Typologie(ën)

historische lift
opslagplaats/loods
opbrengsthuis
gelijkvloers met handelszaak

Ontwerper(s)

Josse VAN KRIEKINGEarchitect1911-1913

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Eclectisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016, 2019

id

Urban : 34865
lees meer

Beschrijving

Opbrengstpand in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, met commerciële benedenverdieping en magazijn achterin, ontworpen in 1911-1912 door architect Josse Van Kriekinge voor J. Bartelous & Fils, een firma gespecialiseerd in leerlooierij, lederwaren en huiden.

In september 1911 tekende de architect plannen voor de rechterhelft van het gebouw, evenals voor een achterliggend magazijn, waarvan het ontwerp echter in oktober van datzelfde jaar werd herzien. In 1912 ontwierp Van Kriekinge het linkerdeel van het gebouw. Tot slot voorzag hij het geheel in 1913 van een attiekverdieping onder plat dak.

Gebogen gebouw op een onregelmatig perceel op een verbreding van de square; gevel met twee vlakken in een stompe hoek. Opstand van zeven bouwlagen, de tweede als tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen., de laatste als attiekverdiepingVerdieping (soms halve verdieping), gelegen net boven de kroonlijst of als terugspringende hoogste verdieping van een gebouw. , onder plat dak. Benedenverdieping en tussenverdiepingLage verdieping tussen twee bouwlagen; vaak boven commerciële benedenverdieping gelegen. in hardsteen met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren., verdiepingen in baksteen versierd met hardstenen elementen. Elk gevelvlak is symmetrisch; het linker heeft twee gelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen, het rechter drie, het centrale breder.
Rechts, toegangsdeur met omlijsting met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief., en inrijpoort (thans met hout bekleed), van elkaar gescheiden door een etalage met geronde hoek die naar de toegangsportiek terugwijkt, onder een metalen ligger met kussenblokken1. Dekplaat dat ligt tussen de drager (kapiteel) en het gedragene (balk of boog); 2. Kwartronde kraagsteen van een venster- of deurboog. en een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement).. Links, verbouwde winkelpui; oorspronkelijk, etalages met geronde hoek die naar de centrale portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. terugweken, het geheel eveneens onder ligger.
In de bovenste bouwlagen, muuropeningen met moneelStenen vensterstijl. in het linkervlak en op de middentravee van het rechtervlak. Op de verdiepingen, traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geflankeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., met op de vierde verdieping een deel van de kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op twee lange consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. – overblijfselen van de oorspronkelijke staat – bekroond door een bakstenen postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. voor de attiekborstwering met metalen traliewerk. Op de eerste twee verdiepingen, doorlopend  balkon links, centrale balkons met afnemende breedte rechts; borstweringen op de derde verdieping. Vensters op de vierde verdieping bekroond door een boogvormig houten frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., toegevoegd in 1913. Alle borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. zijn vervangen.
Toegangsdeur met getraliede ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. bewaard, evenals een deel van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. van het rechtervlak, met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. in het onderlicht. Pui met oorspronkelijk raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd..

Interieur.
Oorspronkelijk, rechterdeel met één woning per verdieping. Driehoekig trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. vooraan op de linkertravee. Het ontwerp van het linkerdeel voorzag in een uitbreiding van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., eerst trapezoïdaal dan vijfhoekig, met centrale lift. Deze houten lift, van het merk Waygood Lift, en zijn metalen kooi met smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk zijn bewaard gebleven; beglaasde schachtdeuren met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd. met ovale medaillonsRonde of ovale cartouche.. Eén appartement per bouwlaag in het linkerdeel. In de attiekverdiepingVerdieping (soms halve verdieping), gelegen net boven de kroonlijst of als terugspringende hoogste verdieping van een gebouw.  moesten links mansardes en rechts een appartement komen.

Achteraan, magazijn van drie bouwlagen onder plat dak met een schilddakvormig daklicht in het midden en zadeldakvormige daklichten aan de zijkanten. Verdiepingen georganiseerd in U-vorm langs een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. die toegankelijk is via een wenteltrapTrap die rond een centrale, verticale as of opening spiraalvormig omhoog loopt. achteraan, met een centraal eerste trapdeel en tweede dubbel trapdeel met verschillend uitgewerkte stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust..

Bronnen

Archieven
GAA/DS 13281 (23.01.1912), 13394 (03.05.1912), 13894 (19.08.1913).

Tijdschriften
Almanach du Commerce et de l’Industrie, “Aviation (square de l’)”, 1913.