Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Levensverzekeringenmaatschappij 'De Nederlanden - 1870'
Keizerinlaan 60-62-64-66-68-70-72
Stormstraat 17-19-21
T'Serclaesstraat 3
Typologie(ën)
kantoorgebouw
gelijkvloers met handelszaak
gelijkvloers met handelszaak
Ontwerper(s)
Philippe DUMONT – architect – 1956-1958
Georges RICQUIER – architect – 1956-1958
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modern classicisme
Inventaris(sen)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2022
id
Urban : 40179
Beschrijving
Kantoorgebouw met commerciële benedenverdieping in modern-classicistische
stijl naar ontwerp van Philippe Dumont en Georges Ricquier, 1956-1958, gebouwd in
opdracht van de Levensverzekeringenmaatschappij “De Nederlanden – 1870 - Les
Pays-Bas”.
Imposant hoekgebouw van zeven bouwlagen bouwlagen onder plat dak. Vijftien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) langs de Keizerinlaan, brede gebogen hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) langs de Stormstraat. Hoogste verdieping met lange bandvensters geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles..
Hoge centrale hoofdingang aan de Keizerinlaan doorbreekt beneden- en eerste verdieping. Benedenverdieping als sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met glazen winkelruimten, penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. evenals de kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. inkomportiek in donkere graniet. Verdiepingen bekleed met witsteen. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... grotendeels vervangen, enkel in de inkomportiek deels bewaard.
In interieur vestibule met marmer wanden en granieten vloer. Trapkernen bewaard.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Kantoorgebouw dat representatief is voor het modern classicismePeriode: ca. 1930 – 1960. Het modern classicisme is een monumentale architectuurstijl die tracht moderne principes, zoals een functionele organisatie van het grondplan en het gebruik van recente bouwtechnieken, te verzoenen met een aanblik die eerder klassiek geïnspireerd is. Het is een stroming die voortbouwt op de codes van de klassieke architectuur en de architecturale denkwijze weerspiegelt die, in dienst van het Europese nationalisme, tijdens het interbellum opkomt, zowel in autoritaire regimes als in democratische landen. Die tendens wordt gekenmerkt door neoklassieke verwijzingen, die worden geactualiseerd door ze te vereenvoudigen. Dat resulteert in een versterkte monumentaliteit die wordt benadrukt door de accentuering van horizontale lijnen (kroonlijsten, attiekmuren …). Het betreft een uitgepuurde architectuur, waarin weinig gebruik wordt gemaakt van decoratieve beeldhouwkunst. Wanneer dat toch gebeurt verzacht ze het enigszins sobere of strenge karakter van het gebouw. In Brussel neemt het modern classicisme de vorm aan van monumentale gehelen en komt het vooral tot uiting in de openbare architectuur en in kantoorgebouwen tijdens de jaren 1930 en vervolgens in de jaren 1950. Wanneer het modern classicisme wordt toegepast op woningbouw, verliest het zijn monumentale karakter (en wordt het soms zelfs banaal) en uit het zich via diverse elementen zoals repetitieve rondboogvensters (die een arcade vormen), halfzuilen, kroonlijsten, entablementen, driehoekige frontons enz. met reminiscenties aan de pakketbootstijl1930 – 1940. De pakketbootstijl ontwikkelt zich op het einde van het interbellum als een laatmodernistische architectuurstroming die voortbouwt op de art deco en geleidelijk evolueert naar een meer functionele, gestroomlijnde vormentaal. De stijl ontleent haar naam en vormentaal aan de trans-Atlantische oceaanliners, die in dezelfde periode hun technologische en economische hoogtepunt bereiken. Iconische rederijen zoals de Red Star Line in Antwerpen en prestigieuze pakketboten als de Île-de-France en de Normandie belichamen deze moderniteit en vooruitgangsgedachte. De pakketbootstijl wordt gekenmerkt door een uitgesproken nadruk op horizontaliteit en afgeronde volumes. Hoekpartijen worden vaak afgewerkt met gebogen erkers of afgeronde balkons, wat de indruk van aerodynamiek en beweging versterkt. De gevels zijn doorgaans uitgevoerd in baksteen met schaduwvoegen, vaak gecombineerd met bepleisterde gevelvlakken om het lineaire karakter te benadrukken. Typische elementen zijn: brede, doorlopende vensterregisters of bandramen, patrijspoortvensters, sterk overkragende betonbanden en daklijsten, platte daken, soms met dakterras, vlaggenmasten en metalen buisleuningen