Typologie(ën)

winkelgalerij

Ontwerper(s)

J. VAN DE PUTTEarchitect1963

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Historicisme

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2016

id

Urban : 31034
lees meer

Beschrijving

Reeks schermgevelsSchijngevel die de achterliggende constructie van een gebouw wil verbergen. vóór de Agoragalerij n.o.v. architect J. Van de Putte, 1963 (zie ook Heuvelstraat nr. 14-20).

 Nr. 7, 9-11, 21, 25. Trap- en klokgevelsGevel waarvan de top klokvormig is. met traditioneelPeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. en laat-barok uitzicht, grosso modo volgens oorspronkelijke ordonnantie gereconstrueerd (1963-1965) met gerecupereerde en nieuwe materialen, op benedenverdieping opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. voor uitstalramen en ingangen van galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden..

 Nr. 27 met tuitgevelPuntgevel bekroond met smalle rechthoekige hals; bij zeventiende eeuwse voorbeelden vaak steunend op schouderstukken. ter vervanging van voorheen neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. gevel van drie bouwlagen met mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst..

Bronnen

Archieven
SAB/OW 73653 en 82066 (1963-1965).

Websites
BALat KIK-IRPA