Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kliniek/hospitaal/ziekenhuis
kapel
kapel
Ontwerper(s)
Jean STILLEMANS – ingenieur-architect – 1909
VAN MEERBEEK – aannemer – 1909
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neoromaans
Eclectisme
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Etterbeek (DMS-DML - 1994-1997)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
1993-1995
id
Urban : 13971
Beschrijving
Teneinde het voorlopig hospitaal te vervangen dat samen met het hieraan verbonden godshuis van Jourdan in handen was van de Zwartzusters van Halle (zie Kazernenlaan), werd in 1907 de bouw van een nieuw hospitaal goedgekeurd tijdens het burgemeesterschap van Nestor Plissart.
Jean STILLEMANS, hoofdingenieur van de gemeentelijke openbare werken ontwierp de vier paviljoenen, de operatiezaal, de toegangsgalerijen en de omheiningsmuur. De werken werden op 3 maart 1909 toegekend aan Hilaire DUFOUR uit Sint-Gillis; ze begonnen op 15 april 1909 en duurden ongeveer twee jaar.
De langwerpige gebouwen zijn opgetrokken in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met bakstenen gevels van één bouwlaag op arduinen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. onder zinken zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. De bouw van de neoromaanseDe Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode (11e–12e eeuw). Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het eclecticisme. De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities. De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie, wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen met een morele of educatieve functie. De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit. De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen. Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. kapel werd toegewezen aan de aannemer VAN MEERBEEK. Met de constructie werd aangevangen op 15 februari 1910, op 8 november 1911 werd ze ingewijd.
Het complex zou voltooid worden in de jaren 1950-1960 door de bouw van een lange overdekte centrale gang die de verschillende vleugels met mekaar verbond evenals van een nieuwe vleugel aan het Dokter Jean Jolyplein (Nr. 2).
Ten slotte werd een nieuw gebouw van het "Institut médico-chirurgical" van Etterbeek (operatieafdeling en reanimatiezaal) dwars op de de Haernestraat ingeplant, n.o.v. arch. Robert MAHIEU (1978). Een polygonaalRegelmatige veelhoek. paviljoen voor de opname van spoedgevallen werd hieraan toegevoegd.
Jean STILLEMANS, hoofdingenieur van de gemeentelijke openbare werken ontwierp de vier paviljoenen, de operatiezaal, de toegangsgalerijen en de omheiningsmuur. De werken werden op 3 maart 1909 toegekend aan Hilaire DUFOUR uit Sint-Gillis; ze begonnen op 15 april 1909 en duurden ongeveer twee jaar.
De langwerpige gebouwen zijn opgetrokken in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met bakstenen gevels van één bouwlaag op arduinen plintHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. onder zinken zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. De bouw van de neoromaanseDe Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode (11e–12e eeuw). Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het eclecticisme. De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities. De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie, wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen met een morele of educatieve functie. De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit. De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen. Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. kapel werd toegewezen aan de aannemer VAN MEERBEEK. Met de constructie werd aangevangen op 15 februari 1910, op 8 november 1911 werd ze ingewijd.
Het complex zou voltooid worden in de jaren 1950-1960 door de bouw van een lange overdekte centrale gang die de verschillende vleugels met mekaar verbond evenals van een nieuwe vleugel aan het Dokter Jean Jolyplein (Nr. 2).
Ten slotte werd een nieuw gebouw van het "Institut médico-chirurgical" van Etterbeek (operatieafdeling en reanimatiezaal) dwars op de de Haernestraat ingeplant, n.o.v. arch. Robert MAHIEU (1978). Een polygonaalRegelmatige veelhoek. paviljoen voor de opname van spoedgevallen werd hieraan toegevoegd.
Bronnen
Archieven
GAEtt./OW 3056 (1978).
Publicaties en studies
DE PAUW, L.-F., La vallée du Maelbeek avec monographie d'Etterbeek, Hayez, Brussel, 1914, pp. 230-231.
MEIRE, R.J., Histoire d'Etterbeek, Musin, Brussel, 1981, p. 88.
Publicaties en studies
DE PAUW, L.-F., La vallée du Maelbeek avec monographie d'Etterbeek, Hayez, Brussel, 1914, pp. 230-231.
MEIRE, R.J., Histoire d'Etterbeek, Musin, Brussel, 1981, p. 88.
Tijdschriften
Leven te Etterbeek. La Vie etterbeekoise, 50, 1982, pp. 12-13.
Leven te Etterbeek. La Vie etterbeekoise, 50, 1982, pp. 12-13.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid









