G. Low (1903-1904) en R. Sergent (1906). Aankoop door de Stad Brussel in 1918. Begin van brand in 1927 en 1959. Aankoop door de Belgische Staat in 1964. Algehele restauratie onder leiding van architect H. Van Kuyck van 1966 tot 1971. Heden ontvangstsalons van het Ministerie voor Buitenlandse Betrekkingen, kantoren (noordvleugel) en Internationaal Conferentiecentrum (rijschool). School I.S.E.L.P. in de stallingen aan de Waterloolaan.
![Kleine Zavel 8. Egmontpaleis of Arenbergpaleis, ingansportiek van de Ereplein (foto [s.d.]).](/medias/500/buildings/10001078/10001078_0008_M27.jpg)
Beschrijving
Ereplein (1). Aan drie zijden omsloten voorplein met ingangsportiek aan de westzijde. Symmetrische gevelopstanden met twee registersVensterstrook in een topgevel., de oudere delen bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en in twee tinten beschilderd, de latere van natuur- en hardsteen, geüniformeerd door een attiekbalustradeMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. vóór de bedaking. Oudste vleugel in renaissancestijl opklimmend tot de tweede helft van de 16e eeuw, in meerdere fasen aangevuld in kopiërende stijl vanaf midden 18e tot begin 20e eeuw.
Ingangsportiek n.o.v. G.N. Servandoni, te dateren 1759-1762. Twee monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. hardstenen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) in Lodewijk XIV-stijl, bezet met gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd., verdiepte pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en uitgehold op de hoeken, afgewerkt met een breed entablement met trigliefenVersiering, ontleend aan de Dorische fries, bestaande uit een vooruitspringend, rechthoekig vlak met twee gleuven in het midden en een halve aan elke zijkant; soms kan het aantal gleuven sterk afwijken. en uitkragende dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop.. Bekronend topstuk met geprofileerde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en vuurvaas omringd door putti. Twee resterende, concaaf gebogen vakken van de grotendeels hardstenen afsluitingsmuur met doorlopende sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.: telkens verdiept, bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muurveld waarin een laag geplaatste, ovale oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. in vlakke omlijsting, gemarkeerd door een geblokte hoekpost, bekroond door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met hoekpostament en topstuk. Dito, korte vakken op de hoeken; middenvakken verwijderd. Hekkenafsluiting met speerpuntmotief.
Oostvleugel (1a) in Italianiserende renaissancestijl van ca. 1560-1563, mogelijk aangepast door Servandoni (1759-1762), gerestaureerd en van een attiekbalustradeMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. voorzien door T.-F. Suys (1837). Oorspronkelijk met galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. op de benedenverdieping, en bekroond door een reeks dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer. en frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderd. Eerste geleding met gedichte rondbogenarcade : geprofileerde booglijsten met imposten, gegroefde sluitsteenSluitsteen van een opening; weerhoudt de gewelfstenen in een boog of gewelf. en schijvenEen wiel waarvan de velg een of meer kabels draagt om beweging over te brengen. De aan de lieras bevestigde tractieschijf (of grijpschijf) brengt de kracht van de motor over op de tractiekabels van de liftkooi en het tegengewicht. Het afleidwiel wordt gebruikt om de kabels in lijn met de liftschacht en/of het tegengewicht af te buigen. De keerschijven boven de schacht ondersteunen de tractiekabels wanneer de machinerie beneden is geplaatst. in de zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is., geflankeerd door Dorische halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. met sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.; vlak omlijste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief. onder waaierWaaiervormige roedeverdeling van een bovenlicht, in houtsnijwerk of in smeedijzer.. Sterk geprofileerd, klassiek entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met trigliefenVersiering, ontleend aan de Dorische fries, bestaande uit een vooruitspringend, rechthoekig vlak met twee gleuven in het midden en een halve aan elke zijkant; soms kan het aantal gleuven sterk afwijken. in de friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…).. Tweede geleding met hoge rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in geriemde omlijsting met friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). en frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., geflankeerd door Ionische halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. met kort basement. Dito entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden. en blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…).. Bekronende attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. als opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering.. Open doorgang naar het zogenaamde ‘Grasveld van het Everzwijn’ in de linker traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
