Typologie(ën)
paleis
Parlement
Ontwerper(s)
Barnabé GUIMARD – 1779
Louis MONTOYER – 1783-1784
L.-J. BAUDOUR – architect – 1780
Charles VANDER STRAETEN – 1816-1818
Henri BEYAERT – architect – 1883-1886
Léon-Pierre SUYS – architect – 1847-1849
Tilman-François SUYS – architect – 1847-1849
Gédéon BORDIAU – architect – 1902-1903
Charles VANDER STRAETEN – 1821-1822
Léon-Pierre SUYS – architect – 1863-1864
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Opgericht als zetel van de Raad van Brabant, Kanselarij
en Rekenkamer, heden Parlementsgebouw, betrokken door de Kamer en
de Senaat. ClassicistischVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. gebouwenensemble van 1778-1783, oorspronkelijk op
U-vormige plattegrond, met ereplein, ingeplant in de as van de
noord-zuid-middenlaan van het park, als eindperspectief vanop het
Paleizenplein. Middenvleugel (parallel met de straat) en westelijke vleugel (loodrecht
op de straat) gebouwd voor rekening van de Stad, respectievelijk als zetel van
de Souvereine Raad van Brabant en als residentie van de Kanselier. Bouw bekrachtigd
door keizerlijke patentbrief van 14/4/1778, funderingen aangevat in juli 1778,
eerstesteenlegging op 24/8/1779. Gevelontwerpen door architect Barnabé Guimard,
interieurontwerpen door architecten Ph.J. Sandrié. Oostelijke vleugel (loodrecht
op de straat) op last van de Regering naar ontwerp van Barnabé Guimard in 1779
aangevat voor de vestiging van de Rekenkamer, met bijkomende haakse oostelijke vleugel
aan binnenplaats naar ontwerp van ingenieur-architect L.J. Baudour, in
1783-1784 naar ontwerp van architect Louis Montoyer uitgebreid met een
aanleunende noordelijke vleugel (zie nr. 10).
Nodige aanpassingen en uitbreidingen volgden in functie van de latere
bestemmingen.
De middenvleugel wordt onder Frans Bewind zetel van diverse rechterlijke instellingen;
in de Hollandse Tijd in 1816-1818 naar ontwerp van architect Charles Vander
Straeten aangepast voor de vestiging van de Staten-Generaal: op gelijkvloerse
verdieping, vernieuwing van de inkompartij met vestibules en eretrappen (aan
westkant gerealiseerd na 1820); op de eerste bovenverdieping, bouw van een
imposante vergaderzaal voor de Eerste Kamer (huidige leeszaal aan straatzijde)
en, aan noordzijde, een ruime halfronde vergaderzaal voor de Tweede Kamer, met
galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en tribunes, na de brand van 1820 door dezelfde architect in
1821-1822 wederopgebouwd. Vanaf 1830 “Paleis der Natie”: rotonde nu
vergaderzaal van de Kamer voor Volksvertegenwoordigers, na de brand van 1883
door architect Henri Beyaert in 1883-1886 herbouwd met gewijzigde
galerijen-opstelling. In 1847-1849 noordwestelijke uitbouw met een tweede
halfronde vergaderzaal voor de Senaat (tot dan zetelend in de huidige
leeszaal), eveneens voorzien van galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en tribunes, naar ontwerp van
architect Tilman-François Suys in samenwerking met zoon Léon Pierre Suys;
bijkomende houten lambriseringenWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, koepelbeschildering en -vergulding en nieuwe
glaskap in 1863-1864 onder leiding van L.P. Suys; uitbreiding in 1902-1903 naar
ontwerp van architect Gédéon Bordiau door integratie van de omlopende zuidelijke
galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden..
Haakse westelijke vleugel: in
1798-1802 verhuurd aan een particulier en uitgebaat als Hotel des Etrangers; in 1816-1820 residentie van prins Willem van
Oranje; na brand, samen met de middenvleugel, overgedragen aan de Staat; in
1827-1829 wederopgebouwd onder leiding van Tilman-François Suys; vanaf 1831
betrokken door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, sinds 1961 door de Senaat
voornameljk als ambtswoning van de Senaatsvoorzitter.