en afgeronde hoekramen of -balkons. Naast de formele gelijkenissen speelt ook het idee van modern comfort een rol: centrale verwarming, liften, ingebouwde garages en functioneel ingerichte plattegronden maken deel uit van het vooruitstrevende woonideaal dat de stijl uitdraagt. In Brussel vindt de pakketbootstijl vooral ingang in de eerste en tweede kroon, waar tijdens het interbellum intensieve stadsuitbreiding plaatsvindt. De stijl is bijzonder populair in de residentiële architectuur, zowel bij eengezinswoningen als bij grotere appartementsgebouwen, waar hij een modern en kosmopolitisch imago verleent. Ook utilitaire gebouwen worden in deze vormentaal gerealiseerd. Een bekend voorbeeld is het voormalige Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) aan het Eugène Flageyplein in Elsene ontworpen door Joseph Diongre, dat met zijn afgeronde hoeken en horizontale geleding een uitgesproken nautische uitstraling bezit.. Het is een uitgepuurde monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. architectuurstijl geaccentueerd door regelmaat en horizontaliteit en waarvan het sober en streng karakter verzacht wordt door een gestroomlijnde vormentaal, meer bepaald door de brede, doorlopende vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. en het afgeronde hoekvolume. Het gebouw heeft zijn authenticiteit grotendeels behouden: enkel het buitenschrijnwerk is deels vervangen. In het interieur zijn enkel in de inkomhal en in de twee trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. nog oorspronkelijke elementen.
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van gerenommeerde architecten Philippe Dumont (1914-1988) en Georges Ricquier (1902-1963). Beide architecten waren in die periode - in samenwerking met andere architecten - actief bij de heropbouw van de as die het tracé van de ondergrondse noord-zuid treinverbinding volgt: Ricquier bij het Rijksadministratief Centrum, Dumont bij de Ravensteingalerij, het Assurances Générales de Trieste-gebouw, het kantoorgebouw Keizerslaan 1-5A en de vier neobarokkeDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. gevels aan het Albertinaplein.
Esthetische waarde
Het kantoorgebouw heeft een ensemblewaarde met de omliggende monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gebouwen van de Nationale Bank en heeft een contextuele waarde omwille van de bijdrage aan het visuele effect in de omgeving (stedenbouwkundig en architecturale coherentie).
Historische waarde
Het kantoorgebouw is representatief voor en heeft een contextuele waarde binnen een stedelijke ontwikkeling waarbij na het verdwijnen van hele wijken voor de aanleg van de noord-zuid treinverbinding een nieuwe bovengrondse verkeersas (de Pachecolaan, de de Berlaimontlaan, de Keizerinlaan en de Keizerslaan) in de jaren 1950 wordt aangelegd met nieuwe monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gebouwen (zie straatnotitie).
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van de architecten Philippe Dumont en Georges Ricquier die een belangrijke positie innemen in de architectuurgeschiedenis (zie artistieke waarde).
Stedenbouwkundige waarde
Kantoorgebouw met ensemblewaarde omdat het deel uitmaakt van een groep coherente gebouwen in een kenmerkende modern classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl die allemaal op min of meer hetzelfde moment zijn ontworpen (architectonisch ensemble). Kantoorgebouw met contextuele waarde omdat het een hoek en perspectief in het stedelijk landschap aan de Keizerinlaan nadrukkelijk markeert.
Imposant hoekgebouw van zeven bouwlagen bouwlagen onder plat dak. Vijftien traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) langs de Keizerinlaan, brede gebogen hoektraveeTravee op de hoek (meestal 45°) van een gebouw. en vier traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) langs de Stormstraat. Hoogste verdieping met lange bandvensters geritmeerd door pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel., onder entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles..
Hoge centrale hoofdingang aan de Keizerinlaan doorbreekt beneden- en eerste verdieping. Benedenverdieping als sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. met glazen winkelruimten, penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag. evenals de kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. inkomportiek in donkere graniet. Verdiepingen bekleed met witsteen. SchrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... grotendeels vervangen, enkel in de inkomportiek deels bewaard.
In interieur vestibule met marmer wanden en granieten vloer. Trapkernen bewaard.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Kantoorgebouw dat representatief is voor het modern classicismePeriode: ca. 1930 – 1960. Het modern classicisme is een monumentale architectuurstijl die tracht moderne principes, zoals een functionele organisatie van het grondplan en het gebruik van recente bouwtechnieken, te verzoenen met een aanblik die eerder klassiek geïnspireerd is. Het is een stroming die voortbouwt op de codes van de klassieke architectuur en de architecturale denkwijze weerspiegelt die, in dienst van het Europese nationalisme, tijdens het interbellum opkomt, zowel in autoritaire regimes als in democratische landen. Die tendens wordt gekenmerkt door neoklassieke verwijzingen, die worden geactualiseerd door ze te vereenvoudigen. Dat resulteert in een versterkte monumentaliteit die wordt benadrukt door de accentuering van horizontale lijnen (kroonlijsten, attiekmuren …). Het betreft een uitgepuurde architectuur, waarin weinig gebruik wordt gemaakt van decoratieve beeldhouwkunst. Wanneer dat toch gebeurt verzacht ze het enigszins sobere of strenge karakter van het gebouw. In Brussel neemt het modern classicisme de vorm aan van monumentale gehelen en komt het vooral tot uiting in de openbare architectuur en in kantoorgebouwen tijdens de jaren 1930 en vervolgens in de jaren 1950. Wanneer het modern classicisme wordt toegepast op woningbouw, verliest het zijn monumentale karakter (en wordt het soms zelfs banaal) en uit het zich via diverse elementen zoals repetitieve rondboogvensters (die een arcade vormen), halfzuilen, kroonlijsten, entablementen, driehoekige frontons enz. met reminiscenties aan de pakketbootstijl1930 – 1940. De pakketbootstijl ontwikkelt zich op het einde van het interbellum als een laatmodernistische architectuurstroming die voortbouwt op de art deco en geleidelijk evolueert naar een meer functionele, gestroomlijnde vormentaal. De stijl ontleent haar naam en vormentaal aan de trans-Atlantische oceaanliners, die in dezelfde periode hun technologische en economische hoogtepunt bereiken. Iconische rederijen zoals de Red Star Line in Antwerpen en prestigieuze pakketboten als de Île-de-France en de Normandie belichamen deze moderniteit en vooruitgangsgedachte. De pakketbootstijl wordt gekenmerkt door een uitgesproken nadruk op horizontaliteit en afgeronde volumes. Hoekpartijen worden vaak afgewerkt met gebogen erkers of afgeronde balkons, wat de indruk van aerodynamiek en beweging versterkt. De gevels zijn doorgaans uitgevoerd in baksteen met schaduwvoegen, vaak gecombineerd met bepleisterde gevelvlakken om het lineaire karakter te benadrukken. Typische elementen zijn: brede, doorlopende vensterregisters of bandramen, patrijspoortvensters, sterk overkragende betonbanden en daklijsten, platte daken, soms met dakterras, vlaggenmasten en metalen buisleuningen en afgeronde hoekramen of -balkons. Naast de formele gelijkenissen speelt ook het idee van modern comfort een rol: centrale verwarming, liften, ingebouwde garages en functioneel ingerichte plattegronden maken deel uit van het vooruitstrevende woonideaal dat de stijl uitdraagt. In Brussel vindt de pakketbootstijl vooral ingang in de eerste en tweede kroon, waar tijdens het interbellum intensieve stadsuitbreiding plaatsvindt. De stijl is bijzonder populair in de residentiële architectuur, zowel bij eengezinswoningen als bij grotere appartementsgebouwen, waar hij een modern en kosmopolitisch imago verleent. Ook utilitaire gebouwen worden in deze vormentaal gerealiseerd. Een bekend voorbeeld is het voormalige Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) aan het Eugène Flageyplein in Elsene ontworpen door Joseph Diongre, dat met zijn afgeronde hoeken en horizontale geleding een uitgesproken nautische uitstraling bezit.. Het is een uitgepuurde monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. architectuurstijl geaccentueerd door regelmaat en horizontaliteit en waarvan het sober en streng karakter verzacht wordt door een gestroomlijnde vormentaal, meer bepaald door de brede, doorlopende vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters. en het afgeronde hoekvolume. Het gebouw heeft zijn authenticiteit grotendeels behouden: enkel het buitenschrijnwerk is deels vervangen. In het interieur zijn enkel in de inkomhal en in de twee trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. nog oorspronkelijke elementen.