Noordvleugel (1b), zogenaamde Hotel du Prince Paul of Petit Hotel d’Arenberg. Ontworpen door T.-F. Suys in 1830 en gerealiseerd in 1836-1839, ter plaatse van het in 1805 verworven voorplein van het voormalige karmelietenklooster. Ruime constructie op een rechthoekige plattegrond met centrale binnenplaats. Gevels van natuursteen en hardsteen, respectievelijk twaalf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan het ereplein en acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan de Kleine Zavel. Ordonnantie zoals beschreven bij de oostvleugel, doch met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. in plaats van halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt., en doorgetrokken borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. op de verdiepingen, in de elf rechter traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) aan het ereplein; uit de as geplaatste open doorgang naar de binnenplaats. Licht afwijkende ordonnantie aan straatzijde, gemarkeerd door een hoekpaviljoen en centraal poortrisaliet met bijkomende bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). en gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; voorts venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en op de benedenverdieping lekdrempel op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., enkel in het hoekpaviljoen met frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op de verdieping.
Zuidvleugel (1c). Opnieuw opgetrokken n.o.v. G.N. Servandoni in 1759-1762. Omvatte vier linker traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met identieke opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. als de oostvleugel, doch met pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en bijkomende Lodewijk XV-elementen onder meer dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Aansluitend een lager rococo-paviljoen met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Ca. 1770 afgesloten door een vleugel met concaaf hoekrisaliet met onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. in bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen)., Ionische colonnadeZuilenrij met hoofdgestel. en frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., in classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl, waarvan nog bewaarde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. in het park. Door brand verwoest in 1892. Wederopgebouwd n.o.v. O. Flanneau in 1906-1910, met behoud van de vier, bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderde linker traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), onder meer aangepast met een attiekbalustradeMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.. Voorts opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van acht bij vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met identieke ordonnantie en materiaalgebruik als de noordvleugel, eveneens gemarkeerd door een hoekpaviljoen. Een peristilium van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) werd bij de restauratie van 1966-1971 verwijderd.
![Kleine Zavel 8. Egmontpaleis of Arenbergpaleis. Grasveld van het Everzwijn (foto [s.d.]).](/medias/500/buildings/10001078/10001078_0008_M02.jpg)
Grasveld van het Everzwijn (2). Oostelijk binnenhof, aan drie zijden omsloten door bebouwing en geopend naar het park. In zijn huidige vorm n.o.v. T-F. Suys, gerealiseerd in 1831-1837. Westzijde gevormd door de tuingevel van de 16e-eeuwse renaissancevleugel, door G.N. Servandoni verfraaid onder meer met een Dorisch peristilium, dat bij een nivellering in 1823-1826 opnieuw werd verwijderd. Noordzijde gevormd door het zogenaamde Quartier Français, ten dele daterend van 1759- 1762, dat werd verlengd en aangepast. Oostzijde ingenomen door de rijschool, ter plaatse van vroegere stallingen. Volkomen symmetrische gevelopstanden in classicerende stijl, met tweemaal twaalf bij acht traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). BepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en in twee tinten beschilderd, met onder meer hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels.. Hoge sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in vlakke bossageIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen)., en bel-etage, onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Geaccentueerde centrale risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met rondboogvenster voorzien van booglijst en imposten, onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., gedragen door gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Dorische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. Hoekrisalieten van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met dito rondboogvensters, hoekblokkenAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel. en frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., waarin het wapen en devies ‘CHRISTUS DEFENDOR MEUS’ van de Arenbergs, uitgevoerd in sgraffitoSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister).. Voorts rechthoekige bel-etagevensters in geriemde omlijsting met entablement; bijkomende guirlandesGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. en monogrammen ’AR’ (Arenberg) en ‘PL’ (Prosper-Louis) uit 1822-1825 aan de westzijde. Balkon met ijzeren hek bovenop een deurrisaliet in het midden van de west- en oostzijde. Gevelbeëindiging door een klassiek hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel., waarop een blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.; dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..
Tuinvleugel (3). Oorspronkelijk zogenaamde Appartements de Leurs Altesses, in Lodewijk XIV- en XV-stijl door G.N. Servandoni van 1759-1762, grotendeels gesloopt in 1903-1906 en met de zuidvleugel van het ereplein wederopgebouwd door O. Flanneau in 1906-1910. Opbouw en gevelbehandeling zoals hierboven. Drie rechter traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) behouden en aangepast: hoge sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. en steekboogvormige openingen met diamantkopsleutel; bel-etage met rondboogvenster in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. in de hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw., steekboogvenstersBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. in stucomlijsting met neuten en orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief. ernaast. Aanleunend, overhoeks paviljoen en haakse vleugel van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met zelfde opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur..
Rijschool (4). Gebouwd door T.-F. Suys in 1831-1834. Rechthoekige plattegrond met hoekrisalieten ten zuiden, twaalf bij vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met identieke opbouw, gevelbehandeling en ordonnantie als rond het Grasveld van het Everzwijn. Vroeger aanpalende stallingen gesloopt.
Koetshuis (5). Gebouwd door architect Cambier in 1769, cf. jaarankers. Twee bouwlagen en zestien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., opgetrokken uit baksteen. Brede korfboogpoorten op de benedenverdieping, steekboogvormige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op de verdieping.
Stallingen (6). U-vormig complex, afgesloten door een poortgebouw aan de Waterloolaan nr. 31, in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl n.o.v. T.-F. Suys, gerealiseerd in 1830-1832. Opgetrokken uit baksteen met verwerking van natuur- en hardsteen, ten dele bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen.. Ten westen, drie kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. met imposten geflankeerd door hoekpaviljoen en met anderhalve bouwlaag en telkens vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Ten oosten, twee langgerekte, parallelle vleugels geritmeerd door rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met imposten, waarin hoge rondboogpoorten en -vensters, onder mansardedakenGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en beschilderde opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. met hardstenen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. aan de Waterloolaan, belijnd door schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. die uitstralen boven twee hoge rondboogpoorten en een centraal rondboogvenster, en afgewerkt door een klassiek hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. en een blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.; houten vleugeldeuren.
Oranjerie (7). Ontpleisterd (?) bakstenen gebouw in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl, op rechthoekige plattegrond, met één bouwlaag en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde., vermoedelijk eveneens toe te schrijven aan T.-F. Suys en te dateren in 1830-1839. Naar het zuiden geopend door rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. binnen rechthoekige lisenenDecoratieve, uitspringende, verticale geleding, vaak met andere liseen verbonden door boog(fries).. Poort, deur en oculiKlein rond, ovaal of polygonaal venster. in de west- en oostgevel; blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. noordgevel.

Interieur.
Voorheen rijk interieur, overeenkomstig de bouwcampagnes in Lodewijk XIV-, régence-, Lodewijk XV- en Lodewijk XVI-stijl uit de tweede helft van de 18e eeuw, in empire- en directoirestijl uit de eerste helft van de 19e eeuw, en vervolgens Second-Empire- en neostijlen uit de tweede helft van de 19e eeuw en begin 20e eeuw. Bij de algehele restauratie van 1966-1971 en volgende volledig opnieuw ingericht en gestoffeerd: nog schaarse aanwezige interieuronderdelen werden hierbij gerestaureerd en/of aangevuld, de overige vertrekken werden in imitatiestijlen gereconstrueerd, onder meer met verwerking en op basis van authentieke, elders verworven en overgebrachte interieurornamenten.
Eretrap. MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. bordestrap in Lodewijk XlV-stijl, n.o.v. O. Flanneau, van 1906-1910, geïnspireerd op de voormalige Ambassadeurstrap van het paleis van Versailles, uitgevoerd in twaalf soorten marmer met een stucgewelf voorzien van een plafondschildering door L. Cardon, in de zuidvleugel.
Voormalige bibliotheek met gedeeltelijk oorspronkelijke lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … in directoirestijl, van 1822-1825, waarin vier bewaarde achterglasschilderingen met allegorische figuren door S. Frémiet, en aanpalende traprotonde in de oostvleugel.
Tot het mobilair behoren een reeks wandtapijten, onder meer de Tristan en Isoldereeks (1580), de Africhting van het paard (17e eeuw), de Vier werelddelen (einde 17e eeuw) door L. Van SchoorSchuingeplaatste paal, balk of stijl die iets schraagt, de druk van een belasting opvangt of een zijdelings verband aanbrengt., Neptunus en Mercurius (18e eeuw). Voorts de beelden, de Ontvoering van Proserpina (1711) door P.-D. Plumier, en de Ontvoering der Sabijnse maagden (18e eeuw).
Egmontpark.
Voormalige tuinen van het Egmontpaleis, met toegang aan de Waterloolaan (nr. 31) en de Grotehertstraat (tussen nr. 10 en 12). Reeds grotendeels verworven door Françoise van Luxemburg en Lamoraal van Egmont tussen 1532 en 1559, uitgebreid tot de Waterloolaan in 1826. Volgens iconografische bronnen uit de 16e en 17e eeuw bestaande uit een kleine en een grote tuin in renaissancestijl, moestuinen en een bos. Vermoedelijk opnieuw aangelegd in klassieke Franse stijl door architect G.N. Servandoni, cf. ontwerpen van 1759-1762 en iconografische bronnen uit de 18e eeuw. Wijzigingen en nivellering onder meer door architect Tilman-François Suys in de jaren 1830. Huidige aanleg n.o.v. architect E. Galoppin, daterend van 1901-1902, waarbij volledige transformatie van de grote tuin en de moestuinen tot een landschapstuin. Het bos werd in 1902-1906 bebouwd met de huizenrij in de Wolstraat nr. 4 tot 54 (zie deze straat).
Oranjerie (cf. supra) in het midden van het park aan de oostzijde.
IJskelder (8) met rondboogportiek van bak- en hardsteen en gemetseld koepelgewelf erachter; reeds vermeld in de verkoopakte van 1752.
Monument samengesteld uit Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., afkomstig van de voormalige verbindingsvleugel (zuidvleugel ereplein), aan de zuidzijde.
Bronzen standbeelden van Peter Pan door G. Frampton van 1924, en van prins Louis-Eugène de Ligne (1735-1814) door J. Cluysenaar van 1935.
Groote Pollepel (9) aan de zuidrand van het park. Overwelfde waterput in gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl, daterend van de 15e eeuw. Afkomstig van de Terarkenwijk op de plaats van de huidige rotonde van de Ravensteingalerij. Opgetrokken door de stadsmagistraat, met een belangrijke rol in de waterbedeling. Eertijds met toren vormige bekroning die reeds in 1660 werd gesloopt, later verbouwd; gesloopt en hier wederopgebouwd in 1954-1957. Octogonale constructie van zandsteen, met sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en gedeeltelijk in baksteen gereconstrueerde steunberen. Spitsboogdeur en getraliede rechthoekige openingen boven de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel.. Straalgewelf met acht zandstenen ribben en bakstenen gewelfkappen in het interieur.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 19270 (1830), 2301 (1906-1910).
Publicaties en studies
D’HOORE W., Het Egmont-Arenbergpaleis te Brussel, Tielt, 1991.
Het Egmont-Arenbergpaleis, Ministerie voor Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, 1972.
LALOIRE E., Histoire des deux hotels dEgmont et du Palais d’Arenberg (1383-1910), Brussel, 1952.
Tijdschriften
DE TRAZEGNIES O., Geschiedenis van het Egmontpaleis (De Woonstede door de eeuwen heen, 1982, 56, p. 2-43.).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid






















