Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Institut Saint-Luc en Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle
Spanjestraat 54
Maurice Wilmottestraat 33-33a-35-37
Ierlandstraat 57-59-61-63
Morisstraat 19
Typologie(ën)
school
Ontwerper(s)
Pierre M. PORTO – architect – 1962
Jo DE BOUWER – architect – 1930-1932
Auguste DRIESEN – architect – 1930-1934
FRERE MARES-JOSEPH / CHARLES-LOUIS DE PAUW – architect – 1893-1905
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Art deco
Eclectisme
Modernisme
Neogotiek
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
Onderzoek en redactie
1997-2004
id
Urban : 3361
Beschrijving
Complex van twee scholen binnen eenzelfde bouwblok van 94 are tussen Ierlandstraat, M. Wilmottestraat, Spanjestraat en Morisstraat.
NW gedeelte van deze vierhoek in beslagVerzameling van metalen elementen op een deur of raam. genomen door Institut Saint-Luc, in min of meer rechthoekig complex rond twee binnenpleinen (C en E), toegankelijk via Ierlandstraat.
ZO gedeelte in beslagVerzameling van metalen elementen op een deur of raam. genomen door Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle, met hoofdingang in Morisstraat. Klaslokalen geschikt rond een grote speelplaats (L) en overdekte binnenplaats (N), parallel met Spanjestraat en Ierlandstraat.
Toen in 1892 werd beslist om in Sint-Gillis een Sint-Lucasschool op te richten in navolging van die in Gent (1862) en Schaarbeek (1887) bestond in de gemeente geen katholiek onderwijs voor jongens. Broeder Marès-Joseph, pseudoniem van Charles De Pauw, broeder van de Christelijke Scholen en één van de oprichters van de Sint-Lucasscholen, lag aan de basis van dit project. Hij kreeg financiële en politieke steun van leden van de katholieke hoge burgerij, onder meer van barones de Monin-Rendeux, Henri Calmeyn en Henri Carton de Wiart, en tevens van zijn hiërarchische oversten: kardinaal Goossens en de Broeders van de Christelijke Scholen.
Het plan van broeder Marès-Joseph omvatte de oprichting van drie scholen op dezelfde site: een hogeschool, de Sint-Lucasschool, een middelbare school, Saint-Jean-Baptiste de la Salle en een kosteloze basisschool voor de kleine burgerij en minder begoeden, gevormd door Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité. De lokalen van deze twee laatste scholen, vandaag verdwenen, werden geannexeerd en getransformeerd door Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle.
Drie grote bouwfasen. De eerste van 1894 tot 1910: oprichting van gebouwen naar plannen van broeder Marès-Joseph van 1893: lange bakstenen gebouwen in neo-gotische stijl onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., grotendeels in centrum van perceel; ruime binnenplaatsen en tuinen aan straatzijde afgesloten met muur; kapel (I) voor gemeenschappelijk gebruik door de verschillende scholen.Huidige vestiging min of meer volgens deze plannen, uitgezonderd vleugels uitkijkend op Spanjestraat en deel van Willemottestraat (A en K).
Meeste plannen n.o.v. Marès-Joseph, geassisteerd door arch. Hucq, Georges Dhaeyer en Léopold Pepermans. Gebouwen gebouwd door aannemer Joseph Detry.
Eerst bouw van Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle dat in 1895 zijn deuren opende. Vervolgens Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité, en ten slotte het Sint-Lucascomplex dat in oktober 1904 zijn deuren opende.
Tweede bouwfase van 1930 tot 1934: oprichting van groot art-decogebouw bestemd voor de Sint-Lucasschool (A) op hoek van Spanjestraat en M. Wilmottestraat, n.o.v. arch. Auguste Driesen en architectenbureau J. De Bouver.
Derde bouwfase, geleid door arch. Pierre M. Porto, begint in jaren 1950 met vervanging van toegangsgebouw van Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle (T) in Morisstraat, en met bouw van door Marès geplande kapel (I). In 1962 gevolgd door oprichting van nieuwe vleugel (K) voor Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle, langs Spanjestraat en verbouwing van oude vleugel van basisschool (G).