Haakse oostelijke vleugel: onder
Frans en Hollands Bewind betrokken door het Nationaal Archief en de rechtbanken
van Eerste Aanleg en Koophandel, vanaf 1830 door diverse ministeriële
departementen; sinds 1949 ambtswoning van de Kamervoorzitter.
Paleis verder in 1872/1873-1878 naar ontwerp van ingenieurs Wellens (1866) en
Van Schoubroeck (1871) aan noordkant, zijde Leuvenseweg en Henri Beyaertstraat,
uitgebreid met twee parallelle haakse vleugels voor commissiezalen van Kamer en
Senaat, waardoor het complex in zijn geheel heden een asymmetrische H-vormige
plattegrond vertoont.
Hoofdvleugel.
Voorgevel met drie bouwlagen en totaal elf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), gemarkeerd door een
imposant centraal tempelfront, en één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) diepe hoekrisalieten. Zandstenen gevelparement
en blauwe hardsteen voor decoratieve elementen, ontpleisterd sinds 1921. Door
imitatiebanden belijnde benedenbouw onder gelede puilijst. Rechthoekige
venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.: beneden met lekdrempels en voluutsluitstenen; boven in geriemde
omlijsting, op de bel-etage met bijkomende orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief., entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. en
balusterleuningen. Rondbogig omlijste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in de hoekpartijen,
oorspronkelijk toegangsdeuren tot de haakse vleugels. Gevelaflijning door omlopend
geleed kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels. onder steigergatenGat aan de bovenzijde van een gevel waarin de horizontale dwarsbalken van een steiger werden bevestigd; vaak afgedekt door smeedijzeren (sier)deksel., kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. en bekronende Lodewijk
XVI-attiek (ter vervanging van de oorspronkelijke die blijkbaar in 1820-1822
tijdelijk werd vervangen door een balustrade). MonumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. uitgewerkt
middenrisaliet van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...): sokkelvormende benedenbouw geritmeerd door
rondboogarcade met verbonden imposten; bovenbouw over twee bouwlagen in
portiekstructuur, met gecanneleerdeParallelle, gootvormige decoratieve groeven op een zuil of pilaster. Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. - gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. op de hoeken -
op door een balustradeHekwerk van spijlen of balusters. verbonden basementen; breed hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met gelede
architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden. onder driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met tandlijst. In het timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. allegorische
voorstelling van de Gerechtigheid, door Gilles-Lambert Godecharle in 1781
gebeeldhouwd, in 1810-1811 hersteld en nogmaals in 1821- 1822, na de brand;
gerestaureerd in 1860 door Guillaume Geefs, in 1898 door A. de Tombay, in
1965-1969 door M. Rau en G. en R. De Jonckheere.
Lagere symmetrische zijvleugels (loodrechte
hoekpartijen op hoofdvleugel) met twee bouwlagen + mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst. en drie
(Wetstraat) en acht (binnenplein) traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Grosso modo zelfde gevelbehandeling
en venstervormen als hoofdvleugel; straatgevel en uiterste zuidelijke traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...)
van pleingevel in licht risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., rijker uitgewerkt: verdiepte benedenvensters
met panelendecor onder de lekdrempels; bovenvensters onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles., al of
niet gemarkeerd door balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en aan Wetstraat door centraal balkon met
siervazen op dubbele acanthusbladconsoles. Overige bovenvensters van
pleingevels verdiept onder spiegels1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. in spaarvelden. Aflijnende kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op
klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. en gegroefde consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. - waartussen versierde casementen aan oostzijde -
en bekronende omlopende balustrade-attiek. Sobere vlak bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. west- en
oostgevels van respectievelijk acht en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met rechthoekige omlijste
openingen, waarop van bij oorsprong aansluitend bijgebouwen en poortgebouwen,
zie Wetstraat nr. 8 en 10.
Paleis aan Leuvenseweg/Henri
Beyaertstraat heden met U-vormig
verbredende uitleg: resultaat van verruimde vergaderzaal van Kamer aan oostkant
(1816-1818, Charles Vander Straeten) en uitbreiding met Senaatszaal aan westkant
(1847-1849, 1863- 1864, architecten Tilman-François en Léon Pierre Suys),
waarop twee haakse noordelijke vleugels (1872- 1878, architecten Wellens en Van
Schoubroeck). BepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevels (aan hoofdgebouw mogelijk deels aangepast ca.
1872-1878?) met belijnde benedenbouw, omlopende kordonsUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels., kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).,
balustrade-attieken en spaarvelden, vensteromlijstingen, panelendecor,
entablementenHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. grosso modo naar concept van de voor- en pleingevels aan de
Wetstraat. Centrale gevelpartij met drie bouwlagen en zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in het
drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) brede middenrisaliet rijker gedecoreerd, met gevelbreed balkon
met siervazen en blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. verfraaid door gebeeldhouwde liggende leeuw.
Uitspringende hoekpartijen met zelfde bouwlaag-hoogte, twee op één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) diep.
Twee parallelle, symmetrische haakse vleugels van zes op drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee
bouwlagen + mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst..
Binnenplein van straat afgesloten door ijzeren hek. Plantsoen sinds 1935
verfraaid door “Fontein met de geknielde knapen” van 1898 door G. Minne. Twee
zij-opritten en centrale steektrap naar verhoogde parking. Terras vóór de
middenpartij bereikbaar via centrale bordestrap, ontdubbeld in rechte linkse en
rechtse steektrap; balustradeHekwerk van spijlen of balusters. met centrale postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. bekroond door imposante
bronzen vaas met gepersonifieerde uitbeelding van het grondwetsartikel “Alle
machten gaan uit van de Natie”, van 1883 door Ch. Brunin.
Interieur.
Hoofdtoegang via ruime witbepleisterde vestibule
(1816-1818, hersteld 1883-1886) met vlakke zoldering en witmarmeren vloer; door
dubbele rijen Dorische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. verdeeld in een centrale hal met rondbogige
pijlerarcade en een westelijke en oostelijke hal respectievelijk leidend naar
Senaat en Kamer. In de zes rondboognissen vorstenstandbeelden (besteld in 1845):
Pepijn van Herstal door E. Simonis, Dirk van den Elzas door L. Jéhotte, graaf
Boudewijn van Vlaanderen door J. Geefs, Jan I van Brabant door Ch. Geerts,
Filips de Goede door J.-B. de Cuyper en Karel V door J.-B. De Bay sr. Eretrappen
(1816-1818, 1821-1822) van koninklijk rood marmer van Beaumont, leidend naar de
bovenverdieping: tongewelf met door rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. versierde caissons; overlopen door
twee rijen Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. opgesplitst in galerijenOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden.; zijde Kamer, decoratief
glas-in-loodraam met allegorische voorstelling door Ch. Baes (1921). Enfilade
van drie zalen (Wetstraat) met bronzen Lodewijk XVI-kroonluchters.
Conferentiezaal en groen salon met marmeren schouwen en
parketvloeren.
Leeszaal met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. schouw (1818) van wit marmer
van Carrara: flankerende composiete zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.; schouwmantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. met rondbogige
spiegelomlijsting op Ionische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en gebeeldhouwd tafereel met
gevleugelde genieën, oorspronkelijk stucbas-reliëf naar ontwerp van F. Rude, na
de brand van 1883 door C.-A. Fraikin in marmer hermaakt. Overlopen en zalen
voorts versierd met bustes van leden van Voorlopig Bewind en van eerste
ministers, met geschilderde portretten van leden van de Koninklijke Familie,
Kamer- en Senaatsvoorzitters e.a.
Rookzaal met wandtapijten naar ontwerp van W. Geets, uit de ateliers
Bracquenié.
Halfronde voornamelijk witbepleisterde vergaderzaal van de Kamer van
Volksvertegenwoordigers (herbouwd in 1883-1886), met dubbele
galerij-opstelling. In de zuidelijke muur centrale portiekstructuur met rondboognis
tussen Ionische driekwartzuilen en standbeeld van koning Leopold I door C.-A.
Fraikin (na 1883) ter vervanging van het oorspronkelijke door J. Geefs (1856);
bas-reliëfs met uitbeelding van de Belgische Leeuw en twee genieën die het
koninklijk monogram onthullen. Aan weerszij, stemtableaus beneden, tribunes
tussen de Ionische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. erboven. Tweeledige en halfronde galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met
superpositie van Dorische pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.; zelfde pilastergeleding
in de gebogen muurwanden; dubbele tribunes op het tweede niveau, enkelvoudige
boven de toegangsdeuren met frontonbekroning in de rechte aanzetmuren. Omlopend
gesculpteerd friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). onder de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop.; koepelgewelf met door
rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. versierde caissons en centrale glaskap; decoratieve wapenschilden van
de oorspronkelijke negen Belgische provincies aan zuidzijde. Groen gestoffeerd
acajouhouten meubilair: voorzittersgestoelte met twee zijtrappen en tafels bestemd
voor vertalers en redacteurs frontaal ten opzichte van de trapsgewijze halfrond
opgebouwde zitbanken van volksvertegenwoordigers.
Vergaderzaal van de Senaat (1847-1849, 1863-1864), met halfronde
plattegrond en twee niveaus, waarvan omlopende bovengalerij geritmeerd door
beige marmeren Corinthische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. Decor in Lodewijk XVI-/Louis-Philippestijl.
In de rechte zuidelijke muur fraaie lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, onder centraal kuifstuk met
uurwerk, marmeren bustes van Louisa Maria en Leopold I en kleine
rondboogtribunes aan weerszij. Erboven, ruime rondboognis en zelfde zuilenstructuur
als galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. en waartussen schilderijen (ca. 1896) van J. de Lalaing met
uitbeelding van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Belgische geschiedenis
en een allegorische voorstelling van Verleden en Toekomst. Gebogen benedenwand
met decoratieve mahoniehouten lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … waarin vijftien geschilderde
portretten van vorsten uit het Ancien Régime door L. Gallait (in 1863 besteld,
in 1878 geplaatst), later aangevuld door twee bijkomende portretten door A.
Hennebicq en J. de Vriendt; rechthoekige omlijste toegangsdeuren, waaronder
twee gedichte, onder druiplijst op consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. Rondbogige arcadestructuur met
pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. op niveau van tribunes en in de achterwand. Rijkelijk gesculpteerd en
verguld koepelgewelf met geëmailleerde blazoenen van de negen Belgische
provincies rondom de cirkelvormige glaskap, uitgevoerd door Charle-Albert.
Granaatkleurig gestoffeerd acajouhouten meubilair met - tegenover het
voorzittersgestoelte - halfcirkelvormige opstelling van senatorenzetels.
Verder commissiezalen en diverse paleisgangen verfraaid met
kunstwerken betrekking hebbend op de Belgische institutionele geschiedenis.
Bronnen
Publicaties en studies
DUCHATEAU M., Het Paleis der Natie, Brussel, 1989.
DUQUENNE X., De oorsprong van het Paleis der Natie (overdruk B.N.B., 12, 1980, pp. 1-36). GOETGHEBUER P.J., Choix des monumens, édifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays-Bas, Gent, 1827, pp. 15-18, pl. 23-26.
MEIRSSCHAUT R, Les sculptures de plein air a Bruxelles, Brussel, 1900, p. 79.
VAN DEN STEENE W., Het Paleis der Natie, Brussel, 1981.
Tijdschriften
DHUICQUE E., La restauration du Palais de la Nation (L’Emulation, 1921, pp. 135-138).














