Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
klooster/abdij
Ontwerper(s)
Laurent-Benoit DEWEZ – 1764
Stijlen
Neoclassicisme
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Het monumentale erfgoed van België. Vorst (DPC-DCE - 2014-2020)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016-2019
id
Urban : 29395
Beschrijving
Overblijfselen van een groot kloostercomplex in
neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840.
Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar
Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en
verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk
de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de
Eerste Wereldoorlog opduiken.
In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het
18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het
neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na
de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de
samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een
aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel.
Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie
bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met
drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden
bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een
nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de
proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel,
los van de achterliggende structuur.
Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde
belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de
opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand
Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud,
rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo.
De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele
herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en
praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme
gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven
uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel
lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde
pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte”
stad.
Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht
gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt
symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms
steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een
toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en
bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons
en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek
geïnspireerde hoofdgestel.
Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal:
pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen.
Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In
prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren
borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer.
In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige
stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen
en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie
en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn
het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de
Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt
(1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot
Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving
van de vroegere stadspoorten.
Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor
monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze
instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien
talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt
vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende
dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of
vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen
vormentaal. stijl, bestaande uit een ingangspaviljoen met halfronde
zijvleugels (voorplein) en, aan de uiteinden, twee hoofdgebouwen, naar ontwerp
van architect Laurent-Benoît Dewez, 1764.
De site is toegankelijk vanaf het Sint-Denijsplein en wordt afgebakend door de Brits Tweedelegerlaan, de Abdissenstraat en de Brusselse steenweg. De gebouwen liggen ten noorden van de Sint-Denijskerk (zie Brusselse Steenweg nr.26).
Geschiedenis
Vanaf de 11e eeuw was het dorp Vorst de zetel van een autonome parochie waarvan het patronaat in 1105 aan de abdij van Affligem werd afgestaan. Het beschikte over een klein gebedshuis toegewijd aan de heilige Alena en werd omringd door een begraafplaats. Naast de koorafsluiting was een heilige notelaar geplant, verwijzend naar de legende van de heilige Alena. Begin 12e eeuw stelde een particulier een woning voor de liturgie ter beschikking van de parochianen. Het gebouw werd aan de heilige Dionysius toegewijd.
Tussen 1105 en 1117 vestigde de abt van Affligem in Vorst de kleine priorij van de benedictijnerzusters die hij in 1096 had opgericht in Meerhem, in de buurt van Aalst. De priorij nam een terrein in dat was afgestaan door de kastelein van Brussel nabij de Geleytsbeek en de parochiekerk van het gehucht.
In een eerste fase moesten dorpelingen en geestelijken noodgedwongen dezelfde kerk gebruiken, maar deze situatie was moeilijk leefbaar voor de zusters, omdat de regel van Sint-Benedictus voorschreef dat ze zich van de buitenwereld moesten afzonderen. Vanaf de tweede kwart van de 12e eeuw bouwden de parochianen daarom een nieuwe parochiekerk die aan de heilige Dionysius toegewijd bleef en waarin het kleine gebedshuis toegewijd aan de heilige Alena werd opgenomen.
De zusters behielden het oude gebouw, dat van dan af uitsluitend voor de priorij was bestemd. Begin 13e eeuw vervingen ze dit gebouw door een grote abdijkerk waarvan de bouw tot de 15e eeuw voortduurde. Ze werd opgetrokken nabij de Sint-Denijskerk en buiten de kloosteromheining; ze werd binne kerke genoemd, om ze te onderscheiden van het gebedshuis van de parochianen, de buyte kerke.
Tot in 1238 bleef de kloostergemeenschap onder de voogdij van de abt van Affligem. Hij stelde de moeder-overste aan, hij waakte over de religieuze discipline en de regelmaat van het monastieke leven in de priorij en beheerde de wereldlijke goederen. De instelling bevrijdde zich van deze voogdij in 1238, en in 1239 werd de priorij verheven tot de rang van abdij (aanstelling van de eerste abdis, Petronella). De abdij hing van dan af van de bisschop van Kamerijk, die de statuten van de gemeenschap vastlegde.
Vanaf haar oprichting kende abdij een groot succes. De toetreding van de uit de adel en gegoede burgerij afkomstige zusters ging gepaard met aanzienlijke bruidsschatten. Haar nieuwe rijkdom, nog vergroot door talrijke schenkingen in het kader van de verering van de heilige Alena –de relikwieën van de heilige Alena waren in de tweede helft van de 12e eeuw aan de zusters afgestaan – zou de abdij in staat stellen uitgestrekte domeinen te verwerven. Ze werd tevens een van de grootste graanproducenten uit de regio en was ook heel actief in de veeteelt.
Vanaf het einde van de 14e eeuw en de hele 16e eeuw lang ondernamen de zusters grote bouwwerkzaamheden. In tegenstelling tot de courante bouwpraktijk voor benedictijnerabdijen, verrezen de eerste kloostergebouwen ten noorden van de abdijkerk, omdat de zuidelijke kant al door de Sint-Denijskerk en de Sint-Alenakapel werd ingenomen.
Binnen de kloosteromheining beschikte de abdij over een hoeve, Veehof genaamd (in het zuidwesten van het complex), een brouwerij, een bakkerij, stallen, maar ook een boomgaard en een wijngaard met hun respectieve exploitatiegebouwen. Op de linkeroever van de Geleytsbeek werd een molen gebouwd, net voorbij de plek waar de beek het abdijdomein binnenstroomde.
Na vele plunderingen, branden en allerhande beschadigingen en vernielingen, opeenvolgend als gevolg van het gewapend conflict dat de Franse koning Karel VIII tegenover Maximiliaan van Oostenrijk plaatste (eind 15e eeuw), van de lutherse en calvinistische Godsdienstoorlogen tijdens het Spaanse bewind (1555-1714), en van de Franse invasies tijdens het bestuur van Lodewijk XIV (eind 17e eeuw), werd de abdij in 1764 gedeeltelijk verwoest door een accidentele brand.
In datzelfde jaar begon de toenmalige abdis, Marie-Josèphe de Bousies de Rouveroy, met de volledige renovatie van de abdij; de plannen daarvoor werden toevertrouwd aan Laurent-Benoît Dewez, de vaste architect van Karel van Lotharingen. Deze renovatiecampagne, die nooit werd afgerond, moet in de bredere context in die periode worden gezien: in een twintigtal van de grootste Belgische abdijen vonden grote werkzaamheden plaats, het resultaat van het fiscale beleid dat de Oostenrijkse regering jegens hen voerde. Veel van die renovaties, zoals die van de abdijen van Orval, Affligem of Sint-Pieters in Gent, waren het werk van Laurent-Benoît Dewez, die het neoclassicismeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. introduceerde in de kerkelijke architectuur en, algemener, in de Oostenrijkse Nederlanden.
Dewez werd belast met de volledige heraanleg van de site, maar hij bewaarde de bestaande gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). abdijkerk (eerste helft 15e eeuw), die lateraal t.o.v. het nieuwe complex ingeplant lag. Vanaf 1770 werden de werkzaamheden overgenomen door architect Jean-François Wincqz, die bij Dewez stage had gelopen. Maar de Franse Revolutie maakte een einde aan de werken: enkel het gedeelte bestemd voor de ingang en het neerhof werd uitgevoerd – het abtenpaleis, het hoofdgebouw dat aan de achterkant van de binnenplaats zou worden gebouwd, aan noordelijke zijde, zou nooit het daglicht zien.
In 1794 werd de abdij door de revolutionaire troepen geplunderd, terwijl de zusters de vlucht namen naar Duitsland (Würzburg). In 1795 werden de goederen van de abdij aangeslagen en openbaar verkocht, en eind 1796 werd de kloostergemeenschap ontbonden. De parochianen van Sint-Denijs recupereerden enkele stukken om hun kerk te versieren, zoals een veelluik uit het midden van de 16e eeuw en het oude triomfkruis.
De zusters bleven tot 1810 in Duitsland. Na hun terugkeer in Brussel vestigden ze zich in de Minimenstraat, waar de laatste onder hen in 1837 overleed.
Het gehele domein werd in 1797 verworven door een zekere Jean-Louis Rousseau, aannemer uit Charleville, die de systematische ontmanteling van de gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). gebouwen aanvatte om er bouwmateriaal bestemd voor de verkoop van te maken. De aannemer bewaarde echter wel alles wat van het plan van Dewez was uitgevoerd (koetshuizen, stallen, personeelswoningen en de priorij). Het “wereldlijke” karakter van de classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl met Franse inslag van de gebouwen, die overigens in goede staat verkeerden, verklaart wellicht waarom ze gespaard bleven.
In 1808 werd de abdijsite gekocht door Philippe Papin, die er nadien een groot gedeelte van verkocht aan verschillende eigenaars. De laatste gebouwen werden gesloopt of ingewerkt in complexen die als werkplaatsen of manufacturen werden gebruikt.
Rond 1810 waren de abdijkerk en het klooster volledig verdwenen. Op de plaats van de abdijkerk liet een zekere Adrien Van Nijvel een calicotfabriek bouwen.
Nadat de molen van de abdij in de jaren 1880 buiten dienst was gesteld (hij verdween toen de Geleytsbeek werd overwelfd), installeerde Papin arbeiderswoningen in sommige gebouwen (priorij, oostvleugel, westvleugel en gebogen westvleugel). In de buitenmuur van de gebogen vleugel werden muuropeningen aangebracht, terwijl binnenin tussenwanden werden geplaatst.
De familie de Decker-Papin bleef eigenaar van de kloostersite tot de gemeente Vorst in 1964 besliste ze te kopen. Vanaf 1971 vertrouwde ze de renovatie ervan toe aan de architecten Marcel en Paul Mignot. Het oude kloostercomplex wordt thans voor socioculturele activiteiten gebruikt.
Beschrijving
Het huidige complex bestaat uit een grote binnenplaats afgeboord door twee kwartcirkelvormige vleugels (dienstgebouwen), symmetrisch verdeeld vanuit een hoger toegangsportaal, en twee grote inspringende hoofdgebouwen.
In overeenstemming met de regel van Sint-Benedictus was het oorspronkelijke plan georganiseerd volgens een monastieke levenswijze verdeeld tussen gebed en handenarbeid.
Het paviljoen van de hoofdingang:
Aan het Sint-Denijsplein, ingangspaviljoen in witsteen behandeld als een antieke triomfboog: opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van twee bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de centrale met een rondboogportaal geflankeerd door twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en bekroond door een hoog hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. onder driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., dat op zijn beurt door een vaas wordt bekroond. Aan weerszijden van het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule)., zijtraveeën met een muuropening onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op de benedenverdieping en een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. op de verdieping. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. aan de zijkant bekroond met vazen. MansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken..
Aan de binnenplaats, achtergevel van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in baksteen (bepleisterd) met witstenen elementen. Centraal, portaalboog gevat in een centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geflankeerd door twee smalle traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), het geheel bekroond door een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op vier pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Rechthoekige muuropeningen op de benedenverdieping, boogvormige muuropeningen en nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. op de verdieping. Onderschild van het mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. met oeils-de-boeufKleine ronde, ovale of achthoekige dakkapel; meestal in zink..
De vleugels en de secundaire portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). rond de binnenplaats:
Aan weerszijden van de binnenplaats en vertrekkend vanaf het ingangspaviljoen, twee gebogen vleugels in baksteen met elementen in witsteen, anderhalve bouwlaag hoog, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. (bijgebouwen). Gevels met negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) waarin rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.. Deze vleugels eindigen in een secundair portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. en waarvan de behandeling, hoewel minder goed uitgewerkt, herinnert aan die van het paviljoen van de hoofdingang (de vleugels gaven vroeger toegang tot de landbouwzone en de weiden).
De achtergevels zijn sober, met twee bouwlagen van steekboogopeningen gevat in brede stenen omlijstingen (metalen traliewerk).
In het verlengde van deze secundaire portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule)., vleugels met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) waarin rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. analoog aan die van de gebogen vleugels.
De hoofdgebouwen:
In het verlengde van de zijvleugels en tegenover elkaar liggend, twee lichtjes inspringende hoofdgebouwen, waarschijnlijk bestemd voor de gasten en pelgrims.
Rechthoekige volumes onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Perfect symmetrische gevels met negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in baksteen met witstenen elementen. Rechthoekige muuropeningen gevat in brede stenen omlijstingen. Op de middentravee, ingangsdeur achter bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap., die van het noordelijke hoofdgebouw onder een sterk uitspringend frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. In midden van het dak, imposante oeil-de-boeufKleine ronde, ovale of achthoekige dakkapel; meestal in zink. en een grote rechthoekige cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. die het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. doorbreekt; aan weerszijden daarvan, kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..
De site is toegankelijk vanaf het Sint-Denijsplein en wordt afgebakend door de Brits Tweedelegerlaan, de Abdissenstraat en de Brusselse steenweg. De gebouwen liggen ten noorden van de Sint-Denijskerk (zie Brusselse Steenweg nr.26).
Geschiedenis
Vanaf de 11e eeuw was het dorp Vorst de zetel van een autonome parochie waarvan het patronaat in 1105 aan de abdij van Affligem werd afgestaan. Het beschikte over een klein gebedshuis toegewijd aan de heilige Alena en werd omringd door een begraafplaats. Naast de koorafsluiting was een heilige notelaar geplant, verwijzend naar de legende van de heilige Alena. Begin 12e eeuw stelde een particulier een woning voor de liturgie ter beschikking van de parochianen. Het gebouw werd aan de heilige Dionysius toegewijd.
Tussen 1105 en 1117 vestigde de abt van Affligem in Vorst de kleine priorij van de benedictijnerzusters die hij in 1096 had opgericht in Meerhem, in de buurt van Aalst. De priorij nam een terrein in dat was afgestaan door de kastelein van Brussel nabij de Geleytsbeek en de parochiekerk van het gehucht.
In een eerste fase moesten dorpelingen en geestelijken noodgedwongen dezelfde kerk gebruiken, maar deze situatie was moeilijk leefbaar voor de zusters, omdat de regel van Sint-Benedictus voorschreef dat ze zich van de buitenwereld moesten afzonderen. Vanaf de tweede kwart van de 12e eeuw bouwden de parochianen daarom een nieuwe parochiekerk die aan de heilige Dionysius toegewijd bleef en waarin het kleine gebedshuis toegewijd aan de heilige Alena werd opgenomen.
De zusters behielden het oude gebouw, dat van dan af uitsluitend voor de priorij was bestemd. Begin 13e eeuw vervingen ze dit gebouw door een grote abdijkerk waarvan de bouw tot de 15e eeuw voortduurde. Ze werd opgetrokken nabij de Sint-Denijskerk en buiten de kloosteromheining; ze werd binne kerke genoemd, om ze te onderscheiden van het gebedshuis van de parochianen, de buyte kerke.
Tot in 1238 bleef de kloostergemeenschap onder de voogdij van de abt van Affligem. Hij stelde de moeder-overste aan, hij waakte over de religieuze discipline en de regelmaat van het monastieke leven in de priorij en beheerde de wereldlijke goederen. De instelling bevrijdde zich van deze voogdij in 1238, en in 1239 werd de priorij verheven tot de rang van abdij (aanstelling van de eerste abdis, Petronella). De abdij hing van dan af van de bisschop van Kamerijk, die de statuten van de gemeenschap vastlegde.
Vanaf haar oprichting kende abdij een groot succes. De toetreding van de uit de adel en gegoede burgerij afkomstige zusters ging gepaard met aanzienlijke bruidsschatten. Haar nieuwe rijkdom, nog vergroot door talrijke schenkingen in het kader van de verering van de heilige Alena –de relikwieën van de heilige Alena waren in de tweede helft van de 12e eeuw aan de zusters afgestaan – zou de abdij in staat stellen uitgestrekte domeinen te verwerven. Ze werd tevens een van de grootste graanproducenten uit de regio en was ook heel actief in de veeteelt.
Vanaf het einde van de 14e eeuw en de hele 16e eeuw lang ondernamen de zusters grote bouwwerkzaamheden. In tegenstelling tot de courante bouwpraktijk voor benedictijnerabdijen, verrezen de eerste kloostergebouwen ten noorden van de abdijkerk, omdat de zuidelijke kant al door de Sint-Denijskerk en de Sint-Alenakapel werd ingenomen.
Binnen de kloosteromheining beschikte de abdij over een hoeve, Veehof genaamd (in het zuidwesten van het complex), een brouwerij, een bakkerij, stallen, maar ook een boomgaard en een wijngaard met hun respectieve exploitatiegebouwen. Op de linkeroever van de Geleytsbeek werd een molen gebouwd, net voorbij de plek waar de beek het abdijdomein binnenstroomde.
Na vele plunderingen, branden en allerhande beschadigingen en vernielingen, opeenvolgend als gevolg van het gewapend conflict dat de Franse koning Karel VIII tegenover Maximiliaan van Oostenrijk plaatste (eind 15e eeuw), van de lutherse en calvinistische Godsdienstoorlogen tijdens het Spaanse bewind (1555-1714), en van de Franse invasies tijdens het bestuur van Lodewijk XIV (eind 17e eeuw), werd de abdij in 1764 gedeeltelijk verwoest door een accidentele brand.
In datzelfde jaar begon de toenmalige abdis, Marie-Josèphe de Bousies de Rouveroy, met de volledige renovatie van de abdij; de plannen daarvoor werden toevertrouwd aan Laurent-Benoît Dewez, de vaste architect van Karel van Lotharingen. Deze renovatiecampagne, die nooit werd afgerond, moet in de bredere context in die periode worden gezien: in een twintigtal van de grootste Belgische abdijen vonden grote werkzaamheden plaats, het resultaat van het fiscale beleid dat de Oostenrijkse regering jegens hen voerde. Veel van die renovaties, zoals die van de abdijen van Orval, Affligem of Sint-Pieters in Gent, waren het werk van Laurent-Benoît Dewez, die het neoclassicismeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. introduceerde in de kerkelijke architectuur en, algemener, in de Oostenrijkse Nederlanden.
Dewez werd belast met de volledige heraanleg van de site, maar hij bewaarde de bestaande gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). abdijkerk (eerste helft 15e eeuw), die lateraal t.o.v. het nieuwe complex ingeplant lag. Vanaf 1770 werden de werkzaamheden overgenomen door architect Jean-François Wincqz, die bij Dewez stage had gelopen. Maar de Franse Revolutie maakte een einde aan de werken: enkel het gedeelte bestemd voor de ingang en het neerhof werd uitgevoerd – het abtenpaleis, het hoofdgebouw dat aan de achterkant van de binnenplaats zou worden gebouwd, aan noordelijke zijde, zou nooit het daglicht zien.
In 1794 werd de abdij door de revolutionaire troepen geplunderd, terwijl de zusters de vlucht namen naar Duitsland (Würzburg). In 1795 werden de goederen van de abdij aangeslagen en openbaar verkocht, en eind 1796 werd de kloostergemeenschap ontbonden. De parochianen van Sint-Denijs recupereerden enkele stukken om hun kerk te versieren, zoals een veelluik uit het midden van de 16e eeuw en het oude triomfkruis.
De zusters bleven tot 1810 in Duitsland. Na hun terugkeer in Brussel vestigden ze zich in de Minimenstraat, waar de laatste onder hen in 1837 overleed.
Het gehele domein werd in 1797 verworven door een zekere Jean-Louis Rousseau, aannemer uit Charleville, die de systematische ontmanteling van de gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). gebouwen aanvatte om er bouwmateriaal bestemd voor de verkoop van te maken. De aannemer bewaarde echter wel alles wat van het plan van Dewez was uitgevoerd (koetshuizen, stallen, personeelswoningen en de priorij). Het “wereldlijke” karakter van de classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl met Franse inslag van de gebouwen, die overigens in goede staat verkeerden, verklaart wellicht waarom ze gespaard bleven.
In 1808 werd de abdijsite gekocht door Philippe Papin, die er nadien een groot gedeelte van verkocht aan verschillende eigenaars. De laatste gebouwen werden gesloopt of ingewerkt in complexen die als werkplaatsen of manufacturen werden gebruikt.
Rond 1810 waren de abdijkerk en het klooster volledig verdwenen. Op de plaats van de abdijkerk liet een zekere Adrien Van Nijvel een calicotfabriek bouwen.
Nadat de molen van de abdij in de jaren 1880 buiten dienst was gesteld (hij verdween toen de Geleytsbeek werd overwelfd), installeerde Papin arbeiderswoningen in sommige gebouwen (priorij, oostvleugel, westvleugel en gebogen westvleugel). In de buitenmuur van de gebogen vleugel werden muuropeningen aangebracht, terwijl binnenin tussenwanden werden geplaatst.
De familie de Decker-Papin bleef eigenaar van de kloostersite tot de gemeente Vorst in 1964 besliste ze te kopen. Vanaf 1971 vertrouwde ze de renovatie ervan toe aan de architecten Marcel en Paul Mignot. Het oude kloostercomplex wordt thans voor socioculturele activiteiten gebruikt.
Beschrijving
Het huidige complex bestaat uit een grote binnenplaats afgeboord door twee kwartcirkelvormige vleugels (dienstgebouwen), symmetrisch verdeeld vanuit een hoger toegangsportaal, en twee grote inspringende hoofdgebouwen.
In overeenstemming met de regel van Sint-Benedictus was het oorspronkelijke plan georganiseerd volgens een monastieke levenswijze verdeeld tussen gebed en handenarbeid.
Het paviljoen van de hoofdingang:
Aan het Sint-Denijsplein, ingangspaviljoen in witsteen behandeld als een antieke triomfboog: opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van twee bouwlagen en drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), de centrale met een rondboogportaal geflankeerd door twee gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. en bekroond door een hoog hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. onder driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., dat op zijn beurt door een vaas wordt bekroond. Aan weerszijden van het portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule)., zijtraveeën met een muuropening onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op de benedenverdieping en een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. op de verdieping. HoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. aan de zijkant bekroond met vazen. MansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken..
Aan de binnenplaats, achtergevel van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in baksteen (bepleisterd) met witstenen elementen. Centraal, portaalboog gevat in een centrale traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) geflankeerd door twee smalle traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), het geheel bekroond door een frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. op vier pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Rechthoekige muuropeningen op de benedenverdieping, boogvormige muuropeningen en nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. op de verdieping. Onderschild van het mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. met oeils-de-boeufKleine ronde, ovale of achthoekige dakkapel; meestal in zink..
De vleugels en de secundaire portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). rond de binnenplaats:
Aan weerszijden van de binnenplaats en vertrekkend vanaf het ingangspaviljoen, twee gebogen vleugels in baksteen met elementen in witsteen, anderhalve bouwlaag hoog, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken. (bijgebouwen). Gevels met negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) waarin rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.. Deze vleugels eindigen in een secundair portaal1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule). onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. en waarvan de behandeling, hoewel minder goed uitgewerkt, herinnert aan die van het paviljoen van de hoofdingang (de vleugels gaven vroeger toegang tot de landbouwzone en de weiden).
De achtergevels zijn sober, met twee bouwlagen van steekboogopeningen gevat in brede stenen omlijstingen (metalen traliewerk).
In het verlengde van deze secundaire portalen1. In muur uitgespaarde ruimte voor een deur of toegang; - 2. Meer gesloten, voor of achter een gebouw geplaatste beschutting (voorbouw, vestibule)., vleugels met vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) waarin rondbogenBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. analoog aan die van de gebogen vleugels.
De hoofdgebouwen:
In het verlengde van de zijvleugels en tegenover elkaar liggend, twee lichtjes inspringende hoofdgebouwen, waarschijnlijk bestemd voor de gasten en pelgrims.
Rechthoekige volumes onder mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Perfect symmetrische gevels met negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), in baksteen met witstenen elementen. Rechthoekige muuropeningen gevat in brede stenen omlijstingen. Op de middentravee, ingangsdeur achter bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap., die van het noordelijke hoofdgebouw onder een sterk uitspringend frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. In midden van het dak, imposante oeil-de-boeufKleine ronde, ovale of achthoekige dakkapel; meestal in zink. en een grote rechthoekige cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. die het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. doorbreekt; aan weerszijden daarvan, kleine dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. onder frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..
Bronnen
Publicaties en studies
CABUY, Y., DEMETER, S., LEUXE,
F., Atlas van de Archeologische
Ondergrond van het Gewest Brussel: 4. Vorst,
KMKG, Brussel, 1993, pp. 42-56.
DE PANGE, I., In
het hart van Vorst, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
Brussel, 2008 (coll. Brussel, Stad van Kunst en Geschiedenis, 47), pp. 24-31.
DESPY-MEYER, A., “Abbaye de Forest”, Monasticon belge, IV, 1, Luik, 1964, pp. 189-217.
DEVLIEGER, L., Abbaye de Forest: généalogie d’un ensemble architectural classé. Etude historique préalable à l’installation d’une bibliothèque communale dans l’aile courbe est et au développement d’un plan global d’aménagement des jardins et abords de l’abbaye, Brussel, Atelier du Sablon s.c., februari 2000.
DIERKENS, A., “Bref survol de l’histoire du prieuré, puis abbaye de Forst, de sa fondation (vers 1100) à sa suppression en 1796”, Sainte Alène. Images et dévotion. Guide pour une visite de l’église Saint-Denis à Forest, Fonds Patrimonium Sancta Alena, Brussel, 2006, pp. 7-14.
MEGANCK, M., Le patrimoine monastique en Région bruxelloise: intégration dans la ville contemporaine, CFC-Editions, Brussel, 2009 (coll. Lieux de Mémoire), pp. 55-63.
POUMON, E., Abbayes de Belgique, Office de Publicité, Brussel, 1954, pp. 80, 81.
NORRO, G., Forest. Petite chronique d’une abbaye, s.n., Brussel, 1989.
VERNIERS, L., Histoire de Forest-lez-Bruxelles, A. De Boeck, Brussel, 1949, pp. 55 e.v.
DESPY-MEYER, A., “Abbaye de Forest”, Monasticon belge, IV, 1, Luik, 1964, pp. 189-217.
DEVLIEGER, L., Abbaye de Forest: généalogie d’un ensemble architectural classé. Etude historique préalable à l’installation d’une bibliothèque communale dans l’aile courbe est et au développement d’un plan global d’aménagement des jardins et abords de l’abbaye, Brussel, Atelier du Sablon s.c., februari 2000.
DIERKENS, A., “Bref survol de l’histoire du prieuré, puis abbaye de Forst, de sa fondation (vers 1100) à sa suppression en 1796”, Sainte Alène. Images et dévotion. Guide pour une visite de l’église Saint-Denis à Forest, Fonds Patrimonium Sancta Alena, Brussel, 2006, pp. 7-14.
MEGANCK, M., Le patrimoine monastique en Région bruxelloise: intégration dans la ville contemporaine, CFC-Editions, Brussel, 2009 (coll. Lieux de Mémoire), pp. 55-63.
POUMON, E., Abbayes de Belgique, Office de Publicité, Brussel, 1954, pp. 80, 81.
NORRO, G., Forest. Petite chronique d’une abbaye, s.n., Brussel, 1989.
VERNIERS, L., Histoire de Forest-lez-Bruxelles, A. De Boeck, Brussel, 1949, pp. 55 e.v.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid


























