Typologie(ën)
school
kantoorgebouw
Congrescentrum
kantoorgebouw
Congrescentrum
Ontwerper(s)
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
naoorlogs modernisme
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Inventaris van koloniale sporen (DPC-DCE 2024-2025)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2005-2007
id
Urban : 17195
Beschrijving
Voormalige koloniale school en kantoren bestemd voor de opleiding van overzees kaderpersoneel, in modernistischeHet modernisme duidt
elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel
van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als
de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond,
eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat
dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële
materialen zoals gewapend beton, staal, glas).
Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken,
drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot
rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere
volumes en sterk gereduceerde decoratie.
Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden.
Modernisme van het interbellum
Periode: ca. 1920 – 1940
In Brussel is het modernisme van het interbellum
soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral
in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt
geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale
gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat
uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende
rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde
horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op
het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl.
Naoorlogs modernisme
Periode: ca. 1940 – 1960
Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende
karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek
(eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas
het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en
toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze
architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in
het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd
in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen
benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak
als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning
(met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op
het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie,
aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt.
Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd
Periode: ca. 1950 – 1965
Het ludiek modernisme of
de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke
woningen in die periode figureerden),
dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is
een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de
jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960.
De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het
functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren,
die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels,
boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige
motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert
graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste
structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de
kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen
zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot
succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950
worden ontwikkeld.
Laat modernisme
Periode: ca. 1970-1980
Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de
mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme
zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden
(rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie
van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de
structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes
verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen
met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar
inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties
staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken
(blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere
kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden
ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken
lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en
gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand
van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen
(rookglas).
Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien
als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast
op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode
waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich
tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan
het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak
wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie
van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse
klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl, voor rekening van het ministerie van Koloniën en n.o.v. architecten René Aerts en Paul Ramon, 1954.
Vijf bouwlagen en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder plat dak. Gebouw bestaat uit twee delen. Eerste deel bestaande uit twee inspringende traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) binnen zware betonnen omlijsting; tweede gedeelte met vier identieke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); hoogste bouwlaag inspringend en geritmeerd door pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) die scheiding tussen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) benadrukken.
Gevel in gewassen en geciseleerdBewerking van natuursteen waardoor een geribd oppervlak ontstaat. beton en schiefer (eerste travee); benedenverdieping deels bekleed met in reliëf geplaatste hardstenen plavuizen. Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) quasi blindZonder opening; blind venster, schijnopening., uitgezonderd smalle brede rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. voor liftkoker. Tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) over hele hoogte met vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. die gordijngevelNiet dragende gevel, meestal bestaande uit een opeenstapeling van vensterregisters. vormen en trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. verlichten. In rest van gevel grote brede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Bewaard aluminium schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... . VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. uitspringend met aan zijkant klein en smal verticaal of horizontaal draaiend raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn..
Vijf bouwlagen en zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) onder plat dak. Gebouw bestaat uit twee delen. Eerste deel bestaande uit twee inspringende traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) binnen zware betonnen omlijsting; tweede gedeelte met vier identieke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); hoogste bouwlaag inspringend en geritmeerd door pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) die scheiding tussen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) benadrukken.
Gevel in gewassen en geciseleerdBewerking van natuursteen waardoor een geribd oppervlak ontstaat. beton en schiefer (eerste travee); benedenverdieping deels bekleed met in reliëf geplaatste hardstenen plavuizen. Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) quasi blindZonder opening; blind venster, schijnopening., uitgezonderd smalle brede rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. voor liftkoker. Tweede traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) over hele hoogte met vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. die gordijngevelNiet dragende gevel, meestal bestaande uit een opeenstapeling van vensterregisters. vormen en trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. verlichten. In rest van gevel grote brede venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Bewaard aluminium schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... . VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. uitspringend met aan zijkant klein en smal verticaal of horizontaal draaiend raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn..
Verzorgde achtergevel met identieke raamkaders als op voorgevel.
Bijgebouwen in Wethoudersstraat n.o.v. arch. Serge Coteur, 1964: vergaderzaal aan achterkant van nr. 40 en conciërgewoning in Wethoudersstraat nr. 17. Deze laatste thans gesloopt en vervangen door grote parking binnen huizenblok.
Bijgebouwen in Wethoudersstraat n.o.v. arch. Serge Coteur, 1964: vergaderzaal aan achterkant van nr. 40 en conciërgewoning in Wethoudersstraat nr. 17. Deze laatste thans gesloopt en vervangen door grote parking binnen huizenblok.
Bronnen
Archieven
GAE/DS 314-40.








































