Typologie(ën)

herenhuis

Ontwerper(s)

Henri VAN MASSENHOVEarchitect1905-1915

Juridisch statuut

Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024

Stijlen

Beaux-Artsstijl

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2010-2012

id

Urban : 20737
lees meer

Beschrijving

Herenhuis in Beaux-ArtsstijlPeriode: 1905-1930 De Beaux-Artsarchitectuur is een academische en internationale bouwstijl waarvan de belangrijkste uitgangspunten voortkomen uit de zeer invloedrijke École des Beaux-Arts in Parijs, opgericht in de 19e eeuw. In Brussel ontwikkelt de stijl zich vanaf 1905 en sluit hij aan bij het eclecticisme en bij de tendens om terug te grijpen naar de grote Franse Louis-stijlen van de 18e eeuw – classicerend barok (Lodewijk XIV), rococo (Lodewijk XV) en neoclassicisme (Lodewijk XVI) – onder invloed van de wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. De voorkeur voor het Franse academisme ontwikkelt zich in Brussel aanvankelijk via belangrijke realisaties die koning Leopold II toevertrouwt aan architect Charles Girault, die hij in Parijs ontmoet tijdens de wereldtentoonstelling. Voorbeelden zijn de uitbreidingen van het Paleis van Laken, de bouw van het Museum van Tervuren, de arcade van het Jubelpark en de gaanderij-promenade op de dijk van Oostende. Daarna komt deze hernieuwde belangstelling voor de grote Franse stijlen ook tot uiting in talrijke Brusselse woonwijken. De Beaux-Artsstijl komt vooral tot zijn recht in herenhuizen, burgerwoningen, luxueuze appartementsgebouwen, maar ook – en vooral – in prestigieuze semipublieke gebouwen (hotels, banken, bedrijfszetels), waaraan de stijl een respectabele en vertrouwenwekkende uitstraling verleent. Kenmerkend zijn gevels in (imitatie) witsteen en/of rode of oranjekleurige baksteen, versierd met elementen ontleend aan de Franse stijlen van de 18e eeuw, zoals guirlandes, mascarons alsook smeedijzeren borstweringen en deuren. De architectuur onderscheidt zich door een monumentale uitstraling, gerealiseerd door het intensieve gebruik van Franse natuursteen en door het benadrukken van hoek- en inkomtraveeën, die vaak worden uitgewerkt als een rotonde met koepel. Ook de plattegrond evolueert. De traditionele indeling met drie opeenvolgende vertrekken, kenmerkend voor woningen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw, wordt aangepast om meer daglicht binnen te trekken. Dat gebeurt onder meer door het gebruik van daklichten, relatief lage plafonds en een flexibelere circulatie binnen het huis. n.o.v. architect Henri Van Massenhove, ca. 1910.

Won bronzen medaille in de gevelwedstrijd van Schaarbeek van 1911.

Vormt beginpunt van een opmerkelijke huizenrij met dezelfde omvang van nr. 31 tot nr. 45.

Drie bouwlagen onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Hoewel gelegen op een klein driehoekig perceel, heeft het huis een indrukwekkende gevel in similiBepleistering ter imitatie van natuursteen., met schijnvoegenImitatievoeg in metsel - of pleisterwerk, aangebracht om regelmatige verdeling te bewerkstelligen of bijvoorbeeld natuurstenen parement (simili) te suggereren. op benedenverdieping en witstenen elementen. Drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op de verdiepingen, lichtjes inspringend. HoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel. met drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.; inrijpoort, erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. op hoge consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. bekroond door terras met opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Smalle inspringende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., getralied en met hanenkamVlakke samengestelde latei, waarvan de stenen als boogstenen functioneren; in ruime zin slaat de term ook op een boog met een getrapte (pseudo-) boogrug. op benedenverdieping. DakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met gebogen frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. door attiekmuurtje; drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. op grootste dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. in hoofdtraveeBredere en rijker uitgewerkte travee, meestal van een huis met asymmetrische compositie; vaak in risaliet en onder bekronende topgevel.. Rijk gebeeldhouwd decor. Met uitzondering van dat van de dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap., bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., dat van eerste verdieping met medaillonRonde of ovale cartouche. in bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.. Toegangsdeur en garagepoort met oculiKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. SmeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk.

Interieur
Het onregelmatige perceel geeft de kamers een ongewone indeling. Op benedenverdieping, hal met grote schoorsteen en garage vooraan, keuken achteraan. Vanuit de hal vertrekt een trap naar eerste verdieping, met salon en eetkamer in enfilade. Daaruit vertrekt tweede, driehoekige trap naar slaapkamers en mansardes. Hal en eerste verdieping versierd met hoge eiken paneellambrisering. In salon, drie ingebouwde kasten in neobarokDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. en grote schoorsteen met mantelHouten of natuurstenen bekleding rond de opening of mond van een schouw. met zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en haard versierd met azulejos. Eetkamer met tongewelf.

Bronnen

Archieven
GAS/Bulletin communal de Schaerbeek, 1911, pp. 648-649

Tijdschriften
Album de la Maison Moderne, 1911, pl. 7.