In jaren 1980 meerdere renovaties van bestaande gebouwen van Sint-Lucasschool (A en H), n.o.v. arch. Jean Bredoux.
Institut supérieur Saint-Luc Jean Béthune
Complex in Ierlandstraat en M. Wilmottestraat bestaande uit gebouwen van verschillende datum.
Vier vleugels opgericht tussen 1903 en 1910 rond noordelijk binnenplein (E). Deze over meerdere jaren gespreide bouw, leverde niet altijd perfecte oplossingen voor problemen als de glooiing van het terrein en de verbinding tussen de verschillende gevels.
Oorspronkelijk drie bakstenen gevels geritmeerd door witte bakstenen banden en boogruggenBuitenwelfvlak; buitenste kromming van een boog; wanneer deze boog getrapt is, spreekt men van een hanenkam.. GebouchardeerdeBewerking van natuursteen waardoor een oppervlak ontstaat met regelmatig verspreide puntjes. hardstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen.. FriesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). met metselwerk in hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Oorspronkelijk allemaal zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.; sommige dakschilden later voorzien van dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. Aan straatzijde gevels geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., op benedenverdieping driehoekig, op verdiepingen rechthoekig; pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. bekroond met kleine stenen druiplijst.
Vleugel in Wilmottestraat (B) n.o.v. arch. Léopold Pepermans, 1903-1906. ZadeldakDak met twee hellende dakvlakken. vervangen door vierde bouwlaag met rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder plat dak (1934). Gelijkaardige gevels naar binnenplein en straatkant met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. volgens verkleinende ordonnantie. Aan straatkant meestal tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. met spitsboog onder gemeenschappelijke ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Oorspronkelijk winkelpui in één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op twee; nu slechts twee bewaard. Aan kant van binnenplein op benedenverdieping brede muuropeningen met spitsbogen, uitgevend op overwelfde gang. In tweede bouwlaag steekboogvenstersBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., overwegend tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst., onder spitsboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.; in boogveldenEen vlak omsloten door de binnenbegrenzing van een boog en de horizontale lijn die de aanzetten verbindt; meestal boven muuropeningen en soms versierd (beeldhouwwerk, blinde traceringen, cementtegels, …). kleine cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. met blazoen van een bouwkundig ambacht. In derde bouwlaag drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere., die aan straatkant onder versmallende lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met accoladeboogBoog bestaande uit twee in- en uitzwenkende boogdelen die bij hun snijding een spits vormen.. Langs Ierlandstraat op nr. 57 en hoek met M. Wilmottestraat vleugel (B) met drie symmetrische traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Centrale toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met brede deur; drieledig impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met spitsbogen onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster.. Op eerste verdieping boven ingang brede erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met paviljoendakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak..
Interieur: toegangshal onder kruisribbengewelf; groot spitsboogvenster; bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met glas-in-lood: de Maagd Maria, Sint-Lucas en een engel.
Vleugel in Ierlandstraat (F) n.o.v. Marès-Joseph, 1905. Aan straatkant zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met gevarieerde muuropeningen. Op benedenverdieping enkele tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder spitsboog en ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op verdiepingen telkens in inspringend muurvlak. In twee eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op verdiepingen tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. met stenen omlijsting en drielob, onder gemeenschappelijke ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Achtergevel aan kleine binnenplaats met meestal getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. muuropeningen van verschillende grootte en niet gealigneerd.
Vleugel (H) langs binnenplaats richting Morisstraat van 1906; in 1983 volledig verbouwd.
Vleugel (D) tussen de twee binnenplaatsen, van 1910. Oorspronkelijk twee bouwlagen; in 1983 derde, volledig beglaasde bouwlaag toegevoegd (arch. Jean Bredoux). Gevels allebei met zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). In tweede bouwlaag tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. met steekbogenBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. onder spitsboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Benedenverdieping verschillend: die van noordelijke gevel met drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met steekbogenBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. onder brede ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.; die van zuidelijke gevel vormen galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met hardstenen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…).
Ierlandstraat nr. 59. Kapel (I) voorzien door Marès-Joseph. Eerste bouwlaag van 1905, n.o.v. de architect, moest dienst doen als te verhuren wijnopslagplaats. Tweede bouwlaag van 1908, n.o.v. arch. Georges Dhaeyer. Pas in 1952 toevoeging van derde bouwlaag en inrichting van de kapelverdieping, n.o.v. arch. Pierre M. Porto.
Bakstenen puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met rechte aandaken. Centrale koetspoort met steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster.. In tweede bouwlaag drie vergelijkbare blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst.. In derde bouwlaag centrale oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. met glas-in-lood: de Drievuldigheid. PuntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met klimmend boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en bekroond met hardstenen kruis. ModernistischHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. interieur van kapel van 1952-1953; momenteel sportzaal van Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle, waarmee ze in verbinding staat.
Interieur. Basilicaal grondplan met zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), twee bouwlaag en drie beuken: een hoog middenschip geflankeerd door twee lagere zijbeuken. Inkom van koor aan straatkant met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.; toegemaakt bij verbouwing tot sportzaal. In ander uiteinde van kapel orgelgalerij. Middenschip verlicht door hoge rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met glas-in-lood: blauwe en gele geometrische motieven; cassetteplafond. In de muren gebouwde sobere biechtstoelen. Aan koor grenzende muren beschilderd met bijbels tafereel. Koor onder breed tongewelf, met rechts twee halvemanen. Muur tot op halve hoogte bedekt met zwarte geaderde marmeren lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …. Altaar in beige marmer op drie treden in zwarte marmer.
Nr. 61. Links van kapel klein gebouw (J) n.o.v. arch. Georges Dhaeyer, 1908. Bakstenen gevel onder plat dak met dezelfde indeling als twee eerste bouwlagen van kapel.
Hoek Spanjestraat en M. Wilmottestraat nr. 33-33a. Art-decohuis met L-vormig grondplan (A) grenzend aan voormalige binnenplaats van Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité (C). Benedenverdieping n.o.v. arch. Auguste Driesen, 1930; verdiepingen n.o.v. architectenbureau J. De Bouver, 1932-1934. Wegens stabiliteitsproblemen hele gebouw versterkt door arch. Jacques Buchel.
Bakstenen gevel van drie bouwlagen met betonnen en hardstenen elementen. MansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. met grote dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. in Spanjestraat bewaard; in M. Wilmottestraat grotendeels vervangen door sheddakOpeenvolging van parallelle daken met afwisselend een steil beglaasd dakvlak (vaak noordelijk geörienteerd) en een flauw hellend dakvlak. (arch. Jean Bredoux, 1983). Aan straatzijde tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), vijf in elke straat, aan weerszijden van een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw., bekroond met een driehoekig hardstenen sluitstuk. Laag bandvenster in bovenkant van benedenverdieping in M. Wilmottestraat Benedenverdieping in Spanjestraat nu blindZonder opening; blind venster, schijnopening.. Verdiepingen geritmeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. op kraagsteen waarop telkens embleem refererend naar onderwijsdisciplines. In tweede en derde bouwlaag bandvormende twee- of drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.. In vierde bouwlaag smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gescheiden door geometrische modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst. van friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). op hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van Spanjestraat bekroond met imposante kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met gestileerd frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Vrij eenvoudige gevels aan binnenplaats met rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gescheiden door bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag..
Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle.
Ingang in Morisstraat nr. 19. Complex omgeven door afsluitingsmuur langs Morisstraat en Ierlandstraat. Twee vleugels van verschillende datum. Grootste, tijdens eerste bouwfase (1894-1910) opgetrokken gedeelte, heeft homogeen aspect.
Grotendeels uit twee bouwlagen waarin meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met bakstenen stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en hardstenen lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt.; ontlastingsbogenBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast., in sommige gevels met doorlopend hardstenen kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels.. Op verdiepingen meestal onder spitsboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. In hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. van alle gevels geometrisch metselwerk. SchilddakenDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. met houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met uitspringend dakstoeltje.
Morisstraat nr. 19. Sobere en monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. hardstenen toegangsportiek (T) n.o.v. arch. Pierre M. Porto, 1956, ter vervanging van toegangsportiek met puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. van 1895.
In as van portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. aan overkant van kleine binnenplaats, toegangsgebouw van 1895 (R) met drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Gevel met drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. uitgevend op inspringende portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert.; groot spitsboogvenster; rechthoekige zijvensters. Boven toegang op verdiepingen, kleine nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met beeld van Saint-Jean-Baptiste de la Salle en twee kinderen. Gebouw links geflankeerd door klein volume van één bouwlaag (Q) met portiersloge uitgevend op kleine binnenplaats.
Interieur: in portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. van toegangsgebouw drie steekboogdeuren naar vestibule; leidt links naar vierkant trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met mooie glas-in-loodramen: reiger en iris in eerste bouwlaag en plantenmotieven in tweede bouwlaag.
Groot binnenplein ten Z; in Morisstraat lange vleugel van 1894 (P), waarvan zuidelijke hoek samenvalt met die van Morisstraat en Spanjestraat. Voorzien van polygonaalRegelmatige veelhoek. torentje met smalle rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. waarachter een diensttrap. Deze vleugel (P) vormt L-vorm samen met vleugel van 1899 (M); vleugel is langer en grenst in NO aan binnenplein. Langs Spanjestraat vleugel (arch. Pierre M. Porto, 1962), waarvan inkom in Spanjestraat nr. 54. ModernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. gevel met vier bouwlagen onder terrasdak; bandvensters met metalen schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... afgewisseld met blauwe ‘glasal'-panelen.
Tussen binnenplein van Saint-Jean-Baptiste de la Salle (L) en dat van Saint-Luc (C), vleugel (G) n.o.v. Marès-Joseph, 1896, vroeger betrokken door Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité. Benedenverdieping bewaard uitzicht; verdiepingen verbouwd in modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl (1962).
Toegangsgebouw rechts geflankeerd door haaks geplaatst bouwvolume (S) van 1906 en 1910; aan Morisstraat puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met rechte aandaken. Aansluitend bij dit volume en in dezelfde as lange vleugel van 1910 (O), met drie bouwlagen en negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
Achter toegangsgebouw grote rechthoekige, overdekte binnenplaats (N) in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl n.o.v. arch. Georges Dhaeyer, 1908. Op verdiepingen doorlopende galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met vervangen ijzeren leuning, aan de smalle zijden rustend op metalen kraagstenen. In twee bouwlaag laterale venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op. en steekboogdeuren naar klaslokalen. Sommige daarvan met bewaard meubilair, o.a. studiezaal en fysica- en scheikundeklas. SchilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. met zichtbaar spant en dakbeschotBedekking van een kap, bestaande uit planken die over de gordingen zijn aangebracht; vaak als bebording van leien dakbedekking,. Houten spantbenenStijl van een kapspant die schuinstaand (krom of recht) de krachten naar een onderliggend(e) constructie(deel) overbrengt. met metalen trekkers. Beglaasde nokNok, hoogste punt van iets (nok of top). Nokbedekking, afdekking van de nok..
NW gedeelte van deze vierhoek in beslagVerzameling van metalen elementen op een deur of raam. genomen door Institut Saint-Luc, in min of meer rechthoekig complex rond twee binnenpleinen (C en E), toegankelijk via Ierlandstraat.
ZO gedeelte in beslagVerzameling van metalen elementen op een deur of raam. genomen door Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle, met hoofdingang in Morisstraat. Klaslokalen geschikt rond een grote speelplaats (L) en overdekte binnenplaats (N), parallel met Spanjestraat en Ierlandstraat.
Toen in 1892 werd beslist om in Sint-Gillis een Sint-Lucasschool op te richten in navolging van die in Gent (1862) en Schaarbeek (1887) bestond in de gemeente geen katholiek onderwijs voor jongens. Broeder Marès-Joseph, pseudoniem van Charles De Pauw, broeder van de Christelijke Scholen en één van de oprichters van de Sint-Lucasscholen, lag aan de basis van dit project. Hij kreeg financiële en politieke steun van leden van de katholieke hoge burgerij, onder meer van barones de Monin-Rendeux, Henri Calmeyn en Henri Carton de Wiart, en tevens van zijn hiërarchische oversten: kardinaal Goossens en de Broeders van de Christelijke Scholen.
Het plan van broeder Marès-Joseph omvatte de oprichting van drie scholen op dezelfde site: een hogeschool, de Sint-Lucasschool, een middelbare school, Saint-Jean-Baptiste de la Salle en een kosteloze basisschool voor de kleine burgerij en minder begoeden, gevormd door Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité. De lokalen van deze twee laatste scholen, vandaag verdwenen, werden geannexeerd en getransformeerd door Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle.
Drie grote bouwfasen. De eerste van 1894 tot 1910: oprichting van gebouwen naar plannen van broeder Marès-Joseph van 1893: lange bakstenen gebouwen in neo-gotische stijl onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., grotendeels in centrum van perceel; ruime binnenplaatsen en tuinen aan straatzijde afgesloten met muur; kapel (I) voor gemeenschappelijk gebruik door de verschillende scholen.Huidige vestiging min of meer volgens deze plannen, uitgezonderd vleugels uitkijkend op Spanjestraat en deel van Willemottestraat (A en K).
Meeste plannen n.o.v. Marès-Joseph, geassisteerd door arch. Hucq, Georges Dhaeyer en Léopold Pepermans. Gebouwen gebouwd door aannemer Joseph Detry.
Eerst bouw van Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle dat in 1895 zijn deuren opende. Vervolgens Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité, en ten slotte het Sint-Lucascomplex dat in oktober 1904 zijn deuren opende.
Tweede bouwfase van 1930 tot 1934: oprichting van groot art-decogebouw bestemd voor de Sint-Lucasschool (A) op hoek van Spanjestraat en M. Wilmottestraat, n.o.v. arch. Auguste Driesen en architectenbureau J. De Bouver.
Derde bouwfase, geleid door arch. Pierre M. Porto, begint in jaren 1950 met vervanging van toegangsgebouw van Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle (T) in Morisstraat, en met bouw van door Marès geplande kapel (I). In 1962 gevolgd door oprichting van nieuwe vleugel (K) voor Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle, langs Spanjestraat en verbouwing van oude vleugel van basisschool (G).
In jaren 1980 meerdere renovaties van bestaande gebouwen van Sint-Lucasschool (A en H), n.o.v. arch. Jean Bredoux.
Institut supérieur Saint-Luc Jean Béthune
Complex in Ierlandstraat en M. Wilmottestraat bestaande uit gebouwen van verschillende datum.
Vier vleugels opgericht tussen 1903 en 1910 rond noordelijk binnenplein (E). Deze over meerdere jaren gespreide bouw, leverde niet altijd perfecte oplossingen voor problemen als de glooiing van het terrein en de verbinding tussen de verschillende gevels.
Oorspronkelijk drie bakstenen gevels geritmeerd door witte bakstenen banden en boogruggenBuitenwelfvlak; buitenste kromming van een boog; wanneer deze boog getrapt is, spreekt men van een hanenkam.. GebouchardeerdeBewerking van natuursteen waardoor een oppervlak ontstaat met regelmatig verspreide puntjes. hardstenen onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen.. FriesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). met metselwerk in hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Oorspronkelijk allemaal zadeldakenDak met twee hellende dakvlakken.; sommige dakschilden later voorzien van dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap.. Bewaard schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd.. Aan straatzijde gevels geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., op benedenverdieping driehoekig, op verdiepingen rechthoekig; pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. bekroond met kleine stenen druiplijst.
Vleugel in Wilmottestraat (B) n.o.v. arch. Léopold Pepermans, 1903-1906. ZadeldakDak met twee hellende dakvlakken. vervangen door vierde bouwlaag met rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder plat dak (1934). Gelijkaardige gevels naar binnenplein en straatkant met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. volgens verkleinende ordonnantie. Aan straatkant meestal tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. met spitsboog onder gemeenschappelijke ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Oorspronkelijk winkelpui in één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op twee; nu slechts twee bewaard. Aan kant van binnenplein op benedenverdieping brede muuropeningen met spitsbogen, uitgevend op overwelfde gang. In tweede bouwlaag steekboogvenstersBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster., overwegend tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst., onder spitsboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.; in boogveldenEen vlak omsloten door de binnenbegrenzing van een boog en de horizontale lijn die de aanzetten verbindt; meestal boven muuropeningen en soms versierd (beeldhouwwerk, blinde traceringen, cementtegels, …). kleine cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. met blazoen van een bouwkundig ambacht. In derde bouwlaag drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere., die aan straatkant onder versmallende lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met accoladeboogBoog bestaande uit twee in- en uitzwenkende boogdelen die bij hun snijding een spits vormen.. Langs Ierlandstraat op nr. 57 en hoek met M. Wilmottestraat vleugel (B) met drie symmetrische traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Centrale toegangstraveeTravee waarin de toegang is ondergebracht. met brede deur; drieledig impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met spitsbogen onder steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster.. Op eerste verdieping boven ingang brede erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met paviljoendakDak met vier dakvlakken die in één punt samenkomen (tentdak); onttopt tot een vierzijdig plat dak vormt het een paviljoendak..
Interieur: toegangshal onder kruisribbengewelf; groot spitsboogvenster; bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met glas-in-lood: de Maagd Maria, Sint-Lucas en een engel.
Vleugel in Ierlandstraat (F) n.o.v. Marès-Joseph, 1905. Aan straatkant zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met gevarieerde muuropeningen. Op benedenverdieping enkele tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. onder spitsboog en ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. VenstersLicht- en/of luchtopening in een muur. op verdiepingen telkens in inspringend muurvlak. In twee eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) op verdiepingen tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. met stenen omlijsting en drielob, onder gemeenschappelijke ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Achtergevel aan kleine binnenplaats met meestal getoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. muuropeningen van verschillende grootte en niet gealigneerd.
Vleugel (H) langs binnenplaats richting Morisstraat van 1906; in 1983 volledig verbouwd.
Vleugel (D) tussen de twee binnenplaatsen, van 1910. Oorspronkelijk twee bouwlagen; in 1983 derde, volledig beglaasde bouwlaag toegevoegd (arch. Jean Bredoux). Gevels allebei met zes traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). In tweede bouwlaag tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst. met steekbogenBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. onder spitsboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. Benedenverdieping verschillend: die van noordelijke gevel met drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met steekbogenBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. onder brede ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.; die van zuidelijke gevel vormen galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met hardstenen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…).
Ierlandstraat nr. 59. Kapel (I) voorzien door Marès-Joseph. Eerste bouwlaag van 1905, n.o.v. de architect, moest dienst doen als te verhuren wijnopslagplaats. Tweede bouwlaag van 1908, n.o.v. arch. Georges Dhaeyer. Pas in 1952 toevoeging van derde bouwlaag en inrichting van de kapelverdieping, n.o.v. arch. Pierre M. Porto.
Bakstenen puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met rechte aandaken. Centrale koetspoort met steekboogBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster.. In tweede bouwlaag drie vergelijkbare blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. tweelichtenTweedelige lichtopening, door deelzuiltje gesplitst.. In derde bouwlaag centrale oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. met glas-in-lood: de Drievuldigheid. PuntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met klimmend boogfriesReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen. en bekroond met hardstenen kruis. ModernistischHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. interieur van kapel van 1952-1953; momenteel sportzaal van Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle, waarmee ze in verbinding staat.
Interieur. Basilicaal grondplan met zeven traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), twee bouwlaag en drie beuken: een hoog middenschip geflankeerd door twee lagere zijbeuken. Inkom van koor aan straatkant met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft.; toegemaakt bij verbouwing tot sportzaal. In ander uiteinde van kapel orgelgalerij. Middenschip verlicht door hoge rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met glas-in-lood: blauwe en gele geometrische motieven; cassetteplafond. In de muren gebouwde sobere biechtstoelen. Aan koor grenzende muren beschilderd met bijbels tafereel. Koor onder breed tongewelf, met rechts twee halvemanen. Muur tot op halve hoogte bedekt met zwarte geaderde marmeren lambriseringWandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen een binnenmuur (vaak het onderste gedeelte ervan); later ook in marmer, stucwerk, …. Altaar in beige marmer op drie treden in zwarte marmer.
Nr. 61. Links van kapel klein gebouw (J) n.o.v. arch. Georges Dhaeyer, 1908. Bakstenen gevel onder plat dak met dezelfde indeling als twee eerste bouwlagen van kapel.
Hoek Spanjestraat en M. Wilmottestraat nr. 33-33a. Art-decohuis met L-vormig grondplan (A) grenzend aan voormalige binnenplaats van Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité (C). Benedenverdieping n.o.v. arch. Auguste Driesen, 1930; verdiepingen n.o.v. architectenbureau J. De Bouver, 1932-1934. Wegens stabiliteitsproblemen hele gebouw versterkt door arch. Jacques Buchel.
Bakstenen gevel van drie bouwlagen met betonnen en hardstenen elementen. MansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. met grote dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. in Spanjestraat bewaard; in M. Wilmottestraat grotendeels vervangen door sheddakOpeenvolging van parallelle daken met afwisselend een steil beglaasd dakvlak (vaak noordelijk geörienteerd) en een flauw hellend dakvlak. (arch. Jean Bredoux, 1983). Aan straatzijde tien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), vijf in elke straat, aan weerszijden van een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw., bekroond met een driehoekig hardstenen sluitstuk. Laag bandvenster in bovenkant van benedenverdieping in M. Wilmottestraat Benedenverdieping in Spanjestraat nu blindZonder opening; blind venster, schijnopening.. Verdiepingen geritmeerd door kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. op kraagsteen waarop telkens embleem refererend naar onderwijsdisciplines. In tweede en derde bouwlaag bandvormende twee- of drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere.. In vierde bouwlaag smalle venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gescheiden door geometrische modillonsRechthoekig kraagstuk, ter versiering van een kroonlijst. van friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). op hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel.. Derde traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van Spanjestraat bekroond met imposante kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met gestileerd frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Vrij eenvoudige gevels aan binnenplaats met rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. gescheiden door bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. muurdammenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag..
Institut Saint-Jean-Baptiste de la Salle.
Ingang in Morisstraat nr. 19. Complex omgeven door afsluitingsmuur langs Morisstraat en Ierlandstraat. Twee vleugels van verschillende datum. Grootste, tijdens eerste bouwfase (1894-1910) opgetrokken gedeelte, heeft homogeen aspect.
Grotendeels uit twee bouwlagen waarin meeste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met bakstenen stijlenVerticale zijden van een opening waarop een boog of latei rust. en hardstenen lateienBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt.; ontlastingsbogenBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast., in sommige gevels met doorlopend hardstenen kordonUitspringende, horizontale geleding over de hele breedte van een gevel, om verdiepingen te markeren of als verlenging van de (lek)dorpels.. Op verdiepingen meestal onder spitsboogvormige ontlastingsboogBoog boven een venster- of deuropening die druk van het muurwerk op de stijlen afwentelt en zo het linteel ontlast.. In hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. van alle gevels geometrisch metselwerk. SchilddakenDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. met houten dakkapellenUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. met uitspringend dakstoeltje.
Morisstraat nr. 19. Sobere en monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. hardstenen toegangsportiek (T) n.o.v. arch. Pierre M. Porto, 1956, ter vervanging van toegangsportiek met puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. van 1895.
In as van portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. aan overkant van kleine binnenplaats, toegangsgebouw van 1895 (R) met drie ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...). Gevel met drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. uitgevend op inspringende portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert.; groot spitsboogvenster; rechthoekige zijvensters. Boven toegang op verdiepingen, kleine nisUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met beeld van Saint-Jean-Baptiste de la Salle en twee kinderen. Gebouw links geflankeerd door klein volume van één bouwlaag (Q) met portiersloge uitgevend op kleine binnenplaats.
Interieur: in portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. van toegangsgebouw drie steekboogdeuren naar vestibule; leidt links naar vierkant trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met mooie glas-in-loodramen: reiger en iris in eerste bouwlaag en plantenmotieven in tweede bouwlaag.
Groot binnenplein ten Z; in Morisstraat lange vleugel van 1894 (P), waarvan zuidelijke hoek samenvalt met die van Morisstraat en Spanjestraat. Voorzien van polygonaalRegelmatige veelhoek. torentje met smalle rechthoekige venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. waarachter een diensttrap. Deze vleugel (P) vormt L-vorm samen met vleugel van 1899 (M); vleugel is langer en grenst in NO aan binnenplein. Langs Spanjestraat vleugel (arch. Pierre M. Porto, 1962), waarvan inkom in Spanjestraat nr. 54. ModernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. gevel met vier bouwlagen onder terrasdak; bandvensters met metalen schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... afgewisseld met blauwe ‘glasal'-panelen.
Tussen binnenplein van Saint-Jean-Baptiste de la Salle (L) en dat van Saint-Luc (C), vleugel (G) n.o.v. Marès-Joseph, 1896, vroeger betrokken door Institut Saint-Albert en Institut de la Sainte-Trinité. Benedenverdieping bewaard uitzicht; verdiepingen verbouwd in modernistischeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. stijl (1962).
Toegangsgebouw rechts geflankeerd door haaks geplaatst bouwvolume (S) van 1906 en 1910; aan Morisstraat puntgevelGevel waarvan de top driehoekig is. met rechte aandaken. Aansluitend bij dit volume en in dezelfde as lange vleugel van 1910 (O), met drie bouwlagen en negen traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
Achter toegangsgebouw grote rechthoekige, overdekte binnenplaats (N) in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl n.o.v. arch. Georges Dhaeyer, 1908. Op verdiepingen doorlopende galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. met vervangen ijzeren leuning, aan de smalle zijden rustend op metalen kraagstenen. In twee bouwlaag laterale venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op. en steekboogdeuren naar klaslokalen. Sommige daarvan met bewaard meubilair, o.a. studiezaal en fysica- en scheikundeklas. SchilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. met zichtbaar spant en dakbeschotBedekking van een kap, bestaande uit planken die over de gordingen zijn aangebracht; vaak als bebording van leien dakbedekking,. Houten spantbenenStijl van een kapspant die schuinstaand (krom of recht) de krachten naar een onderliggend(e) constructie(deel) overbrengt. met metalen trekkers. Beglaasde nokNok, hoogste punt van iets (nok of top). Nokbedekking, afdekking van de nok..
Bronnen
Archieven
GASG/DS 57: 265 (1903), 318(1905); 59: 159 (1905), 186 (1908), 87 (1953); 61: 186 (1908); 33-37: 265 (1903), 37 (1904), 368 (1906), 210 (1930), 168 (1934), 41 (1981); 19: 3714 (1894),100 (1895), 670 (1896).
Verzameling postkaarten Dexia Bank.
GASG/DS 57: 265 (1903), 318(1905); 59: 159 (1905), 186 (1908), 87 (1953); 61: 186 (1908); 33-37: 265 (1903), 37 (1904), 368 (1906), 210 (1930), 168 (1934), 41 (1981); 19: 3714 (1894),100 (1895), 670 (1896).
Verzameling postkaarten Dexia Bank.
Publicaties en studies
DONATELLA, F., L'Institut Saint-Luc à Saint-Gilles (Mémoire de licence en Histoire) UCL, Louvain-la-neuve, 1989.
École Saint-Luc, Institut Jean Béthune, 77, rue d'Irlande, Saint-Gilles-lez-Bruxelles, Enseignement professionnel et artistique. Rapport sur l'œuvre, Bruxelles, 1912.
STERCKX, P., Fragments d'histoire des origines de l'Institut Saint Luc à Saint-Gilles, Nevada, 1986, p. 28.
DONATELLA, F., L'Institut Saint-Luc à Saint-Gilles (Mémoire de licence en Histoire) UCL, Louvain-la-neuve, 1989.
École Saint-Luc, Institut Jean Béthune, 77, rue d'Irlande, Saint-Gilles-lez-Bruxelles, Enseignement professionnel et artistique. Rapport sur l'œuvre, Bruxelles, 1912.
STERCKX, P., Fragments d'histoire des origines de l'Institut Saint Luc à Saint-Gilles, Nevada, 1986, p. 28.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid