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van gerenommeerde architecten Philippe Dumont (1914-1988) en Georges Ricquier (1902-1963). Beide architecten waren in die periode - in samenwerking met andere architecten - actief bij de heropbouw van de as die het tracé van de ondergrondse noord-zuid treinverbinding volgt: Ricquier bij het Rijksadministratief Centrum, Dumont bij de Ravensteingalerij, het Assurances Générales de Trieste-gebouw, het kantoorgebouw Keizerslaan 1-5A en de vier neobarokkeDe Neobarokstijl in Brussel ontwikkelde zich in de periode tussen circa 1880 en 1914, binnen het bredere kader van het eclecticisme dat de Belgische architectuur in de tweede helft van de 19e eeuw domineerde. Deze stijl herneemt de vormen, composities en expressieve effecten van de 17e eeuwse barok, maar vertaalt ze naar een laat-19e-eeuwse stedelijke en burgerlijke context. In tegenstelling tot het meer rationele neoclassicisme of de streng (archeologische) neostijlen, onderscheidt de neobarok zich door dynamiek, plastische rijkdom en ornamentale overvloed. In Brussel sluit de opkomst van de neobarok nauw aan bij het beleid van verfraaiing en representatie dat onder koning Leopold II werd gevoerd die de bouw stimuleerde van monumentale boulevards, theaters, musea en prestigieuze burgerhuizen waarin deze exuberante vormentaal een passend middel tot stedelijke en nationale zelfverheffing bood. De Brusselse neobarok kenmerkt zich door een uitgesproken theatraliteit in de gevelcompositie, waarin beweging, asymmetrie en plastische articulatie centraal staan. Gebogen en gebroken frontons, rijk geprofileerde kroonlijsten, zware – vaak gekoppelde – kolommen of pilasters met Korinthische of composiete kapitelen, cartouches, guirlandes, festoenen, putti en mascarons bepalen het beeld. Daarnaast wordt natuursteen decoratief gecombineerd met pleisterwerk, en zorgt een sterk sculpturale belijning ervoor dat de gevel als het ware in reliëf naar voren treedt. De stijl fungeert zo als een expressief medium van stedelijke representatie, waarbij ornament en structuur samensmelten tot een scenografisch geheel. In Brussel komt de neobarok voor in uiteenlopende contexten: in openbare gebouwen zoals theaters, banken en ministeries, in luxueuze burgerhuizen en stadspaleizen, in commerciële panden waar gevel en interieur een doorlopend barok idioom delen, en eveneens in kerkelijke architectuur. gevels aan het Albertinaplein.
Esthetische waarde
Het kantoorgebouw heeft een ensemblewaarde met de omliggende monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gebouwen van de Nationale Bank en heeft een contextuele waarde omwille van de bijdrage aan het visuele effect in de omgeving (stedenbouwkundig en architecturale coherentie).
Historische waarde
Het kantoorgebouw is representatief voor en heeft een contextuele waarde binnen een stedelijke ontwikkeling waarbij na het verdwijnen van hele wijken voor de aanleg van de noord-zuid treinverbinding een nieuwe bovengrondse verkeersas (de Pachecolaan, de de Berlaimontlaan, de Keizerinlaan en de Keizerslaan) in de jaren 1950 wordt aangelegd met nieuwe monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. gebouwen (zie straatnotitie).
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van de architecten Philippe Dumont en Georges Ricquier die een belangrijke positie innemen in de architectuurgeschiedenis (zie artistieke waarde).
Stedenbouwkundige waarde
Kantoorgebouw met ensemblewaarde omdat het deel uitmaakt van een groep coherente gebouwen in een kenmerkende modern classicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. stijl die allemaal op min of meer hetzelfde moment zijn ontworpen (architectonisch ensemble). Kantoorgebouw met contextuele waarde omdat het een hoek en perspectief in het stedelijk landschap aan de Keizerinlaan nadrukkelijk markeert.
Bronnen
Archieven
SAB/OW 66351 (1956)
Opmerkelijke bomen in de nabijheid











