Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
Ontwerper(s)
Jules Jacques VAN YSENDIJCK – architect – 1894-1895
Fernand SYMONS – architect – 1907-1908
Jacques FRANCQUART – architect – 1621-1642
Julien DE RIDDER – architect – 1934
Stijlen
Neobarok
Barok
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Het monumentale erfgoed van België. Elsene (DMS-DML - 2005-2015)
- Kerkkappen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1830-1940 (Urban - 2019)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Wetenschappelijk De wetenschappelijke waarde wordt vaak erkend in het geval van landschappen (parken, halfnatuurlijke gebieden). Binnen de context van een onroerend goed kan het gaan om de aanwezigheid van een (bouw)element (bijzonder materiaal, experimenteel materiaal, bouwprocédé of -component) of getuigenis van een ruimtelijk-structurele ruimte (stedenbouwkundig) waarvan het behoud moet worden overwogen met het oog op wetenschappelijk onderzoek. In het geval van archeologische vindplaatsen en overblijfselen wordt de wetenschappelijke waarde erkend in relatie tot het uitzonderlijke karakter van de resten op het gebied van ouderdom (bijvoorbeeld de Romeinse villa in Jette), de uitzonderlijke bewaringsomstandigheden (bijvoorbeeld de site van het vroegere dorp Oudergem) of de uniciteit van de elementen (bijvoorbeeld een volledig bewaard dakspant) en derhalve op dat vlak een uitzonderlijke en prominente wetenschappelijke bijdrage vormen tot de kennis van ons stedelijk en pre-stedelijk verleden.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2005-2007
id
Urban : 16985
Beschrijving
De kerk in (neo-)barok is westelijk georiënteerd en ligt in het perspectief van de Baljuwstraat, op de grens van de gemeentes Elsene en Sint-Gillis. Ze werd in twee fasen gebouwd: van 1894-1895 naar plannen van de architect Jules Jacques Van Ysendyck en van 1907-1908 naar plannen van de architect Fernand Symons. De gevel van begin 17e eeuw is afkomstig van de voormalige augustijnenkerk.
Augustijnenkerk
Kerk in Brabantse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.)., tussen 1621 en 1642 gebouwd door architect Jacques Francquart (1583-1651) op vraag van de augustijnenorde (sinds 1589 in Brussel gevestigd), en verbonden met het kloostergebouw in de Wolvengracht dat naar plannen van dezelfde architect tussen 1610 en 1615 werd gebouwd.
Jacques Francquart keerde na een verblijf in Rome in 1608 naar Brabant terug en vestigde zich in Brussel waar hij in opdracht van Albrecht en Isabella werkte en in 1616 de bouw van de jezuïetenkerk (gesloopt in 1812) op zich nam. In zijn werk koppelde hij op een eigenzinnige manier de traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. Brabantse stijl aan de Italiaanse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.).. Dit persoonlijke idioom komt in de gevel van de augustijnenkerk tot uiting door de introductie van een attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. die de verticaliteit benadrukt ten koste van de horizontale renaissancistischeDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. lijnen (kordons, sierlijsten).

Het grondplan bestond uit drie beuken. De hoofdbeuk was van de zijbeuken gescheiden door scheibogen op Dorische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. De zijbeuken eindigden in twee rechthoekige kapellen. Het schip eindigde in een diep koor met een veelhoekige apsis. De kerk had geen dwarsbeuk.
De kerk werd in 1796 gesloten door de revolutionaire troepen, maar heropende in 1805 haar deuren. Ze werd in 1816 onder het Hollandse bewind van het huis Oranje-Nassau omgevormd tot protestantse kerk en kreeg na de Brabantse Omwenteling talrijke bestemmingen: theaterzaal, tentoonstellingszaal, postkantoor. In 1892 werd besloten om de kerk te slopen voor de aanleg van het Brouckèreplein die kaderde in de stedenbouwkundige campagne voor de aanleg van de grote lanen in Brussel. De kerk werd in 1893-1894 gedemonteerd.
Geschiedenis
Van in het begin voorzag het bij K.B. van 20.02.1864 goedgekeurde rooilijnenplan betreffende de aanleg van de straten en pleinen op het grondgebied tussen de Louizalaan, de Waterloosesteenweg en de Charleroisesteenweg, in de bouw van een katholieke kerk in het hart van de nieuwe Tenboswijk. Aanvankelijk werd als locatie voor deze kerk het huidige Albert Leemansplein gekozen. Uiteindelijk werd ze gebouwd op de kruising van de Franz Merjaystraat en de Hervormingsstraat en dit met de steun van een comité voorgezeten door baron Victor d'Huart die op 20.05.1881 een overeenkomst tekende met de bankier Georges Brugmann, eigenaar van meerdere hectaren grond in de wijk. Om de waarde van zijn gronden te verhogen, steunde Georges Brugmann, die zelf weliswaar protestant was, de bouw van de nieuwe kerk. Ze werd op voorstel van het comité gewijd aan de Heilige Drievuldigheid, die zowel bij de protestanten als de katholieken het voorwerp is van een dogma.

Bij K.B. van 25.03.1886 werd de kerk tot parochiekerk gepromoveerd. Al snel werd ze te klein door de sterke demografische groei van de wijk (zie Hervormingsstraat). Na talrijke debatten over de locatie van een nieuwe kerk, besliste de regering over de kwestie door toestemming te geven voor de aankoop van een bouwgrond in het verlengde van de Baljuwstraat. Ze keurde tevens het voorstel goed van minister Auguste Beernaerts om in de nieuwe parochiekerk de gevel van de voormalige augustijnenkerk die gesloopt zou worden, te integreren. Door een overeenkomst van 06.01.1893, stond de staat, die eigenaar was van het monument, de gevel ervan gratis af aan de kerkfabriek van de Drievuldigheidskerk.
De plannen voor het nieuwe gebouw, goedgekeurd bij K.B. van 15.04.1893, werden toevertrouwd aan architect J. J. Van Ysendyck. Deze leerling van Eugène Viollet-le-Duc, die aan talrijke restauratieprojecten meewerkte, was tevens de belangrijkste vertegenwoordiger van de historiserendeArchitectuurstrekking (ca. 1850 - 1914) die bijna letterlijk stijlen uit het verleden herneemt, zoals gotiek, renaissance,... stroming van de tweede helft van de 19e eeuw in Brussel.
De bouw van de Drievuldigheidskerk verliep in twee fasen. De eerste campagne duurde van 1894 tot 1895. De plannen van architect J. J. Van Ysendyck voorzagen in het hergebruik van de gevel, de recuperatie van talrijke stenen elementen en grafmonumenten en een getrouwe overname van het barokke grondplan van de augustijnenkerk. Dit was een van de eerste keren dat in Brussel delen van een te slopen gebouw werden gedemonteerd om te worden opgenomen in een nieuw gebouw dat het volume en de bestemming van het oorspronkelijke gebouw respecteert. Bij de inhuldiging op 30.04.1895 was de kerk slechts half afgewerkt, want de kerkfabriek had te kampen met financiële problemen. Het gebouw achter de gevel van J. Francquart bestond uit drie beuken van vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en een provisorisch koor.
![Zicht op de Drievuldigheidskerk vanaf de Baljuwsstraat, voor de aanleg van het voorplein, ca. 1897 ([i]Mémoire d’Ixelles[/i], 63-64, 1996, p. 43).](/medias/500/buildings/10502860_A001_W06.jpg)
De tweede bouwcampagne had plaats tussen 1907 en 1908. In 1903 belastte de kerkfabriek architect Fernand Symons met de voltooiing van de kerk en de aanpassing van de oorspronkelijke plannen door de toevoeging van een dwarsbeuk.
Met het geld van talrijke schenkingen werden de bakstenen zijgevels van de kerk in 1918 bekleed met similiBepleistering ter imitatie van natuursteen..
In 1933 vestigde de Belgische Vereniging der leden van de soevereine militaire hospitaalorde van Sint Jan van Jeruzalem (ook bekend als de Orde van Malta), voorgezeten door prins Étienne de Croy, officieel haar zetel in de Drievuldigheidskerk. De orde verfraaide de kerk met opmerkelijke glas-in-loodramen met de wapens van de ridders (dwarsbeuk en koor) en liet in 1934 een bijgebouw optrekken naar plannen van architect J. De Ridder (afb. 4). In dit bijgebouw ter hoogte van het koor bevinden zich een sacristie, een doopkapel, een catecheselokaal, een werkruimte en een bibliotheek.
In 1967-1973 werd de gevel gerestaureerd door architect Y. De Ridder en werden enkele reparaties uitgevoerd in het interieur.
In 1997 sloot de gemeente Elsene de kerk voor het publiek. Ze werd na december 2005 heropend en toen werd tevens de restauratie gepland.
Beschrijving
Voorgevel in Brabantse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.)., voornamelijk in steen van Grimbergen (sommige elementen in Gobertange). Twee registersVensterstrook in een topgevel. gescheiden door een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.. In het eerste registerVensterstrook in een topgevel. bevinden zich drie deuren onder gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. en bekronend oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. Drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) tussen monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Dorische halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Boven het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. dat over de hele breedte van het gebouw loopt, bevindt zich de attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met centraal een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., doorbroken door een cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd.. Het tweede registerVensterstrook in een topgevel. bestaat uit centraal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder pseudofronton, geflankeerd door monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Corinthische halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en voluutvormige klauwstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster.. Het derde registerVensterstrook in een topgevel. bestaat uit een gebogen frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. onderbroken door aediculaVersieringsmotief, ontleend aan de klassieke bouwkunst, vormt samenstel van pijlers en een klassieke bekroning. met cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd., waarachter zich een kleine klokkentoren bevindt met galmbord. Eerste en derde registerVensterstrook in een topgevel. bekroond met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kandelabers.

Zijgevels in neobarokDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur.. Bakstenen gevels bekleed met similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. en met hardstenen elementen (dorpels, sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. enz.). Het onderste registerVensterstrook in een topgevel. telt vijf rondboogvensters gescheiden door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., het bovenste vijf hoge rondboogvensters. De zuidelijke dwarsbeuk (Afrikaansestraat) en de noordelijke dwarsbeuk (Notarisstraat) hebben telkens één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met groot rondboogvenster tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Beide dwarsbeuken bekroond met een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. en een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten., thans onvolledig, frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met centraal een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. onder gebogen frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Het dak was vroeger bedekt met natuurleisteen die in 1965 werd vervangen door kunstleisteen. Aan de westkant bevindt zich een bronzen monument (gieterij Verbeyst) op sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in hardsteen voor de soldaten van de Drievuldigheidsparochie die sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog, ontworpen door beeldhouwer Henri-Joseph Holemans (1894-1973).
Grondplan in de vorm van een Latijns kruis. Schip van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee zijbeuken eindigend in een rechthoekige kapel. De hoofdbeuk eindigt in een koor van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met een apsis met vlakke achtermuur, geflankeerd door sacristieën. In tegenstelling tot de augustijnenkerk heeft de kerk een dwarsbeuk met twee kleine kapellen.
Bijgebouw in 1934 voor de Orde van Malta toegevoegd op de hoek van de Afrikaansestraat en de Waterleidingsstraat (architect J. De Ridder). Het rechthoekige gebouw met neobarokkeDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. elementen en gevel in Gobertange telt één bouwlaag onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.. Veelhoekige traptoren onder klokvormig dak met lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten.. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met geprofileerde omlijsting met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief.. Twee grote dakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. onder driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..

Interieur
Schip en zijbeuken onder spitsbooggewelf, met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. gordelbogen. De gewelven hebben een houten structuur, bekleed met stuc en imiteren de typische bakstenen gewelven. De hoofdbeuk is gescheiden van de zijbeuken door zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., waarvan de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en schachtDe ruimte waarin de liftkooi en/of het tegengewicht bewegen, begrensd door de wanden, het plafond en de bodem van de put. De schacht kan gesloten of gedeeltelijk open zijn. in Gobertange dateren uit de eerst bouwfase en afkomstig zijn uit de voormalige augustijnenkerk. De sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en schachtenDe ruimte waarin de liftkooi en/of het tegengewicht bewegen, begrensd door de wanden, het plafond en de bodem van de put. De schacht kan gesloten of gedeeltelijk open zijn. van de zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. uit de tweede bouwfase zijn in hardsteen. Al deze zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. hebben hetzelfde kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. met plantenmotieven in licht reliëf. De kruising van de dwarsbeuk wordt gekenmerkt door samengestelde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., het koor door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Muren oorspronkelijk beschilderd met grijsgeel imitatie metselwerk. Vloer bekleed met visgraatparket gecombineerd met hardstenen gangpaden.
Belangrijkse meubilair
Afkomstig uit de augustijnenkerk: tweeëntwintig grafstenen in de dwarsbeuk en de zijbeuken; gepolychromeerde houten beelden van de Heilige Monica en Sint-Augustinus in de hoofdbeuk (17e eeuw?); polychroom reliëf met de wapens van Filips IV van Spanje (gedateerd 1642), boven het orgel. Andere interessante elementen: zes eiken biechtstoelen van het midden van de 18e eeuw, met daarboven een kruisweg in terracotta bestaande uit veertien hauts-reliëfs in neorenaissanceDe Neorenaissancestijl in Brussel is een belangrijke expressie van het 19e eeuwse eclecticisme, die zijn hoogtepunt bereikte tussen circa 1850 en 1910. Deze stijl grijpt terug op de vormen, proporties en ornamentiek van de 16e eeuwse Italiaanse renaissance, en werd in Brussel zowel toegepast in openbare als private bouwprojecten. De stijl vormt een reactie op het neoclassicisme, dat als te strak en dogmatisch werd ervaren, en ontwikkelt zich in parallel met de Neobarok en Neogotiek. De Brusselse Neorenaissance vormt aldus een historiserende maar ideologisch geladen stijl, waarin stedelijke representatie, burgerlijke trots en historische evocatie samenkomen. De Neorenaissancestijl onderscheidt zich door een rationele gevelopbouw en een ornamentiek gebaseerd op klassieke orden en renaissancemotieven. Ze combineert structurele helderheid met rijke decoratieve accenten. Typische kenmerken zijn: horizontale geleding door kroonlijsten en cordonbanden; symmetrische composities met regelmatige traveeën; gebruik van rondbogen, pilasters, zuilen en balustrades; gevels in natuursteen of baksteen met witstenen elementen; ornamentiek geïnspireerd op grotesken, medaillons, guirlandes en cartouches; hoge attieken of dakkapellen met frontons. omlijstingen, eind 19e eeuw; hoofdaltaar in wit marmer van Skyros, van de hand van beeldhouwer J. Devroy, ca. 1945; groot orgel in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl, in 1938 gebouwd door Georges Haupt (Groothertogdom Luxemburg).
Sinds 2005 (eigendom van het OCMW van 1000 Brussel): uitzonderlijke eiken preekstoel en altaar van de hand van de Antwerpse beeldhouwer Jean-François Van Hool, ca. 1845. Deze twee prestigieuze stukken zijn afkomstig uit de kapel van het Sint-Janshospitaal op de Kruidtuinlaan. Ze werden in 1861 gekocht door de Raad der Godshuizen en werden in 1937 overgebracht naar de kapel van het Brugmannhospitaal.

Glas-in-loodramen
- Glas-in-loodramen van de vier eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van het schip: uitgevoerd door meester-glazenier L. De Contini en geplaatst in 1895, tijdens de eerste fase van de bouw van de kerk.
Op de benedenverdieping, centraal medaillonRonde of ovale cartouche. met buste van een heilige, omlijst door architecturaal decor met neobarokkeDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.; het is uitgevoerd in erg lichte en een beperkt aantal kleuren zodat het op een grisailleGetekende of geschilderde voorstelling in verschillende tinten grijs of bruin. lijkt.
- Glas-in-loodramen van de vijfde travee: hernemen het model van de vorige; uitgevoerd door meester-glazenier Peyes van Antwerpen en in 1908 geplaatst toen de kerk werd vergroot.
Iconografie noordzijde (van links naar rechts): Sint-Lodewijk, Maria met Kind, Sint-Adelheid, Sint-Felix, Sint-Anna.
Iconografie zuidkant (van rechts naar links): Sint-Hubertus, Sint-Jozef, Sint-Antonius van Padua, Sint-Carolus Borromeus en Sint-Barbara.
Op de verdieping glas-in-lood in grisailleGetekende of geschilderde voorstelling in verschillende tinten grijs of bruin. uitgevoerd door de ateliers Henri Brigode fils, Brussel.
- Glas-in-loodramen van dwarsbeuk en koor: ingewijd in 1938 en uitgevoerd door het atelier van de Brusselse meester-glazenier Florent Prosper Colpaert, naar kartons van de schilder Louis Charles Crespin, in opdracht van de Orde van Malta en van Albert Michiels, titulair kanunnik van de kerk. Glas-in-loodramen in neobarokDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. geïnspireerd door de technieken van de 17e eeuw: overvloedig gebruik van email op grote glasoppervlakken en het loden netwerk gereduceerd tot de eenvoudigste expressievorm.
Iconografie. Bijbelse scènes en taferelen uit heiligenlevens. Drie ervan refereren aan Belgische families die tot de Orde van Malta behoren en die herkenbaar zijn aan hun wapens.

- glas-in-loodraam van de zuidelijke dwarsbeuk: gedateerd met 1938 en gesigneerd ‘L. C. Crespin inv. ET DEL. COLPAERT fec'. In het midden staat Sint-Joris die de draak velt en het riddersideaal belichaamt. Omringende wapenschilden van ridders van de Orde van Malta.
-glas-in-loodraam van de noordelijke dwarsbeuk: gedateerd met 1938 en gesigneerd ‘L. C. Crespin inv. ET DEL. COLPAERT fec'. De compositie lijkt op die van het glasraam in de zuidelijke dwarsbeuk. In het midden zet paus Celestinus III de kardinaalshoed op het hoofd van Sint-Albertus van Leuven, bisschop van Luik en patroonheilige van de voorzitter van de vereniging, van prins Albert de Ligne, van de titulair kannunik van de kerk Albert Michiels en van koning Albert I. Heraldisch decor van de ridders van de Orde van Malta.
-glas-in-loodraam van het koor: achter het hoofdaltaar in de as van de hoofdbeuk, voorstelling van het doopsel van Christus: Jezus wordt in de Jordaan gedoopt door Sint-Jan-de-Doper, patroonheilige van de Orde van Malta. Onderaan in een cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. ‘d.d. rev canon. Alvertvs michiels. ordin. melitens. capell. convent. ad non. hvjvs ecclesiae pastor. anno dni mcm xxxvii', met links aansluitend het volle kruis van de Orde en rechts het embleem van de parochie (op veld van keelConvex gebogen lijst., het zilveren Maltezer kruis met acht punten, beladen met drie stukken, symbool van de drievuldigheid één en twee; rechts en links van het schildhoofd, respectievelijk de wapens van Elsene en van Sint-Gillis).
Beschermd op 10.11.1955.
Augustijnenkerk
Kerk in Brabantse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.)., tussen 1621 en 1642 gebouwd door architect Jacques Francquart (1583-1651) op vraag van de augustijnenorde (sinds 1589 in Brussel gevestigd), en verbonden met het kloostergebouw in de Wolvengracht dat naar plannen van dezelfde architect tussen 1610 en 1615 werd gebouwd.
Jacques Francquart keerde na een verblijf in Rome in 1608 naar Brabant terug en vestigde zich in Brussel waar hij in opdracht van Albrecht en Isabella werkte en in 1616 de bouw van de jezuïetenkerk (gesloopt in 1812) op zich nam. In zijn werk koppelde hij op een eigenzinnige manier de traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. Brabantse stijl aan de Italiaanse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.).. Dit persoonlijke idioom komt in de gevel van de augustijnenkerk tot uiting door de introductie van een attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. die de verticaliteit benadrukt ten koste van de horizontale renaissancistischeDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. lijnen (kordons, sierlijsten).

Het grondplan bestond uit drie beuken. De hoofdbeuk was van de zijbeuken gescheiden door scheibogen op Dorische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd.. De zijbeuken eindigden in twee rechthoekige kapellen. Het schip eindigde in een diep koor met een veelhoekige apsis. De kerk had geen dwarsbeuk.
De kerk werd in 1796 gesloten door de revolutionaire troepen, maar heropende in 1805 haar deuren. Ze werd in 1816 onder het Hollandse bewind van het huis Oranje-Nassau omgevormd tot protestantse kerk en kreeg na de Brabantse Omwenteling talrijke bestemmingen: theaterzaal, tentoonstellingszaal, postkantoor. In 1892 werd besloten om de kerk te slopen voor de aanleg van het Brouckèreplein die kaderde in de stedenbouwkundige campagne voor de aanleg van de grote lanen in Brussel. De kerk werd in 1893-1894 gedemonteerd.
Geschiedenis
Van in het begin voorzag het bij K.B. van 20.02.1864 goedgekeurde rooilijnenplan betreffende de aanleg van de straten en pleinen op het grondgebied tussen de Louizalaan, de Waterloosesteenweg en de Charleroisesteenweg, in de bouw van een katholieke kerk in het hart van de nieuwe Tenboswijk. Aanvankelijk werd als locatie voor deze kerk het huidige Albert Leemansplein gekozen. Uiteindelijk werd ze gebouwd op de kruising van de Franz Merjaystraat en de Hervormingsstraat en dit met de steun van een comité voorgezeten door baron Victor d'Huart die op 20.05.1881 een overeenkomst tekende met de bankier Georges Brugmann, eigenaar van meerdere hectaren grond in de wijk. Om de waarde van zijn gronden te verhogen, steunde Georges Brugmann, die zelf weliswaar protestant was, de bouw van de nieuwe kerk. Ze werd op voorstel van het comité gewijd aan de Heilige Drievuldigheid, die zowel bij de protestanten als de katholieken het voorwerp is van een dogma.

Bij K.B. van 25.03.1886 werd de kerk tot parochiekerk gepromoveerd. Al snel werd ze te klein door de sterke demografische groei van de wijk (zie Hervormingsstraat). Na talrijke debatten over de locatie van een nieuwe kerk, besliste de regering over de kwestie door toestemming te geven voor de aankoop van een bouwgrond in het verlengde van de Baljuwstraat. Ze keurde tevens het voorstel goed van minister Auguste Beernaerts om in de nieuwe parochiekerk de gevel van de voormalige augustijnenkerk die gesloopt zou worden, te integreren. Door een overeenkomst van 06.01.1893, stond de staat, die eigenaar was van het monument, de gevel ervan gratis af aan de kerkfabriek van de Drievuldigheidskerk.
De plannen voor het nieuwe gebouw, goedgekeurd bij K.B. van 15.04.1893, werden toevertrouwd aan architect J. J. Van Ysendyck. Deze leerling van Eugène Viollet-le-Duc, die aan talrijke restauratieprojecten meewerkte, was tevens de belangrijkste vertegenwoordiger van de historiserendeArchitectuurstrekking (ca. 1850 - 1914) die bijna letterlijk stijlen uit het verleden herneemt, zoals gotiek, renaissance,... stroming van de tweede helft van de 19e eeuw in Brussel.
De bouw van de Drievuldigheidskerk verliep in twee fasen. De eerste campagne duurde van 1894 tot 1895. De plannen van architect J. J. Van Ysendyck voorzagen in het hergebruik van de gevel, de recuperatie van talrijke stenen elementen en grafmonumenten en een getrouwe overname van het barokke grondplan van de augustijnenkerk. Dit was een van de eerste keren dat in Brussel delen van een te slopen gebouw werden gedemonteerd om te worden opgenomen in een nieuw gebouw dat het volume en de bestemming van het oorspronkelijke gebouw respecteert. Bij de inhuldiging op 30.04.1895 was de kerk slechts half afgewerkt, want de kerkfabriek had te kampen met financiële problemen. Het gebouw achter de gevel van J. Francquart bestond uit drie beuken van vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en een provisorisch koor.
![Zicht op de Drievuldigheidskerk vanaf de Baljuwsstraat, voor de aanleg van het voorplein, ca. 1897 ([i]Mémoire d’Ixelles[/i], 63-64, 1996, p. 43).](/medias/500/buildings/10502860_A001_W06.jpg)
De tweede bouwcampagne had plaats tussen 1907 en 1908. In 1903 belastte de kerkfabriek architect Fernand Symons met de voltooiing van de kerk en de aanpassing van de oorspronkelijke plannen door de toevoeging van een dwarsbeuk.
Met het geld van talrijke schenkingen werden de bakstenen zijgevels van de kerk in 1918 bekleed met similiBepleistering ter imitatie van natuursteen..
