Typologie(ën)

herenhuis

Ontwerper(s)

Fernand STIERNETarchitect1928

Stijlen

Beaux-Artsstijl

Inventaris(sen)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2010-2012

id

Urban : 20732
lees meer

Beschrijving

Herenhuis met bijgebouw in Beaux-ArtsstijlArchitectuurstroming (ca. 1905-1930) met reminiscenties aan de grote Franse architectuurstijlen uit de 18e eeuw. Rijk en zorgvuldig gedecoreerde gevels in natuursteen en/of simili of in combinatie met baksteen. Borstweringen en poorten in fraai uitgewerkt smeedwerk. n.o.v. architect Fernand Stiernet, 1928.

Gelegen op uitgestrekt eigendom, halfopen bebouwing met L-vormig plan. Aan straatkant, inrijpoort met hek in afsluitingsmuur die toegang geeft tot tuin en achterliggende garage.

Twee bouwlagen onder gecombineerde bedaking. Bakstenen gevels met witstenen elementen. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. op benedenverdieping, onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op verdieping. Venster- en deurlijstingen met neggen, hoeken met hoekkettingAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel.. Rijk gebeeldhouwd decor met schelpen en mascaronsGehouwen versiering onder de vorm van een (fantastisch) mensen- of dierenmasker.. DakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met rondboogvormige kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en œils-de-bœuf.

Aan straatkant, gevel van zeven ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de drie laatste gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. en in licht risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden.. Eerste smalle traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), met dienstingang onder schouderboog. Tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met trapezoïdale erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld.. Hoofdingang onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. op derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). RisalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met centraal balkon.

Symmetrische zijgevel van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) voorzien van ingang met bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. en balkon, aan weerszijden van grote nis met waterbekken; twee smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op verdieping. Borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van bordessen1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. beklemtoond door zuil met vaasbekroning.

De Jamblinne de Meuxplein 3-5, achtergevel (foto 2011).

Links op achtergevel lichtjes gewelfde voorbouw en drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere., bekroond door terras met postamenten1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. en traliewerk voor drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met centrale glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat.. Rechts twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uitgevend op kleine binnenplaats.

Laterale achtervleugel met drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), waarvan de uitersten smal en met deur. Centraal brede risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden. met drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. op benedenverdieping; rechts, voorbouw onder terras.

Oorspronkelijk schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  met gewelfde tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt., maar met toevoeging van dubbele beglazing met gekleefde glasroedes. Oorspronkelijke houten deuren met bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. versierd met smeedijzeren waaierWaaiervormige roedeverdeling van een bovenlicht, in houtsnijwerk of in smeedijzer.. Bewaarde smeedijzeren elementen.

Interieur
In 1982 bestemd voor kantoren en daartoe verbouwd in 1987 (architect R. De Winter), bewaart op benedenverdieping de meeste van de oorspronkelijke decors. Grote centraal gelegen eiken trap met smeedijzeren leuning, onder lichtkoepel met glas-in-loodraam met motieven in neo-régencestijl. Rechtergedeelte op benedenverdieping ingenomen door grote ontvangstzaal met schoorsteen in roodbruin marmer en muurversiering in stuc. Achteraan, vroegere eetplaats met lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, … van beschilderd hout.

Tuin met twee oude bomen, ontworpen door landschapsarchitect Jean Caneel-Claes maar onlangs heraangelegd. Erlangs loopt een rijweg versierd met belvedère tegen witstenen muur met gewelfde bekroning tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. met topstuk en versierd met twee bas-reliëfs met mythologische motieven; ruimte afgezoomd door balustradeHekwerk van spijlen of balusters. van hardsteen, witsteen en rood marmer.

Achter aan de tuin, garage met vijfhoekige plattegrond, nu ingenomen door kantoren. Eén bouwlaag onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken., in zelfde materialen als het huis maar minder versierd. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  vervangen.

Bronnen

Archieven
GAS/DS 64-3-5.
AAM/Fonds Jean Caneel-Claes.

Tijdschriften
“Jardin privé à Schaerbeek”, La Cité, 1931, 4, p. 52.