Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
beeldhouwwerk en herdenkingsmonument
park
park
Ontwerper(s)
Henri BEYAERT – architect – 1876-1890
Xavier MELLERY – schilder – 1876-1890
Paul HANKAR – architect – 1876-1890
Paul JASPAR – architect – 1876-1890
Louis FUCHS – landschapsarchitect – 1876-1890
Stijlen
Neo-Vlaamse renaissance
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Urban : 39000
Beschrijving
Omheind
plantsoen met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. beeldengroepen, in neo-Vlaamse-renaissancestijl,
ontworpen door architect Henry Beyaert, 1876-1879.
In 1876 werd besloten het standbeeld van de graven Egmont en Hoorn, in 1864 opgesteld op de plaats van hun terechtstelling op de Grote Markt, wegens de aan gang zijnde wederopbouw van het Broodhuis, over te brengen naar de recent verruimde Kleine Zavel. Het ontwerp voor het plantsoen met het geïntegreerde standbeeld, werd door Beyaert tussen 1876 en 1879 uitgewerkt. De werken namen een aanvang in 1879, de keuze van de uitvoerders en de iconografische thema’s van de beelden werd bepaald in 1880, de bronzen werden gegoten in 1882, de marmeren beelden geplaatst in 1889. Het geheel werd ingehuldigd in 1890.
Markant ensemble naar het model van de Parijse square, doch geïnspireerd op renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. tuinontwerpen in de stijl van Hans Vredeman de Vries. Het iconografisch thema verbeeldt een pantheon van de Nederlanden uit de 16e eeuw, ingegeven door het laat 19e eeuwse romantisch nationalistische streven tot verheerlijking van het eigen glorierijke verleden. Collectief werk met integratie van tuinaanleg, architectuur, monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. en ornamentele beeldhouwkunst en toegepaste kunst. Het beeldhouwkundig programma werd omwille van de coherentie in zijn geheel ontworpen door de schilder Xavier Mellery. Tot de uitvoerders behoorden de belangrijkste beeldhouwers van de Belgische School uit die periode. Het ijzersmeedwerk werd uitbesteed aan een achttal gespecialiseerde artisanale smeden; de architecten Pauls Hankar en Paul Jaspar, werkzaam op Beyaerts atelier, worden in dit verband als mede-ontwerpers vermeld. Tuinarchitect Louis Fuchs tekende voor de eigenlijke tuinaanleg.
Naar achter verbredende plattegrond met afgeronde hoeken en licht uitgebogen korte zijden. Omheining van arduin en ijzersmeedwerk, op een trapsgewijs oplopende, geprofileerde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. overeenkomstig de terreinhelling, met twee toegangen op de hoeken aan de westzijde en een centrale toegang aan de oostzijde. Geïnspireerd op de laatgotische Baliën van het voormalige Koudenbergpaleis, uit de 16e eeuw (zie Koningsplein). Geritmeerd door achtenveertig arduinen, geringdeVoorzien van een fijne, horizontale band. ronde kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met bladkapiteel, octogonaal basement en dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen., bekroond door een bronzen beeld. Identiek volume, zwaarder aan de toegangen, doch geïndividualiseerde oppervlaktebewerking en lijndecor. Verbonden door smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… hekken, telkens twee panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. aan weerszij van een arduinen, octogonaal postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. met gesmeed ijzeren topstuk. Panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met identiek vierkantraster, doch geïndividualiseerde invulmotieven; topstukken als variaties op het kruisbloemmotief. Bronzen beelden met voorstelling van de Brusselse Ambachten, samen een geanimeerd ensemble, door de beeldhouwers L. Cambier, Armand Cattier (1830-1892), Guillaume Charlier (1854-1925), Polydore Comein (1848-1907), Jules Courroit (1831-1906), Jean Cuypers (1844-1897), Eugène De Plyn (1827-1898), Albert Desenfans (1845-1938), Louis Devillez (1855-1941), Robert Fabri (1839-1909), Charles Geefs (1829-1911), Albert Hambresin (1850-1938), E. Laborne, Jef Lambeaux (1852-1908), Jean-A. Laumans, Edmond Lefever (1839-1911), J.-B. Martens, E. Namur, Julien Renodeyn, Louis Van Biesbroeck (1839-1919), Auguste Van den Kerckhove (1825-1895), G. Van den Kerckhove, Jean Van den Kerckhove (1815-1885), Antoine-Joseph Van Rasbourgh (1831-1902) en Benoit Wante.
Achteraan het plantsoen, centraal geplaatst monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. bronzen standbeeld van Egmont en Hoorn, door beeldhouwer Charles-Auguste Fraikin (1817-1893) van 1864, op een hoge, arduinen, octogonale sokkel in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl met maaswerk en koolbladfries, voorzien van de gepolychromeerde wapens van de graven, een vergulde tafel met opschrift, en geflankeerd door twee bronzen landsknechten, en een bronzen waterbekken. Hier opgesteld in een dubbel, arduinen, halfcirkelvormig waterbekken, en omringd door een bordestrap met gesmeed ijzeren leuning. In een halve cirkel errond, tien witmarmeren beelden van illustere tijdgenoten uit de wereld van politiek, kunst en wetenschap, geplaatst op een hellend vlak, binnen haagnissen: Willem de Zwijger door Charles Van der Stappen (1843-1910), Lodewijk van Bodegem door Jean Cuypers (1844-1897), Hendrik van Brederode door Antoine-Joseph Van Rasbourgh (1831-1902), Comelis de Vriendt door Jules Romain Pecher (1830-1899), Rombout Dodoens door Alphonse de Tombay (1843-1918), Gérard Mercator door Louis Pierre Van Biesbroeck (1839-1919), Jan van Locquenghem door G. Van den Kerckhove, Barend Van Orley door Julien Dillens (1849-1904), Abraham Ortelius door Jef Lambeaux (1852-1908) en Philips van Mamix van Sint-Aldegonde door Paul De Vigne (1843-1901).
Parterre met geometrisch patroon van het pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. type, opgedeeld door een halve cirkel vooraan en een afgetopte ruitvorm in het midden, met grasperken waarin broderiewerk, bloemenmanden en vormbomen ; aan de buitenrand omringd door een bomenrij, tegen de begroende sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
In 1876 werd besloten het standbeeld van de graven Egmont en Hoorn, in 1864 opgesteld op de plaats van hun terechtstelling op de Grote Markt, wegens de aan gang zijnde wederopbouw van het Broodhuis, over te brengen naar de recent verruimde Kleine Zavel. Het ontwerp voor het plantsoen met het geïntegreerde standbeeld, werd door Beyaert tussen 1876 en 1879 uitgewerkt. De werken namen een aanvang in 1879, de keuze van de uitvoerders en de iconografische thema’s van de beelden werd bepaald in 1880, de bronzen werden gegoten in 1882, de marmeren beelden geplaatst in 1889. Het geheel werd ingehuldigd in 1890.
Markant ensemble naar het model van de Parijse square, doch geïnspireerd op renaissanceDe Neo-Vlaamse renaissancestijl is een regionale variant van de neorenaissance die zich in Brussel ontwikkelde tussen circa 1860 en 1914. Zij grijpt terug op de zestiende-eeuwse bouwtraditie van de Zuidelijke Nederlanden, met name op Vlaamse stadhuizen, gildehuizen en patriciërswoningen uit de tijd van de Habsburgse Nederlanden. In tegenstelling tot de meer Italiaans georiënteerde neorenaissance legt de neo-Vlaamse richting de nadruk op nationale worteling, ambachtelijke expressie en stedelijke identiteit. De stijl ontstond in een context van groeiend nationaal en stedelijk bewustzijn: in de tweede helft van de 19e eeuw trachtten Belgische architecten en beleidsmakers een eigen architecturale vormentaal te definiëren, los van Franse of Engelse modellen. De terugkeer naar de Vlaamse renaissance bood een historisch verankerd maar hedendaags hanteerbaar idioom, dat verwees naar traditie, vakmanschap en burgerlijke trots. De zestiende eeuw gold daarbij als een gouden tijdperk van kunst, handel en stedelijke autonomie — waarden die men binnen de jonge Belgische natie opnieuw wilde oproepen. In Brussel, als hoofdstad van het koninkrijk, kreeg deze stijl een uitgesproken representatieve functie. Zij symboliseerde zowel continuïteit met het historische stadsbeeld als de identiteit van een zelfbewuste burgerij. Architecten combineerden de historiserende vormentaal vaak met moderne bouwtechnieken — zoals gietijzer, staal en nieuwe baksteenformaten — binnen een bredere eclectische stedelijke architectuur. De stijl werd bijzonder populair voor openbare gebouwen, scholen, gemeentehuizen, postgebouwen en burgerhuizen, en kreeg zo ook een educatieve en administratieve dimensie: zij moest burgerlijke orde, stedelijke trots en nationale identiteit zichtbaar maken. In de periode van Leopold II werd zij een wezenlijk onderdeel van het visuele profiel van de hoofdstad. De neo-Vlaamse renaissancestijl is herkenbaar aan een uitgesproken verticale en plastische gevelcompositie, met een levendig spel van materialen, kleuren en ornamenten. Typische kenmerken zijn het gebruik van rode baksteen gecombineerd met witte of blauwe natuursteen (soms in speklagen), trapgevels, kruisvensters en geprofileerde kozijnen, cartouches, medaillons, frontons en wimpelvormige dakkapellen, evenals beeldhouwwerk met figuren, wapenschilden of allegorische motieven. Horizontale cordonbanden en verticale lisenen ritmeren de gevel, soms aangevuld met smeedijzeren balkons of loggia’s in natuursteen of hout. De stijl combineert constructieve rationaliteit met decoratieve exuberantie — een evenwicht dat haar bijzonder geschikt maakte voor stedelijke representatie. tuinontwerpen in de stijl van Hans Vredeman de Vries. Het iconografisch thema verbeeldt een pantheon van de Nederlanden uit de 16e eeuw, ingegeven door het laat 19e eeuwse romantisch nationalistische streven tot verheerlijking van het eigen glorierijke verleden. Collectief werk met integratie van tuinaanleg, architectuur, monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. en ornamentele beeldhouwkunst en toegepaste kunst. Het beeldhouwkundig programma werd omwille van de coherentie in zijn geheel ontworpen door de schilder Xavier Mellery. Tot de uitvoerders behoorden de belangrijkste beeldhouwers van de Belgische School uit die periode. Het ijzersmeedwerk werd uitbesteed aan een achttal gespecialiseerde artisanale smeden; de architecten Pauls Hankar en Paul Jaspar, werkzaam op Beyaerts atelier, worden in dit verband als mede-ontwerpers vermeld. Tuinarchitect Louis Fuchs tekende voor de eigenlijke tuinaanleg.
Naar achter verbredende plattegrond met afgeronde hoeken en licht uitgebogen korte zijden. Omheining van arduin en ijzersmeedwerk, op een trapsgewijs oplopende, geprofileerde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. overeenkomstig de terreinhelling, met twee toegangen op de hoeken aan de westzijde en een centrale toegang aan de oostzijde. Geïnspireerd op de laatgotische Baliën van het voormalige Koudenbergpaleis, uit de 16e eeuw (zie Koningsplein). Geritmeerd door achtenveertig arduinen, geringdeVoorzien van een fijne, horizontale band. ronde kolommenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met bladkapiteel, octogonaal basement en dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen., bekroond door een bronzen beeld. Identiek volume, zwaarder aan de toegangen, doch geïndividualiseerde oppervlaktebewerking en lijndecor. Verbonden door smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… hekken, telkens twee panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. aan weerszij van een arduinen, octogonaal postament1. Rechthoekig voetstuk van een standbeeld; - 2. Balkvormige stenen bekroning; - 3. Stenen zijstukken van een balkonborstwering. met gesmeed ijzeren topstuk. Panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. met identiek vierkantraster, doch geïndividualiseerde invulmotieven; topstukken als variaties op het kruisbloemmotief. Bronzen beelden met voorstelling van de Brusselse Ambachten, samen een geanimeerd ensemble, door de beeldhouwers L. Cambier, Armand Cattier (1830-1892), Guillaume Charlier (1854-1925), Polydore Comein (1848-1907), Jules Courroit (1831-1906), Jean Cuypers (1844-1897), Eugène De Plyn (1827-1898), Albert Desenfans (1845-1938), Louis Devillez (1855-1941), Robert Fabri (1839-1909), Charles Geefs (1829-1911), Albert Hambresin (1850-1938), E. Laborne, Jef Lambeaux (1852-1908), Jean-A. Laumans, Edmond Lefever (1839-1911), J.-B. Martens, E. Namur, Julien Renodeyn, Louis Van Biesbroeck (1839-1919), Auguste Van den Kerckhove (1825-1895), G. Van den Kerckhove, Jean Van den Kerckhove (1815-1885), Antoine-Joseph Van Rasbourgh (1831-1902) en Benoit Wante.
Achteraan het plantsoen, centraal geplaatst monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. bronzen standbeeld van Egmont en Hoorn, door beeldhouwer Charles-Auguste Fraikin (1817-1893) van 1864, op een hoge, arduinen, octogonale sokkel in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl met maaswerk en koolbladfries, voorzien van de gepolychromeerde wapens van de graven, een vergulde tafel met opschrift, en geflankeerd door twee bronzen landsknechten, en een bronzen waterbekken. Hier opgesteld in een dubbel, arduinen, halfcirkelvormig waterbekken, en omringd door een bordestrap met gesmeed ijzeren leuning. In een halve cirkel errond, tien witmarmeren beelden van illustere tijdgenoten uit de wereld van politiek, kunst en wetenschap, geplaatst op een hellend vlak, binnen haagnissen: Willem de Zwijger door Charles Van der Stappen (1843-1910), Lodewijk van Bodegem door Jean Cuypers (1844-1897), Hendrik van Brederode door Antoine-Joseph Van Rasbourgh (1831-1902), Comelis de Vriendt door Jules Romain Pecher (1830-1899), Rombout Dodoens door Alphonse de Tombay (1843-1918), Gérard Mercator door Louis Pierre Van Biesbroeck (1839-1919), Jan van Locquenghem door G. Van den Kerckhove, Barend Van Orley door Julien Dillens (1849-1904), Abraham Ortelius door Jef Lambeaux (1852-1908) en Philips van Mamix van Sint-Aldegonde door Paul De Vigne (1843-1901).
Parterre met geometrisch patroon van het pittoreskePeriode: ca. 1850-1930.De pittoreske architectuur ontstaat in Engeland in de context van de romantische beweging en laat zich vaak inspireren door verschillende historische stijlen die gecombineerd worden.Pittoreske architectuur verwijst naar een manier van ontwerpen waarbij in de eerste plaats naar een gevarieerde, verrassende en evocatieve visuele indruk wordt gestreefd. In plaats van strikte regels van symmetrie of compositie te volgen, geeft de stijl de voorkeur aan vrijheid, vormenspel en verscheidenheid van materialen om zo een levendige, bijna verhalende aanblik te creëren.In België doet de tendens zijn intrede bij het begin van de 20e eeuw - in het verlengde van de art nouveau - onder diverse streektypische invloeden, voornamelijk Anglo?Normandische of alpiene vormtalen. De stijl komt voor in parken, kuststeden, kuuroorden en in de stadsrand van grote steden (vakantievilla’s). Het gebouw en zijn tuin (of soms park) worden opgevat als een samenhangend geheel dat een schilderij vormt, een enscenering die de toeschouwer moet verrassen. De term “cottagestijl” wordt eveneens gebruikt, vooral in landelijke context, om bouwwerken aan te duiden die de nadruk leggen op het gebruik van traditionele materialen en technieken, naar het voorbeeld van de cottages in Engelse dorpen.In het Brussels Gewest komt de pittoreske tendens tot uiting in villa’s die vaak zijn ontworpen naar het voorbeeld van kleine landhuizen, een type dat kenmerkend is voor vele welgestelde buitenwijken en verkavelingen in België. Verder fungeert de stijl ook als inspiratiebron voor burgerhuizen in eclectische of laateclectische stijl, vaak in wijken met een zekere landschappelijke waarde (aan een park, pleintje, rond een vijver of eenvoudigweg een straat met bomenrijen of niet-bebouwde stroken die zijn ingericht als tuintjes).De karakteristieke elementen zijn de asymmetrie en de variatie aan vormen (torentje, dakkapel, erker, topgevel(s), imposante daken met meerdere vlakken en/of schilddaken of wolfdaken enz.), de materiaalvariatie (uiteenlopende kleuren en texturen), een overvloedige decoratie (smeedijzerwerk, schrijnwerk, glasramen, breuksteen, houten borstweringen, (imitatie) vakwerk, kroonlijst met lambrekijn enz.), een sterke relatie met het landschap, de tuin of de straat (onder meer door overgangsruimtes tussen binnen en buiten: uitspringende volumes, luifel, portaal, veranda) én een grote vrijheid in de compositie, zowel wat betreft de gevel als de plattegrond. type, opgedeeld door een halve cirkel vooraan en een afgetopte ruitvorm in het midden, met grasperken waarin broderiewerk, bloemenmanden en vormbomen ; aan de buitenrand omringd door een bomenrij, tegen de begroende sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel..
Bronnen
Archieven
SAB/OW32294 en 69158 (1876-1890); S.K., 102.
AR, Bestuur Schone Kunsten, storting 1957, dossiers 491-494.
Publicaties en studies
LOYER F., Paul Hankar. La Naissance de l’Art Nouveau, Brussel, 1986, p. 56-60.
Travaux d’architecture exécutés en Belgique par Henri Beyaert, II, s.l., s.d., pl. 1-10.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid


