In 1933 vestigde de Belgische Vereniging der leden van de soevereine militaire hospitaalorde van Sint Jan van Jeruzalem (ook bekend als de Orde van Malta), voorgezeten door prins Étienne de Croy, officieel haar zetel in de Drievuldigheidskerk. De orde verfraaide de kerk met opmerkelijke glas-in-loodramen met de wapens van de ridders (dwarsbeuk en koor) en liet in 1934 een bijgebouw optrekken naar plannen van architect J. De Ridder (afb. 4). In dit bijgebouw ter hoogte van het koor bevinden zich een sacristie, een doopkapel, een catecheselokaal, een werkruimte en een bibliotheek.
In 1967-1973 werd de gevel gerestaureerd door architect Y. De Ridder en werden enkele reparaties uitgevoerd in het interieur.
In 1997 sloot de gemeente Elsene de kerk voor het publiek. Ze werd na december 2005 heropend en toen werd tevens de restauratie gepland.
Beschrijving
Voorgevel in Brabantse barokPeriode: 17e eeuw De barok ontstaat aan het begin van de 17e eeuw in Italië, waar de stijl verbonden is met de Contrareformatie, een beweging van de rooms-katholieke Kerk die haar gezag tegenover het protestantisme wilde herbevestigen. De vormentaal van de antieke architectuur, die tijdens de renaissance werd herontdekt en geherinterpreteerd, wordt op een nieuwe, meer theatrale en expressieve manier toegepast. De barokarchitectuur onderscheidt zich door de afwisseling van concave en convexe oppervlakken, het gebruik van dynamische gebogen lijnen, een uitgesproken decoratieve uitbundigheid, het gebruik van plastische en complexe vormen en door contrasten tussen volle en lege vlakken en tussen licht en schaduw. In Brussel wordt de barok eerst toegepast in de religieuze architectuur en vervolgens in de burgerlijke architectuur. Kerkgebouwen volgen de voorschriften van het Concilie van Trente en worden opgetrokken naar het Romeinse model van de kerk Il Gesù (1568). De barokarchitectuur neemt het grondplan in Latijns kruis over, met een eenvormige ruimte voor de eredienst, een breed uitgewerkte gevel en een rijke decoratie, zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde: uitsprongen, boven elkaar plaatsen van de klassieke orden, frontons met voluten, uitspringende kroonlijsten, nissen geflankeerd door voluten, brede entablementen, pilasters en zuilen met kapitelen geïnspireerd op de antieke orden, toortsen en putti. De barok draagt aan het einde van de 17e eeuw ook bij tot de diversifiëring van de gevels van Brusselse huizen, die evenwel trouw blijven aan de middeleeuwse puntgevel. Die laatste wordt verrijkt met omgekeerde voluten of in- en uitzwenkende vleugelstukken en een gebogen attiek. De gevels worden verdeeld door horizontale en verticale banden die de houten structuur van oudere huizen in steen vertalen. Het decor wordt aangevuld met een brede waaier aan barokke motieven (frontons, balusters, voluten, schelpmotieven, fakkels en gebeeldhouwde cartouches). Baksteen blijft zeer ruim toegepast, en wordt gecombineerd met witsteen en hardsteen, wat zorgt voor reliëfwerking en chromatische effecten. Steen blijft doorgaans voorbehouden voor decoratieve elementen en dragende onderdelen (plinten, hoekkettingen, gebogen lintelen, deuromlijstingen). Aan het einde van de 17e eeuw wordt het decor onder Franse invloed verder ontwikkeld en evolueert de barokstijl naar een classicerende barokstijl(gebogen en naar binnen gekrulde vleugelstukken, decoratieve vazen, guirlandes enz.)., voornamelijk in steen van Grimbergen (sommige elementen in Gobertange). Twee registersVensterstrook in een topgevel. gescheiden door een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. met attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt.. In het eerste registerVensterstrook in een topgevel. bevinden zich drie deuren onder gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. en bekronend oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster.. Drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) tussen monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Dorische halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Boven het hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. dat over de hele breedte van het gebouw loopt, bevindt zich de attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. met centraal een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening., doorbroken door een cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd.. Het tweede registerVensterstrook in een topgevel. bestaat uit centraal vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder pseudofronton, geflankeerd door monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. Corinthische halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. en pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. en voluutvormige klauwstukkenZijstuk, veelal in voluutvorm, van een topgevel, dakkapel of dakvenster.. Het derde registerVensterstrook in een topgevel. bestaat uit een gebogen frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. onderbroken door aediculaVersieringsmotief, ontleend aan de klassieke bouwkunst, vormt samenstel van pijlers en een klassieke bekroning. met cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd., waarachter zich een kleine klokkentoren bevindt met galmbord. Eerste en derde registerVensterstrook in een topgevel. bekroond met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kandelabers.

Zijgevels in neobarokDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur.. Bakstenen gevels bekleed met similiBepleistering ter imitatie van natuursteen. en met hardstenen elementen (dorpels, sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. enz.). Het onderste registerVensterstrook in een topgevel. telt vijf rondboogvensters gescheiden door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., het bovenste vijf hoge rondboogvensters. De zuidelijke dwarsbeuk (Afrikaansestraat) en de noordelijke dwarsbeuk (Notarisstraat) hebben telkens één traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met groot rondboogvenster tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Beide dwarsbeuken bekroond met een hoofdgestelHoog horizontaal lijstwerk ter bekroning van een gevel. en een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten., thans onvolledig, frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met centraal een oculusKlein rond, ovaal of polygonaal venster. onder gebogen frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening.. Het dak was vroeger bedekt met natuurleisteen die in 1965 werd vervangen door kunstleisteen. Aan de westkant bevindt zich een bronzen monument (gieterij Verbeyst) op sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. in hardsteen voor de soldaten van de Drievuldigheidsparochie die sneuvelden in de Eerste Wereldoorlog, ontworpen door beeldhouwer Henri-Joseph Holemans (1894-1973).
Grondplan in de vorm van een Latijns kruis. Schip van vijf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee zijbeuken eindigend in een rechthoekige kapel. De hoofdbeuk eindigt in een koor van twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met een apsis met vlakke achtermuur, geflankeerd door sacristieën. In tegenstelling tot de augustijnenkerk heeft de kerk een dwarsbeuk met twee kleine kapellen.
Bijgebouw in 1934 voor de Orde van Malta toegevoegd op de hoek van de Afrikaansestraat en de Waterleidingsstraat (architect J. De Ridder). Het rechthoekige gebouw met neobarokkeDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. elementen en gevel in Gobertange telt één bouwlaag onder schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.. Veelhoekige traptoren onder klokvormig dak met lantaarn1. Bovenste, opengewerkte bekroning van een dakkoepel of toren; schrijlings op nok van een dak gelegen wordt het dakruiter genoemd. - 2. Lichtbron met glazen ruiten.. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met geprofileerde omlijsting met orenUitstekend deel van sommige bouwelementen of -constructies, meestal louter decoratief.. Twee grote dakvenstersUit het dakvlak opgaand stenen venster dat met de gevel in verbinding staat of er enkel door een kroonlijst van gescheiden is. onder driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening..

Interieur
Schip en zijbeuken onder spitsbooggewelf, met rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. gordelbogen. De gewelven hebben een houten structuur, bekleed met stuc en imiteren de typische bakstenen gewelven. De hoofdbeuk is gescheiden van de zijbeuken door zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., waarvan de sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en schachtDe ruimte waarin de liftkooi en/of het tegengewicht bewegen, begrensd door de wanden, het plafond en de bodem van de put. De schacht kan gesloten of gedeeltelijk open zijn. in Gobertange dateren uit de eerst bouwfase en afkomstig zijn uit de voormalige augustijnenkerk. De sokkelsHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en schachtenDe ruimte waarin de liftkooi en/of het tegengewicht bewegen, begrensd door de wanden, het plafond en de bodem van de put. De schacht kan gesloten of gedeeltelijk open zijn. van de zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. uit de tweede bouwfase zijn in hardsteen. Al deze zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. hebben hetzelfde kapiteelKopstuk van een zuil, pijler of pilaster; algemeen om de gedragen last op een smaller draagvlak over te brengen. met plantenmotieven in licht reliëf. De kruising van de dwarsbeuk wordt gekenmerkt door samengestelde zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., het koor door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.. Muren oorspronkelijk beschilderd met grijsgeel imitatie metselwerk. Vloer bekleed met visgraatparket gecombineerd met hardstenen gangpaden.
Belangrijkse meubilair
Afkomstig uit de augustijnenkerk: tweeëntwintig grafstenen in de dwarsbeuk en de zijbeuken; gepolychromeerde houten beelden van de Heilige Monica en Sint-Augustinus in de hoofdbeuk (17e eeuw?); polychroom reliëf met de wapens van Filips IV van Spanje (gedateerd 1642), boven het orgel. Andere interessante elementen: zes eiken biechtstoelen van het midden van de 18e eeuw, met daarboven een kruisweg in terracotta bestaande uit veertien hauts-reliëfs in neorenaissanceDe Neorenaissancestijl in Brussel is een belangrijke expressie van het 19e eeuwse eclecticisme, die zijn hoogtepunt bereikte tussen circa 1850 en 1910. Deze stijl grijpt terug op de vormen, proporties en ornamentiek van de 16e eeuwse Italiaanse renaissance, en werd in Brussel zowel toegepast in openbare als private bouwprojecten. De stijl vormt een reactie op het neoclassicisme, dat als te strak en dogmatisch werd ervaren, en ontwikkelt zich in parallel met de Neobarok en Neogotiek. De Brusselse Neorenaissance vormt aldus een historiserende maar ideologisch geladen stijl, waarin stedelijke representatie, burgerlijke trots en historische evocatie samenkomen. De Neorenaissancestijl onderscheidt zich door een rationele gevelopbouw en een ornamentiek gebaseerd op klassieke orden en renaissancemotieven. Ze combineert structurele helderheid met rijke decoratieve accenten. Typische kenmerken zijn: horizontale geleding door kroonlijsten en cordonbanden; symmetrische composities met regelmatige traveeën; gebruik van rondbogen, pilasters, zuilen en balustrades; gevels in natuursteen of baksteen met witstenen elementen; ornamentiek geïnspireerd op grotesken, medaillons, guirlandes en cartouches; hoge attieken of dakkapellen met frontons. omlijstingen, eind 19e eeuw; hoofdaltaar in wit marmer van Skyros, van de hand van beeldhouwer J. Devroy, ca. 1945; groot orgel in neoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl, in 1938 gebouwd door Georges Haupt (Groothertogdom Luxemburg).
Sinds 2005 (eigendom van het OCMW van 1000 Brussel): uitzonderlijke eiken preekstoel en altaar van de hand van de Antwerpse beeldhouwer Jean-François Van Hool, ca. 1845. Deze twee prestigieuze stukken zijn afkomstig uit de kapel van het Sint-Janshospitaal op de Kruidtuinlaan. Ze werden in 1861 gekocht door de Raad der Godshuizen en werden in 1937 overgebracht naar de kapel van het Brugmannhospitaal.

Glas-in-loodramen
- Glas-in-loodramen van de vier eerste traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) van het schip: uitgevoerd door meester-glazenier L. De Contini en geplaatst in 1895, tijdens de eerste fase van de bouw van de kerk.
Op de benedenverdieping, centraal medaillonRonde of ovale cartouche. met buste van een heilige, omlijst door architecturaal decor met neobarokkeDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.; het is uitgevoerd in erg lichte en een beperkt aantal kleuren zodat het op een grisailleGetekende of geschilderde voorstelling in verschillende tinten grijs of bruin. lijkt.
- Glas-in-loodramen van de vijfde travee: hernemen het model van de vorige; uitgevoerd door meester-glazenier Peyes van Antwerpen en in 1908 geplaatst toen de kerk werd vergroot.
Iconografie noordzijde (van links naar rechts): Sint-Lodewijk, Maria met Kind, Sint-Adelheid, Sint-Felix, Sint-Anna.
Iconografie zuidkant (van rechts naar links): Sint-Hubertus, Sint-Jozef, Sint-Antonius van Padua, Sint-Carolus Borromeus en Sint-Barbara.
Op de verdieping glas-in-lood in grisailleGetekende of geschilderde voorstelling in verschillende tinten grijs of bruin. uitgevoerd door de ateliers Henri Brigode fils, Brussel.
- Glas-in-loodramen van dwarsbeuk en koor: ingewijd in 1938 en uitgevoerd door het atelier van de Brusselse meester-glazenier Florent Prosper Colpaert, naar kartons van de schilder Louis Charles Crespin, in opdracht van de Orde van Malta en van Albert Michiels, titulair kanunnik van de kerk. Glas-in-loodramen in neobarokDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. geïnspireerd door de technieken van de 17e eeuw: overvloedig gebruik van email op grote glasoppervlakken en het loden netwerk gereduceerd tot de eenvoudigste expressievorm.
Iconografie. Bijbelse scènes en taferelen uit heiligenlevens. Drie ervan refereren aan Belgische families die tot de Orde van Malta behoren en die herkenbaar zijn aan hun wapens.

- glas-in-loodraam van de zuidelijke dwarsbeuk: gedateerd met 1938 en gesigneerd ‘L. C. Crespin inv. ET DEL. COLPAERT fec'. In het midden staat Sint-Joris die de draak velt en het riddersideaal belichaamt. Omringende wapenschilden van ridders van de Orde van Malta.
-glas-in-loodraam van de noordelijke dwarsbeuk: gedateerd met 1938 en gesigneerd ‘L. C. Crespin inv. ET DEL. COLPAERT fec'. De compositie lijkt op die van het glasraam in de zuidelijke dwarsbeuk. In het midden zet paus Celestinus III de kardinaalshoed op het hoofd van Sint-Albertus van Leuven, bisschop van Luik en patroonheilige van de voorzitter van de vereniging, van prins Albert de Ligne, van de titulair kannunik van de kerk Albert Michiels en van koning Albert I. Heraldisch decor van de ridders van de Orde van Malta.
-glas-in-loodraam van het koor: achter het hoofdaltaar in de as van de hoofdbeuk, voorstelling van het doopsel van Christus: Jezus wordt in de Jordaan gedoopt door Sint-Jan-de-Doper, patroonheilige van de Orde van Malta. Onderaan in een cartoucheOmlijsting van een uitspringend vlak in de vorm van ingesneden en omkrullend papier of leer; vaak met opschrift of intern versierd. ‘d.d. rev canon. Alvertvs michiels. ordin. melitens. capell. convent. ad non. hvjvs ecclesiae pastor. anno dni mcm xxxvii', met links aansluitend het volle kruis van de Orde en rechts het embleem van de parochie (op veld van keelConvex gebogen lijst., het zilveren Maltezer kruis met acht punten, beladen met drie stukken, symbool van de drievuldigheid één en twee; rechts en links van het schildhoofd, respectievelijk de wapens van Elsene en van Sint-Gillis).
Beschermd op 10.11.1955.
Bronnen
Archieven
Archieven van de Kerkfabriek van de H. Drievuldigheidskerk, niet geklasserd fonds.
Publicaties en studies
ABEELS, G., Démolition du temple des Augustins, la Senne, Ministère de la Communauté Française, s.d., pp. 79-82.
ABEELS, G., Les pionniers de la photographie à Bruxelles, Europese bibliotheek, Nederland, 1977, pp. 84-87.
Bruxelles, construire et reconstruire. Architecture et aménagement urbain 1780-1914 (tentoonstellingscatalogus), Gemeentekrediet van België, Brussel, 1979, pp. 117-121.
Bruxelles, Monuments et sites classés, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Monumenten en Landschappen, 1994, p.45.
CAPELLE, P., OSAER, T., VAN INNIS, G. (coll), et al., Les églises à Bruxelles, Mechelen, 1995.
COEKELBERGHS, D., JANSSENS, W., Répertoire photographique du mobilier des sanctuaires de Belgique. Province de Brabant canton d'Ixelles I et II, IRPA-KIK, Brussel, 1979, pp. 19-21.
DEROM, P., Les sculptures de Bruxelles. Catalogue raisonné, Patrick Derom Gallery, Brussel, 2002, p. 109.
DES MAREZ, G., Traité d'architecture dans son application aux monuments de Bruxelles, Touring club van België, Brussel, 1921, pp. 151, 233-236, 238.
DES MAREZ, G., Traité d'architecture dans son application aux monuments de Bruxelles, Touring club van België, Brussel, 1958, pp. 362-363.
DUBREUCQ, J., Bruxelles 1000. Une histoire Capitale. Deel 5. Sectie 5 "la section de la Monnoye", 1998, pp. 395, 423, 424.
Inventaire des Orgues en Région Bruxelles-Capitale, Organum Novum asbl, Directie Monumenten en Landschappen, Brussel, 2005, p. 92.
KATSANOU, V., PEETERSILLE, C., et al., Drievuldigheidskerk Ixelles & Saint-Gilles, Sumary of projet work. Integrated Project Work, Conservation project for a building and its urban contexte (Eindverhandeling Centrum Raymond Lemaire, KUL), 2004-2005.
PHILIPPOT, P., COECKELBERGHS, D., LOZE, P., VAUTHIER, D., L'architecture religieuse et la sculpture baroques dans les Pays-Bas méridionaux et la principauté de Liège 1600-1770, Pierre Mardaga éditeur, Luik, 2003, pp. 59-61.
PLANTENGA, J. H., L'architecture religieuse dans l'ancien duché de Brabant depuis le règne des archiducs jusqu'au gouvernement autrichien (1598-1713), uitg. Martinus Nijhoff, Den Haag, 1926, pp. 57-68.
TERLINDEN, Ch., Histoire du Temple des Augustins et de Drievuldigheidskerk, Éd. J. Duculot, Gembloux, 1964, pp. 1-47.
VAN HAVERMAET, H., Le temple des Augustins à Bruxelles, Alliance typographique, Brussel,1890.
Tijdschriften
LOMBAERDE, P., ‘Projet de l'église de la Trinité', A+, 61, 1979, pp. 17-18.
DE VOS, T., ‘Présence à Ixelles de l'ordre des Chevaliers de St Jean de Jérusalem, de Rhodes et de Malte', Brabant Toerisme, 1, 1985, pp. 44-45.
DE VOS, T., ‘Les vitraux de l'église de la Trinité à Bruxelles se rapportant à l'Ordre Souverain de Malte', Brabant Toerisme, 1, 1987, pp. 44-46.
‘Ixelles: Église Sainte-Trinité', Bulletin CRMS, XXXII, 1893, p. 196.
‘Ixelles: Église Sainte-Trinité', Bulletin CRMS, XXXV, 1896, p. 43.
‘Ixelles: Église Sainte-Trinité', Bulletin CRMS, XLIII, 1904, p. 25.
HAINAUT, M., ‘L'église de la Trinité', Mémoire d'Ixelles, 63-64, 1996, pp. 27-52.
‘Église des Augustins', Nouvelle rare de Bruxelles, 1, 1843 pp. 35-37.
Persartikels
BAUDELOT, M., ‘Trinité: Ixelles prête à rouvrir l'église, St-Gilles pas…', La Capitale, 09.07.2004.
DUPREZ, M., ‘L'hôpital Brugmann poursuit sa rénovation. Classée, la chapelle sera restaurée', Le Soir, 19.04.2005.
V. J., ‘Un opéra à la Trinité?', La Tribune de Bruxelles, 124, 19.05.2005.
Onuitgegeven studien
Drievuldigheidskerk à Bruxelles. Dossier d'expertise et annexe, Bureau Origin Engineering & Architecture, Brussel, mei 2004.
Communes d'Ixelles et de Saint-Gilles. Étude pour la conservation des vitraux de la nef et de la façade occidentale de l'église de la Trinité, onuitgegeven studie, Brussel, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, s.d. (2005).
Archieven van de Kerkfabriek van de H. Drievuldigheidskerk, niet geklasserd fonds.
Publicaties en studies
ABEELS, G., Démolition du temple des Augustins, la Senne, Ministère de la Communauté Française, s.d., pp. 79-82.
ABEELS, G., Les pionniers de la photographie à Bruxelles, Europese bibliotheek, Nederland, 1977, pp. 84-87.
Bruxelles, construire et reconstruire. Architecture et aménagement urbain 1780-1914 (tentoonstellingscatalogus), Gemeentekrediet van België, Brussel, 1979, pp. 117-121.
Bruxelles, Monuments et sites classés, Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Dienst Monumenten en Landschappen, 1994, p.45.
CAPELLE, P., OSAER, T., VAN INNIS, G. (coll), et al., Les églises à Bruxelles, Mechelen, 1995.
COEKELBERGHS, D., JANSSENS, W., Répertoire photographique du mobilier des sanctuaires de Belgique. Province de Brabant canton d'Ixelles I et II, IRPA-KIK, Brussel, 1979, pp. 19-21.
DEROM, P., Les sculptures de Bruxelles. Catalogue raisonné, Patrick Derom Gallery, Brussel, 2002, p. 109.
DES MAREZ, G., Traité d'architecture dans son application aux monuments de Bruxelles, Touring club van België, Brussel, 1921, pp. 151, 233-236, 238.
DES MAREZ, G., Traité d'architecture dans son application aux monuments de Bruxelles, Touring club van België, Brussel, 1958, pp. 362-363.
DUBREUCQ, J., Bruxelles 1000. Une histoire Capitale. Deel 5. Sectie 5 "la section de la Monnoye", 1998, pp. 395, 423, 424.
Inventaire des Orgues en Région Bruxelles-Capitale, Organum Novum asbl, Directie Monumenten en Landschappen, Brussel, 2005, p. 92.
KATSANOU, V., PEETERSILLE, C., et al., Drievuldigheidskerk Ixelles & Saint-Gilles, Sumary of projet work. Integrated Project Work, Conservation project for a building and its urban contexte (Eindverhandeling Centrum Raymond Lemaire, KUL), 2004-2005.
PHILIPPOT, P., COECKELBERGHS, D., LOZE, P., VAUTHIER, D., L'architecture religieuse et la sculpture baroques dans les Pays-Bas méridionaux et la principauté de Liège 1600-1770, Pierre Mardaga éditeur, Luik, 2003, pp. 59-61.
PLANTENGA, J. H., L'architecture religieuse dans l'ancien duché de Brabant depuis le règne des archiducs jusqu'au gouvernement autrichien (1598-1713), uitg. Martinus Nijhoff, Den Haag, 1926, pp. 57-68.
TERLINDEN, Ch., Histoire du Temple des Augustins et de Drievuldigheidskerk, Éd. J. Duculot, Gembloux, 1964, pp. 1-47.
VAN HAVERMAET, H., Le temple des Augustins à Bruxelles, Alliance typographique, Brussel,1890.
Tijdschriften
LOMBAERDE, P., ‘Projet de l'église de la Trinité', A+, 61, 1979, pp. 17-18.
DE VOS, T., ‘Présence à Ixelles de l'ordre des Chevaliers de St Jean de Jérusalem, de Rhodes et de Malte', Brabant Toerisme, 1, 1985, pp. 44-45.
DE VOS, T., ‘Les vitraux de l'église de la Trinité à Bruxelles se rapportant à l'Ordre Souverain de Malte', Brabant Toerisme, 1, 1987, pp. 44-46.
‘Ixelles: Église Sainte-Trinité', Bulletin CRMS, XXXII, 1893, p. 196.
‘Ixelles: Église Sainte-Trinité', Bulletin CRMS, XXXV, 1896, p. 43.
‘Ixelles: Église Sainte-Trinité', Bulletin CRMS, XLIII, 1904, p. 25.
HAINAUT, M., ‘L'église de la Trinité', Mémoire d'Ixelles, 63-64, 1996, pp. 27-52.
‘Église des Augustins', Nouvelle rare de Bruxelles, 1, 1843 pp. 35-37.
Persartikels
BAUDELOT, M., ‘Trinité: Ixelles prête à rouvrir l'église, St-Gilles pas…', La Capitale, 09.07.2004.
DUPREZ, M., ‘L'hôpital Brugmann poursuit sa rénovation. Classée, la chapelle sera restaurée', Le Soir, 19.04.2005.
V. J., ‘Un opéra à la Trinité?', La Tribune de Bruxelles, 124, 19.05.2005.
Onuitgegeven studien
Drievuldigheidskerk à Bruxelles. Dossier d'expertise et annexe, Bureau Origin Engineering & Architecture, Brussel, mei 2004.
Communes d'Ixelles et de Saint-Gilles. Étude pour la conservation des vitraux de la nef et de la façade occidentale de l'église de la Trinité, onuitgegeven studie, Brussel, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, s.d. (2005).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid















