Typologie(ën)

villa

Ontwerper(s)

Albert GEENSarchitect1904

Juridisch statuut

Beschermd sinds 01 april 2021

Stijlen

Eclectisme
Neo-Vlaamse renaissance
Art nouveau
Regionalistische architectuur

Inventaris(sen)

  • Het monumentale erfgoed van België. Brussel Uitbreiding Zuid (Apeb - 2005-2008)

Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)

Onderzoek en redactie

2006-2007

id

Urban : 16152
lees meer

Beschrijving

Villa in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met elementen in neo-Vlaamse renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. en art nouveauPeriode: 1890 – 1914 De art nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en 1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de academische kunst van de 19e eeuw nastreeft. In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar (1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen, sociale woningen en handelszaken. Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen, mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters., n.o.v. Tiense arch. Albert Geens, 1904-1906.

Sterk inspringend t.o.v. rooilijn van Franklin Rooseveltlaan, die nog niet was aangelegd toen villa werd gebouwd. Vroeger bereikbaar via Victorialaan, waarvan toen ook 's Heerenhuyslaan deel uitmaakte en die tot aan Terhulpsesteenweg doorliep. Achter terrein loopt langs rand van het bos nog een pad, dat herinnert aan vroeger tracé van laan.

Alphonse Schovaers, opdrachtgever van villa, had tussen 1898 en 1902 in dezelfde laan al vijf villa's van dit type laten bouwen. Met uitzondering van nr. 89A en één villa die begin jaren 1980 werd gesloopt, werden alle andere villa's gesloopt met het oog op wereldtentoonstelling van 1910. Samen met voormalige “Château Solbosch” (zie Franklin Roosevelt nr. 86), eveneens van 1904, is de villa van Albert Geens in Solboschwijk enige gebouw daterend uit bouwfase van voor wereldtentoonstelling van 1910.

Zoals blijkt uit blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. oostelijke muur (kant F. Rooseveltlaan), zou villa tegen tweede, waarschijnlijk nooit ontworpen, villa aanleunen.
Min of meer rechthoekig grondplan, maar complexer gemaakt door meerdere uitbouwen: groot terras voor verhoogde ingang op benedenverdieping; vierkante toren waarin trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., met rest van villa verbonden d.m.v. kwartcirkelvormige toren; zes-, drie- en rechthoekige uitbouwen, enz. In elke gevel andere compositie. Bakstenen gevels met banden van lichte baksteen en hardstenen elementen.

Franklin Rooseveltlaan 89A, hoek tussen west- en zuidgevel (foto 2007).

Hoge onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. in hardstenen breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen.; muuropeningen met getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. bakstenen omlijsting. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in meerdere opmerkelijke vormen door spel van stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en tussendorpelsStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.: kruisvenstersVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld., halfronde venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. onder hoefijzerboogBoog die meer dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een hoefijzer., enz. Daken en bekroningen volgen diverse uitbouwen en dragen bij tot complexiteit van geheel: voorbouwen bekroond met tentdakenDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak. en trapgevelsGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt.. Houten kroonlijstenStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op japoniserende korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. (voorbouwen, toegangspergola) of koofvormigConvex gebogen lijst..
Aan westkant (boskant) compositie geritmeerd door kleine sculpturen: onder uitkraging van vierkante toren, twee middeleeuws geïnspireerde consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. in vorm van mannelijke geketende personages.

Franklin Rooseveltlaan 89A, middeleeuws geïnspireerde kraagsteen (foto 2006).

Tweeledige borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met twee reliëfs van boer en boerin met schoffel op de schouder. Garage in souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping. onder terras, van latere datum. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ...  oorspronkelijk.

Interieur. TraditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. indeling: kelderkeuken in souterrainHoge kelder of half verzonken verdieping., enfilade van salon, eetkamer en boudoir op bel-etage en kamers op verdiepingen. Donker eiken houtwerk voor lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …, plafondbekleding, deuren, enz. NeogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). aankleding van salon met mooie schoorsteen met versierde wangenStenen zijkanten van schouwmantel, balkonborstwering, of andere. waarop man vrouw omhelst en omgekeerd. Eetkamer met elementen van régencestijl met schoorsteen in rouge royal. Talrijke elementen blijkbaar gerecupereerd van ouder(e) gebouw(en): trappaalHoofdbaluster aan de eerste trede van een trap. en balustradesHekwerk van spijlen of balusters. die scheiding vormen in keuken. In boudoir schoorsteen met versierde wangenStenen zijkanten van schouwmantel, balkonborstwering, of andere. (geharnaste man en vrouw met hoorn des overvloedsGedraaide hoorn met bloemen, vruchten en andere voorwerpen gevuld om overvloed te symboliseren., vruchten) en kunstig bewerkte houten lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met jaartal 1663. In trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. twee houten kraagstenen met groteskenVersiering, samengesteld uit grillige, fantastische figuren en krullen waarin dier- en mensengedaanten zijn verwerkt. en twee, waarschijnlijk gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk)., kraagstenen, één met mannelijk gezicht andere met vrouwelijke gezicht. Wijwatervat fungeert als lavabo. Volgens voorlaatste eigenares van villa, verwant aan familie Schovaers, zouden sommige van deze elementen afkomstig zijn van het karmelietenklooster van Brussel.

Bronnen

Archieven
SAB/OW 89A: 24170 (1904-1906); ander huizen i.o.v. Schovaers: 24156 (1898), 24157 (1898-1899), 24624 (1900), 24158 (1902).