Typologie(ën)

school

Ontwerper(s)

Louis DE RIJCKERaannemer, architect1899

Juridisch statuut

Ingeschreven op de bewaarlijst sinds 26 maart 1998

Stijlen

Eclectisme

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2014-2016

id

Urban : 28930
lees meer

Beschrijving

Huidige Europese School Brussel I – site Berkendael. Voormalige schoolinstelling in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl, n.o.v. architect Léon De Rycker, 1899.

Geschiedenis

Het gebouw werd in 1899 ontworpen en werd gebouwd op initiatief van Georges Brugmann om er de lokalen van de Ecole Centrale Technique (of het Institut Dupuich) in onder te brengen, een school die aanvankelijk in de Brugmannlaan nr.123-125 was gevestigd. Vanaf 1902 werd het gebouw aan de straatkant uitgebreid met een nieuwe, lage vleugel voor de gymnastiekzaal (n.o.v. architect F. Neirynck).

Berkendaelstraat 70-72, Voormalig Institut Dupuich, s.d (Verzameling Belfius Bank © ARB-GOB).

In 1913 vestigde de Ecole Normale Primaire de l’Etat (opgericht in 1851) zich in de gebouwen. De afdelingen kleuteronderwijs (1921) en middelbaar onderwijs (1926) alsook de graad hoger secundair (1962) werden nadien toegevoegd. Om deze verschillende afdelingen te kunnen huisvesten, werd het gebouw nog met verscheidene paviljoenen uitgebreid. De meeste daarvan verdwenen tijdens de grote restauratiecampagne in 2007 (renovatie van het hoofdgebouw, bouw van een refter en van een sportzaal) toen er (tijdelijk) een vestiging van de Europese Scholen van Brussel in werd ondergebracht. Het complex werd in 2010 uitgebreid met een gebouw genaamd “Berkendael, 66” (nr.66).

Beschrijving

Gebouw oorspronkelijk T-vormig, onder wolfdakZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd.. Hoofdgevel van vier bouwlagen en tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Bakstenen gevel met elementen en banden in hardsteen en simili-witsteen en versierd met polychrome bakstenen. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. of getoogdBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster.. Talrijke diamantkoppenPiramidaal ornament (3 of 4 zijden), onder andere gebruikt in banden en friezen.. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  vervangen.

De eerste twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) volgen de rooilijn van de straat en worden verenigd door een arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. met een timpaanMonumentaal driehoekig of segmentvormig boogveld, meestal besloten in een fronton; vaak rijkelijk versierd. dat oorspronkelijk met een sgraffitoSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). was versierd. De volgende traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) springen in ten opzichte van de rooilijn, waardoor een achteruitbouwstrook ontstaat die met ijzeren traliewerk wordt afgesloten. Ter hoogte van de derde en vierde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), vierkante toren bekroond door een koepelBolvormig gewelf op cirkelvormige, elliptische, vierkante of veelhoekige basis.. Vijfde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) achter een uitspringend portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). onder lessenaarsdakDak bestaande uit één hellend dakvlak..

De hoeken van de rechterzijgevel zijn versierd met torentjes die oorspronkelijk werden bekroond door klokkenhuizen in Oosterse stijl. Tegen deze zijgevel aangebouwd, bijgebouw van één bouwlaag onder wolfdakZadeldak waarvan de nok niet tot de geveleinden doorloopt, maar met korte driehoekige eindschilden (wolfeinden) wordt afgewolfd.; blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. gevel aan de straatkant en hoofdgevel bekroond door een trapgevelGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. met gewelfde aandaken, gedateerd «Anno 1899». Geveltop bekroond door een klein pittoreskPeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. dak op houten consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. versierd met tollenHangende elementen aan de klossen van een kroonlijst..

Achtervleugel haaks op de straat, met in totaal dertien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) over vier bouwlagen. Analoge opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. aan die van de vleugel aan de straatkant. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  vervangen; ijzeren traliewerk van de venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. bewaard.

Aan de straatkant, gescheiden van het hoofdgebouw, vleugel uit 1902 van één bouwlaag en negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) voorzien van hoge en brede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder I-balkIJzeren latei met I-profiel. (n.o.v. architect F. Neirynck). Toegangsdeur in de eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). SchilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.. Oorspronkelijk was dit gebouw als gymnastiekzaal ontworpen.

In het park zijn verscheidene opmerkelijke boomsoorten bewaard –de meeste bomen zijn er meer dan honderd jaar oud.

Ingeschreven op de bewaarlijst 26.03.1998


Bronnen

Archieven
GAV/DS 2130 (1902), 3878 (1906), 6707 (1915), 7607 (1923), 7988 (1923), 13576 (1937), 24105 (2000-2001).

Websites
Inventaris van het natuurlijk erfgoed