Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voormalig Instituut voor Anatomie en Histologie – Instituut Warocqué
Maalbeeklaan 3-13
Leopoldpark
Typologie(ën)
school
Ontwerper(s)
L. GÉRARD – ingenieur-architect – 1893-1899
Jules Jacques VAN YSENDIJCK – architect – 1893-1899
Stijlen
Eclectisme
Art nouveau
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2013
id
Urban : 36937
Beschrijving
Voormalige universitaire instelling voor
praktisch geneeskundeonderricht, in eclectischePeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl met art-nouveau-elementenPeriode: 1890 – 1914
De art
nouveau is een kunststroming die zich in Europa voornamelijk tussen 1890 en
1910 ontwikkelt en een duidelijke breuk met de historische stijlen en de
academische kunst van de 19e eeuw nastreeft.
In België ontstaat de art nouveau in Brussel in 1893 met de bouw van het Huis
Tassel door Victor Horta (1861-1947) en de privéwoning van Paul Hankar
(1859-1901). Door af te stappen van de traditionele typologie met drie
opeenvolgende vertrekken, holt Horta het centrum van de woning uit om er
daglicht naar binnen te brengen. Vanuit die lichtkern ontvouwt zich vervolgens
de binnenruimte. Hij ontwikkelt een esthetiek die vrijelijk is geïnspireerd op
de plantenwereld, terwijl Hankar daar een geometrische vormentaal tegenover
plaatst, waarbij hij sterker inzet op de kleureffecten die voortkomen uit het
gebruik en de afwerking van verschillende materialen. Uit die twee benaderingen
komen twee stromingen voort: de ene is geïnspireerd door de flora, met
vloeiende en organische lijnen, de andere vertrekt van geometrische elementen
en heeft een strakker en repetitiever vormenvocabularium. De art nouveau wordt
toegepast op heel uiteenlopende bouwwerken: burgerwoningen en herenhuizen, schoolgebouwen,
sociale woningen en handelszaken.
Aanvankelijk wordt de art nouveau ontworpen voor een progressieve en
welgestelde burgerij, maar de stijl wordt al snel gedemocratiseerd en groeit
uit tot de modieuze vormentaal van een nieuwe generatie architecten. Zij leggen
minder nadruk op de complexiteit van de binnenruimtes en meer op de uitwerking
van de gevels. De versoepeling van de binnenstructuur van de woning leidt tot
een vrijere gevelcompositie, met vensters in uiteenlopende vormen, verfraaid
met bow-windows of erkers, loggia’s en balkons. Gevels veranderen bovendien
door het gebruik van nieuwe materialen, zoals geglazuurde gekleurde baksteen,
mozaïeken, decoratieve keramiek, zuiltjes en metalen lintelen. Daardoor beperkt
de art nouveau zich vaak tot een toepassing binnen het eclecticisme, waarbij
vooral de zorgvuldig uitgewerkte decoratieve details de geest van de stroming
uitdrukken, zoals sgraffito, glas-in-loodramen, smeedijzerwerk en het artistiek
ontwerp van het schrijnwerk of van allerlei boogvormige vensters.,
gebouwd van 1893 tot 1898-1899 volgens de plannen van architect Jules-Jacques
Van Ysendyck en ingenieur Léon Gérard.
Het gebouw ligt in het benedengedeelte van het Leopoldpark, tegenover de vijver, waar vroeger het olifantenverblijf van de Dierentuin lag. Thans huisvest het gebouw de secundaire afdeling van het Jacqmainlyceum (Brussel Stad), alsook het Brussels Intercommunaal Laboratorium voor Scheikunde en Bacteriologie (Maalbeeklaan 3).
Geschiedenis
Het Instituut voor Anatomie en Histologie –of het Instituut Warocqué– is een van de drie eerste universitaire instituten die J.-J. Van Ysendyck en Léon Gérard van 1892 tot 1899 bouwden voor de Stad van de Wetenschap in het Leopoldpark. Na de bouw van de twee instituten voor Fysiologie (Universitair Instituut en Instituut Solvay, 1892-1894) en van het Instituut voor Hygiëne, Bacteriologie en Therapeutiek (1893-1894, in 1933 gesloopt en vervangen door het Instituut George Eastman), liet ook de behoefte aan een Instituut voor Anatomie zich voelen, want de lokalen van het Sint-Jansziekenhuis die de studenten toen gebruikten, waren niet langer geschikt. Op verzoek van professor Paul Héger kwam de industrieel Raoul Warocqué financieel tussen via een schenking aan de Stad Brussel, eigenares van het terrein. De bouw van dit instituut werd goedgekeurd tijdens de gemeenteraadszitting van 8.05.1893 en de werken gingen meteen van start. In 1895, na talrijke aanvullingen op het oorspronkelijke project, werd het gebouw ingehuldigd, hoewel het in werkelijkheid pas in 1898-1899 volledig klaar was. Het werd gebruikt door de geneeskundestudenten van de ULB. Al bij al was het financiële aandeel van de stad veel groter dan het mecenaat van Warocqué, hoewel het gebouw diens naam is blijven dragen.
Toen de ULB naar de Solbosch-campus verhuisde, kwamen de wetenschappelijke instituten van het Leopoldpark vanaf 1920 leeg te staan, hoewel de gebouwen eigendom van de Stad Brussel bleven. In 1929 werd het Instituut voor Anatomie gedeeltelijk omgevormd tot het Intercommunaal Laboratorium voor Scheikunde en Bacteriologie (herinrichtingsplan uit 1929, SAB/OW 59065), dat de rechtervleugel en een deel van het centrale paviljoen ter beschikking kreeg. In 1941 werden de collecties van het door Paul Otlet opgerichte Mundaneum (een planetair documentatie- en communicatiecentrum) die zich in het Jubelpark bevonden voorlopig in de rechtervleugel van het instituut ondergebracht. Ze bleven er tot in 1972. Van 1972 tot 1985 was het rechterdeel van het gebouw buiten gebruik.
In 1985 plande de stad de vestiging van de voorbereidende afdeling van het Jacqmainlyceum in de leegstaande vleugel van het Instituut Warocqué. Hoewel de herinrichtingsplannen van architect Rimanque niet werden uitgevoerd, hebben diverse ingrepen (tussenwanden, verlaagde plafonds, vervanging van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn....) de rechtervleugel van het gebouw geleidelijk gewijzigd, hoofdzakelijk door de bestaande volumes in kleinere lokalen op te delen. Aanvankelijk kregen de leerlingen van het lager onderwijs hier les, maar sinds 2011 is het gebouw bestemd voor de leerlingen van het middelbaar onderwijs en dient het als bijgebouw van het Jacqmainlyceum, dat in het voormalige Instituut voor Fysiologie is gevestigd. Een deel van het centrale paviljoen staat echter nog altijd leeg en bevindt zich in slechte staat.
Beschrijving
Symmetrisch U-vormig gebouw van drie bouwlagen. Het bestaat uit drie delen: een centraal paviljoen geflankeerd door lagere zijvleugels, en twee dwarse hoekpaviljoenen. Deze entiteiten zijn volledig autonoom (toegang, trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., interne circulatiewegen en studielokalen zoals laboratoria, auditoria en kantoren). Aan de zijde van het park heeft het centrale paviljoen drie afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), terwijl het aan de zijde van de binnenplaats een vlakke gevel heeft, achter een breed bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. dat oorspronkelijk door een glazen dak werd bekroond.
![Maalbeeklaan 3-13, Voormalig Instituut voor Anatomie en Histologie, plattegrond van eerste bouwlaag, LAMBERT, C., [i]Étude historique …[/i], Ville de Bruxelles – CPH, 2001, p. 7.](/medias/500/buildings/10005072_0003_W02.jpg)
De gevels vertonen een strakke, geritmeerde indeling: een stenen benedenverdieping met bossagesIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). behandeld als een hoge onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. voor de hogere bouwlagen in baksteen; de traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) zijn breed, met grote muuropeningen die worden gescheiden door steunberen volgens verkleinende ordonnantie die in een schoorsteenpijpHet boven het metselwerk of dak uitstekende deel van een schoorsteen. uitmonden. Dit strakke uitzicht wordt getemperd door een gestileerde decoratie (schrijnwerk, baksteenwerk, sgraffitiSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). met een voorstelling van de schenkers) die het gebouw een art-nouveaukarakter verleent.
Door hun afmetingen, hun structuur en hun decor zijn de muuropeningen de grote blikvangers van het gebouw: het metalen raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., dat is op de twee verdiepingen opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen., is drieledig en is versierd met hoefijzerboogvormige metalen boogfriezenReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen.. Elk vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. wordt bekroond door een I-balkIJzeren latei met I-profiel. die is opgedeeld in compartimenten versierd met kruisen. Boven een ligger versierd met rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. wordt de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. een sgraffitoSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). of een paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. van geëmailleerde baksteen.
Een brede kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op houten korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. bekroont de opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van het centrale paviljoen (consoles op de zijpaviljoenen), terwijl een vierledig daklicht het bovenste amfitheater verlicht. De lage vleugels monden uit in een stenen band met tandfriesLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief., onder een bakstenen attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. en een stenen dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen..
SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... deels bewaard.
Interieur. Zoals in de twee andere instituten van het Leopoldpark die eind 19e eeuw werden opgetrokken, heeft de constructie een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. zelfdragende metaalstructuur gemaakt van geprefabriceerde elementen. Betonnen funderingen dragen de stalen gebinten, die onderling door metalen balken worden verbonden. De gevels, de binnenmuren en de vloeren op gewelfblokjes rusten op metalen balken. Ook de trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. hebben een metaalstructuur. De imposante beglaasde muuropeningen vermengen spiegelglas (buitenzijde) en vensterglas (binnenzijde) en vormen dubbele beglaasde wanden, een systeem van dubbele beglazing dat door ingenieur Léon Gérard werd bedacht. De veeleer klassieke monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. benadering vermengt techniciteit met innovatie.
De lokalen waren bestemd voor het praktisch geneeskundeonderricht en omvatten hoofdzakelijk leszalen, auditoria, dissectiezalen, praktijklokalen, kantoren… Een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. loopt rond sommige auditoria, terwijl mobiele trappen naar verschillende plaatsen van de galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. kunnen worden gerold. Rekening houdend met de hoge kostprijs van het gebouw en de extra kosten gemaakt tijdens de uitvoering van de werken, werd de binneninrichting vrij sober gehouden. In de drieledige voorbouw van het centrale paviljoen bevindt zich het grote auditorium met oplopende bankenrijen; onder het centrale dakraam ligt het anatomisch spectatorium, een klein amfitheater met een centrale dissectietafel (de lijken werden via een goederenliftEen lift die voornamelijk bestemd is voor het vervoer van goederen/voorwerpen. aangevoerd).

De lokalen werden in de loop van de 20e eeuw aangepast aan de nieuwe bestemmingen van het gebouw (wijziging van het binnenschrijnwerk, vervanging van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., aanpassing van de vloeren, plaatsing van tussenwanden…).
Het gebouw ligt in het benedengedeelte van het Leopoldpark, tegenover de vijver, waar vroeger het olifantenverblijf van de Dierentuin lag. Thans huisvest het gebouw de secundaire afdeling van het Jacqmainlyceum (Brussel Stad), alsook het Brussels Intercommunaal Laboratorium voor Scheikunde en Bacteriologie (Maalbeeklaan 3).
Geschiedenis
Het Instituut voor Anatomie en Histologie –of het Instituut Warocqué– is een van de drie eerste universitaire instituten die J.-J. Van Ysendyck en Léon Gérard van 1892 tot 1899 bouwden voor de Stad van de Wetenschap in het Leopoldpark. Na de bouw van de twee instituten voor Fysiologie (Universitair Instituut en Instituut Solvay, 1892-1894) en van het Instituut voor Hygiëne, Bacteriologie en Therapeutiek (1893-1894, in 1933 gesloopt en vervangen door het Instituut George Eastman), liet ook de behoefte aan een Instituut voor Anatomie zich voelen, want de lokalen van het Sint-Jansziekenhuis die de studenten toen gebruikten, waren niet langer geschikt. Op verzoek van professor Paul Héger kwam de industrieel Raoul Warocqué financieel tussen via een schenking aan de Stad Brussel, eigenares van het terrein. De bouw van dit instituut werd goedgekeurd tijdens de gemeenteraadszitting van 8.05.1893 en de werken gingen meteen van start. In 1895, na talrijke aanvullingen op het oorspronkelijke project, werd het gebouw ingehuldigd, hoewel het in werkelijkheid pas in 1898-1899 volledig klaar was. Het werd gebruikt door de geneeskundestudenten van de ULB. Al bij al was het financiële aandeel van de stad veel groter dan het mecenaat van Warocqué, hoewel het gebouw diens naam is blijven dragen.
Toen de ULB naar de Solbosch-campus verhuisde, kwamen de wetenschappelijke instituten van het Leopoldpark vanaf 1920 leeg te staan, hoewel de gebouwen eigendom van de Stad Brussel bleven. In 1929 werd het Instituut voor Anatomie gedeeltelijk omgevormd tot het Intercommunaal Laboratorium voor Scheikunde en Bacteriologie (herinrichtingsplan uit 1929, SAB/OW 59065), dat de rechtervleugel en een deel van het centrale paviljoen ter beschikking kreeg. In 1941 werden de collecties van het door Paul Otlet opgerichte Mundaneum (een planetair documentatie- en communicatiecentrum) die zich in het Jubelpark bevonden voorlopig in de rechtervleugel van het instituut ondergebracht. Ze bleven er tot in 1972. Van 1972 tot 1985 was het rechterdeel van het gebouw buiten gebruik.
In 1985 plande de stad de vestiging van de voorbereidende afdeling van het Jacqmainlyceum in de leegstaande vleugel van het Instituut Warocqué. Hoewel de herinrichtingsplannen van architect Rimanque niet werden uitgevoerd, hebben diverse ingrepen (tussenwanden, verlaagde plafonds, vervanging van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn....) de rechtervleugel van het gebouw geleidelijk gewijzigd, hoofdzakelijk door de bestaande volumes in kleinere lokalen op te delen. Aanvankelijk kregen de leerlingen van het lager onderwijs hier les, maar sinds 2011 is het gebouw bestemd voor de leerlingen van het middelbaar onderwijs en dient het als bijgebouw van het Jacqmainlyceum, dat in het voormalige Instituut voor Fysiologie is gevestigd. Een deel van het centrale paviljoen staat echter nog altijd leeg en bevindt zich in slechte staat.
Beschrijving
Symmetrisch U-vormig gebouw van drie bouwlagen. Het bestaat uit drie delen: een centraal paviljoen geflankeerd door lagere zijvleugels, en twee dwarse hoekpaviljoenen. Deze entiteiten zijn volledig autonoom (toegang, trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., interne circulatiewegen en studielokalen zoals laboratoria, auditoria en kantoren). Aan de zijde van het park heeft het centrale paviljoen drie afgeschuindeSchuine vlakke kant aan een houten of stenen bouwonderdeel. traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), terwijl het aan de zijde van de binnenplaats een vlakke gevel heeft, achter een breed bordes1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. dat oorspronkelijk door een glazen dak werd bekroond.
![Maalbeeklaan 3-13, Voormalig Instituut voor Anatomie en Histologie, plattegrond van eerste bouwlaag, LAMBERT, C., [i]Étude historique …[/i], Ville de Bruxelles – CPH, 2001, p. 7.](/medias/500/buildings/10005072_0003_W02.jpg)
De gevels vertonen een strakke, geritmeerde indeling: een stenen benedenverdieping met bossagesIn oorsprong een gevelbehandeling waarbij ruwgehakte, rechthoekige blokken natuursteen uit de loodlijn steken en de gevel op die manier een fors, rustiek (rustica) karakter verleent; later op gevel vormelijk geïmiteerd door middel van uitspringend al dan niet bepleisterde bakstenen blokken of banden (doorlopende schijnvoegen). behandeld als een hoge onderbouwHoge sokkel, reikend tot ongeveer het midden van de toegang; meestal in hardsteen. voor de hogere bouwlagen in baksteen; de traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) zijn breed, met grote muuropeningen die worden gescheiden door steunberen volgens verkleinende ordonnantie die in een schoorsteenpijpHet boven het metselwerk of dak uitstekende deel van een schoorsteen. uitmonden. Dit strakke uitzicht wordt getemperd door een gestileerde decoratie (schrijnwerk, baksteenwerk, sgraffitiSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). met een voorstelling van de schenkers) die het gebouw een art-nouveaukarakter verleent.
Door hun afmetingen, hun structuur en hun decor zijn de muuropeningen de grote blikvangers van het gebouw: het metalen raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., dat is op de twee verdiepingen opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen., is drieledig en is versierd met hoefijzerboogvormige metalen boogfriezenReeks van kleine (decoratieve) bogen, vaak steunend op kraagstenen.. Elk vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. wordt bekroond door een I-balkIJzeren latei met I-profiel. die is opgedeeld in compartimenten versierd met kruisen. Boven een ligger versierd met rozettenRozet, versiering met concentrische vorm, lijkend op een bloem; in ruime zin roosvenster, groot rondlicht, gevuld met gotisch maaswerk van rozetten, drie-, vier- en veelpassen in concentrische schikking en/of gevuld met glas-in-lood. wordt de borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. een sgraffitoSgraffito (Italiaans, van sgraffiare: krabben), decoratieve muurtechniek waarbij men een donkere pleisterlaag (doorgaans zwart, roetbruin of grijs) met een lichtgekleurde pleisterlaag bedekt; door de bovenste, nog niet verharde, laag weg te nemen volgens een vooraf bepaald grafisch ontwerp ontstaat een verdiepte tekening; de lichtgekleurde pleisterlaag kan bovendien gekleurd worden ‘al fresco’ (op de verse pleister) of ‘al secco’ (op de droge pleister). of een paneel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. van geëmailleerde baksteen.
Een brede kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op houten korbelen1. Diagonale houten balk ter ondersteuning van overkragende elementen zoals een luifel, een kroonlijst,…; 2. Balk om de verbinding tussen trekker en spantbeen in een kapspant te versterken. bekroont de opstandBouwkundige tekening op schaal van een verticaal vlak van een gevel, een binnenmuur,…; in ruime zin het verticaal vlak van een gevel of muur. van het centrale paviljoen (consoles op de zijpaviljoenen), terwijl een vierledig daklicht het bovenste amfitheater verlicht. De lage vleugels monden uit in een stenen band met tandfriesLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief., onder een bakstenen attiekMuur of bouwlaag boven de kroonlijst die meestal het dak aan het gezicht onttrekt. en een stenen dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen..
SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... deels bewaard.
Interieur. Zoals in de twee andere instituten van het Leopoldpark die eind 19e eeuw werden opgetrokken, heeft de constructie een monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. zelfdragende metaalstructuur gemaakt van geprefabriceerde elementen. Betonnen funderingen dragen de stalen gebinten, die onderling door metalen balken worden verbonden. De gevels, de binnenmuren en de vloeren op gewelfblokjes rusten op metalen balken. Ook de trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. hebben een metaalstructuur. De imposante beglaasde muuropeningen vermengen spiegelglas (buitenzijde) en vensterglas (binnenzijde) en vormen dubbele beglaasde wanden, een systeem van dubbele beglazing dat door ingenieur Léon Gérard werd bedacht. De veeleer klassieke monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. benadering vermengt techniciteit met innovatie.
De lokalen waren bestemd voor het praktisch geneeskundeonderricht en omvatten hoofdzakelijk leszalen, auditoria, dissectiezalen, praktijklokalen, kantoren… Een galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. loopt rond sommige auditoria, terwijl mobiele trappen naar verschillende plaatsen van de galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. kunnen worden gerold. Rekening houdend met de hoge kostprijs van het gebouw en de extra kosten gemaakt tijdens de uitvoering van de werken, werd de binneninrichting vrij sober gehouden. In de drieledige voorbouw van het centrale paviljoen bevindt zich het grote auditorium met oplopende bankenrijen; onder het centrale dakraam ligt het anatomisch spectatorium, een klein amfitheater met een centrale dissectietafel (de lijken werden via een goederenliftEen lift die voornamelijk bestemd is voor het vervoer van goederen/voorwerpen. aangevoerd).
De lokalen werden in de loop van de 20e eeuw aangepast aan de nieuwe bestemmingen van het gebouw (wijziging van het binnenschrijnwerk, vervanging van het raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn., aanpassing van de vloeren, plaatsing van tussenwanden…).
Bronnen
Archieven
ASB/OW 59065; ASB/ Dozen 14-7, 10, 14, 20 (A-Beschermd Monument).ASB/Bulletin Communal, 1893, I, pp. 290-294; II, p. 737.
AAM / foto van de maquette van het Instituut voor Anatomie, bewaard bij de familie Warocqué.
Publicaties en studies
BRAUMAN, A., CULOT M., MIEROP C., Institut Warocqué. Parc Léopold. Proposition de reconversion en centre d’éducation physique, AAM, Brussel, 1982.
BRAUMAN, A., DEMANET, M., Le Parc Léopold 1850-1950. Le zoo, la cité scientifique et la ville, AAM, Brussel, 1985.
DESPY-MEYER, A., DEVRIESE, D., Ernest Solvay et son temps, Archief van de ULB, 1997.
LAMBERT, C., Étude historique de l’Institut d’Anatomie et d’Histologie Warocqué (Stad Brussel – Cel Historisch Erfgoed), januari 2001.
LOURYAN S., VANMUYLDER N., “L’Institut d’Anatomie Raoul Warocqué de l’ULB (1893-1928)”, New Yperman, vol. 7, 2006, pp. 3-8.
Tijdschriften
DESPY-MEYER, A., DEVRIESE, D., “Paul Héger, maître d’œuvre des instituts d’enseignement et de recherche en sciences médicales voulus par Ernest Solvay à Bruxelles (1891-1895)”, VAN LUNTHEREN, F.-H., PALM, L.-C., VAN PAEMEL, G. (o.l.v.), “De toga om de wetenschap. Ontwikkelingen in het hoger onderwijs in de geneeskunde, natuurwetenschappen en techniek in België en Nederland (1850-1940)”, Themanummer van Gewina, XVI, 1993, 3, pp. 90-103.
VIRÉ, L., “La Cité scientifique du Parc Léopold à Bruxelles. 1890-1920”, Cahiers Bruxellois. Revue d’histoire urbaine, dl. XIX, 1974, pp. 86-180.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid












