Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kantoorgebouw
Ontwerper(s)
Jean HENDRICKX-VAN DEN BOSCH – architect – 1948-1950
A. TENGBOM – architect – 1948-1950
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Modernisme
Inventaris(sen)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 36924
Beschrijving
Modernistisch
kantoorgebouw, gebouwd in opdracht van het Zweedse bedrijf Electrolux naar een ontwerp
van de Zweedse architect Anders Tengbom, in samenwerking met de Belgische
architect Jean Hendrickx-Vanden Bosch, 1948-1950.
Gelegen op de hoek van de Bischoffsheimlaan en de Korte Noordstraat, opgetrokken tussen 1948 en 1950. Het ontwerp is van de Zweedse architect Anders Tengbom; de verdere studies en uitvoering gebeurden in samenwerking met de Belgische architect Jean Hendrickx-Vanden Bosch.
Het gebouw was oorspronkelijk bestemd voor de huisvesting van kantoren van verschillende Zweeds-Belgische ondernemingen en diensten van het Zweeds Consulaat. Op de benedenverdieping waren verkoopdiensten en twee toonzalen, aan weerszijden van de centrale toegang aan de Bischoffsheimlaan. De kelderverdiepingen waren ingericht voor algemene diensten en als magazijn of depot.
Gerenoveerd in 1999, waarbij de benedenverdieping en de achtste verdieping beperkt werden uitgebreid. De gevel van de benedenverdieping werd vernieuwd: de oorspronkelijk getraptGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. terugwijkende hoek werd omgevormd tot een volwaardige hoek en de centrale toegang werd naar de rechterzijde verplaatst. Op de achtste verdieping werd aan de oost- en zuidzijde een nieuwe, volledig beglaasde buitenwand aangebracht. De bakstenen achtergevel werd bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en verschillende raamopeningen werden gewijzigd, het buitenschrijnwerk werd volledig vernieuwd.
Ook het interieur werd aangepast. De sanitaire blokken werden verplaatst, de liftkoker verbreed en de technieken vernieuwd. Twee oorspronkelijke trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. bleven behouden.
Beschrijving
Kantoorgebouw van negen bouwlagen, opgetrokken in een structuur van gewapend beton, onder plat dak. Gevels opgebouwd uit in- en uitspringende volumes, bekroond door terrassen en op de hoogste verdiepingen door getraptGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. terugwijkende bouwlagen. Regelmatig geordende vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters..
De gevels van de verdiepingen zijn bekleed met egale Franse kalksteen, vermoedelijk Senonville-steen of Massangis. De oorspronkelijke dubbelbeglaasde kantelramen zijn vervagen door vaste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Vanaf de verdiepingen worden de kantoorvloeren georganiseerd rond een U-vormige plattegrond, met aan de noordzijde, aan de kant van het binnenblok, een vide.
Interieur met nog twee oorspronkelijke trapkernen: een secundaire spiltrapWenteltrap waarvan de treden aan de binnenzijde vastzitten in een verticale as. in granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd. en een centraal gelegen, langs de vide, wenteltrapTrap die rond een centrale, verticale as of opening spiraalvormig omhoog loopt. als hoofdtrap. Deze wenteltrapTrap die rond een centrale, verticale as of opening spiraalvormig omhoog loopt. in Zweedse groene marmer met een tekening op de bordessen1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. en met ijzeren trapleuning en houten handgreep is verlicht met een doorlopende wand van glazen bouwstenen.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Kantoorgebouw dat met zijn rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, betonnen draagstructuur, plat dak en natuurstenen gevelparement representatief is voor het modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. van onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog en zijn authenticiteit gedeeltelijk behouden heeft.
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van architecten Anders Tengbom (1911-2009) en Jean Hendrickx-Vanden Bosch (1890-1961). De Zweed Tengbom was vooral gekend om zijn architectuur van de jaren ’50-‘60 waarin hij experimenteerde met nieuwe materialen en het esthetische vermeed. Hij ontwierp bekende gebouwen in de jaren ’50 tot ’70, waaronder de cursus- en conferentiegebouwen Skogshem (1958) en Wijk (1969) voor de Zweedse Werkgeversvereniging in Lidingö, de Hötorg-kantoortoren nr. 2 (1960) in Stockholm, het SvD-gebouw voor Svenska Dagbladet (1961) in Stockholm, de Zweedse ambassade in Moskou (1961), vele ziekenhuizen, kantoor- en industriële gebouwen zoals het Ingenjörs-kantoorgebouw (1967) en het Trygg-Hansa-gebouwencomplex in (1976), beide in Stockholm.
De Belg Hendrickx-Vanden Bosch was bestuurslid van de SCAB (Société Centrale d'Architecture de Belgique), medestichter en vanaf 1932, directeur van het CIMA (Centre d’Information en Matière Architecturale). In de jaren ‘30 bouwde hij voornamelijk in art-decostijl, van decoratief ambachtelijk tot klassiek sober, dat versoberde na de Tweede Wereldoorlog waar hij vooral monumentaliteit beoogde en dichter aanleunde bij het modern classicismePeriode: ca. 1930 – 1960. Het modern classicisme is een monumentale architectuurstijl die tracht moderne principes, zoals een functionele organisatie van het grondplan en het gebruik van recente bouwtechnieken, te verzoenen met een aanblik die eerder klassiek geïnspireerd is. Het is een stroming die voortbouwt op de codes van de klassieke architectuur en de architecturale denkwijze weerspiegelt die, in dienst van het Europese nationalisme, tijdens het interbellum opkomt, zowel in autoritaire regimes als in democratische landen. Die tendens wordt gekenmerkt door neoklassieke verwijzingen, die worden geactualiseerd door ze te vereenvoudigen. Dat resulteert in een versterkte monumentaliteit die wordt benadrukt door de accentuering van horizontale lijnen (kroonlijsten, attiekmuren …). Het betreft een uitgepuurde architectuur, waarin weinig gebruik wordt gemaakt van decoratieve beeldhouwkunst. Wanneer dat toch gebeurt verzacht ze het enigszins sobere of strenge karakter van het gebouw. In Brussel neemt het modern classicisme de vorm aan van monumentale gehelen en komt het vooral tot uiting in de openbare architectuur en in kantoorgebouwen tijdens de jaren 1930 en vervolgens in de jaren 1950. Wanneer het modern classicisme wordt toegepast op woningbouw, verliest het zijn monumentale karakter (en wordt het soms zelfs banaal) en uit het zich via diverse elementen zoals repetitieve rondboogvensters (die een arcade vormen), halfzuilen, kroonlijsten, entablementen, driehoekige frontons enz..
In het interieur getuigt de hoofdtrap van de aandacht van de Zweedse architect voor de verfijnde en kwaliteitsvolle afwerking.
Esthetische waarde
Het kantoorgebouw met zijn in- en uitspringende volumes in de gevel heeft een contextuele waarde omwille van zijn bijdrage aan het visuele effect in de omgeving.
Historische waarde
Kantoorgebouw dat representatief is en een contextuele waarde heeft binnen het historisch kader van de ontwikkeling van de stad. Gelegen aan een brede laan van de Brusselse binnenring en relatief dicht bij het Belgische machtscentrum. Brussel kent na de Tweede Wereldoorlog een periode waarbij voornamelijk woningen plaats moeten ruimen voor grote kantoorgebouwen, gekend als ‘verbrusseling’ waarvan dit kantoorgebouw een voorbeeld is.
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van de architecten Anders Tengbom en Jean Hendrickx-Vanden Bosch die een belangrijke plaats innemen in de architectuurgeschiedenis.
Stedenbouwkundige waarde
Kantoorgebouw met contextuele waarde omdat het qua stijl en schaal aansluit bij de bestaande stedelijke context. Het ontwerp getuigt van een wil om het gebouw in te passen in het bestaande stadslandschap. Met de verschillende volumes in de gevel werd getracht het contrast met de (toenmalige) naburige bebouwing te beperken. De hoogste verdiepingen zijn terugwijkend om niet te imposant te zijn voor de buurt en om de straat meer lucht en licht te gunnen. Ook de oorspronkelijke trapsgewijs wijkende hoek wou de connectie tussen de Bischoffsheimlaan en de Korte Noordstraat verzachten.
Gelegen op de hoek van de Bischoffsheimlaan en de Korte Noordstraat, opgetrokken tussen 1948 en 1950. Het ontwerp is van de Zweedse architect Anders Tengbom; de verdere studies en uitvoering gebeurden in samenwerking met de Belgische architect Jean Hendrickx-Vanden Bosch.
Het gebouw was oorspronkelijk bestemd voor de huisvesting van kantoren van verschillende Zweeds-Belgische ondernemingen en diensten van het Zweeds Consulaat. Op de benedenverdieping waren verkoopdiensten en twee toonzalen, aan weerszijden van de centrale toegang aan de Bischoffsheimlaan. De kelderverdiepingen waren ingericht voor algemene diensten en als magazijn of depot.
Gerenoveerd in 1999, waarbij de benedenverdieping en de achtste verdieping beperkt werden uitgebreid. De gevel van de benedenverdieping werd vernieuwd: de oorspronkelijk getraptGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. terugwijkende hoek werd omgevormd tot een volwaardige hoek en de centrale toegang werd naar de rechterzijde verplaatst. Op de achtste verdieping werd aan de oost- en zuidzijde een nieuwe, volledig beglaasde buitenwand aangebracht. De bakstenen achtergevel werd bepleisterdMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. en verschillende raamopeningen werden gewijzigd, het buitenschrijnwerk werd volledig vernieuwd.
Ook het interieur werd aangepast. De sanitaire blokken werden verplaatst, de liftkoker verbreed en de technieken vernieuwd. Twee oorspronkelijke trappenhuizenGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. bleven behouden.
Beschrijving
Kantoorgebouw van negen bouwlagen, opgetrokken in een structuur van gewapend beton, onder plat dak. Gevels opgebouwd uit in- en uitspringende volumes, bekroond door terrassen en op de hoogste verdiepingen door getraptGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. terugwijkende bouwlagen. Regelmatig geordende vensterregistersDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters..
De gevels van de verdiepingen zijn bekleed met egale Franse kalksteen, vermoedelijk Senonville-steen of Massangis. De oorspronkelijke dubbelbeglaasde kantelramen zijn vervagen door vaste venstersLicht- en/of luchtopening in een muur..
Vanaf de verdiepingen worden de kantoorvloeren georganiseerd rond een U-vormige plattegrond, met aan de noordzijde, aan de kant van het binnenblok, een vide.
Interieur met nog twee oorspronkelijke trapkernen: een secundaire spiltrapWenteltrap waarvan de treden aan de binnenzijde vastzitten in een verticale as. in granitoBedekking met veelkleurige (marmer)stukjes, gebed in cementmortel, die na verharding glanzend wordt geschuurd. en een centraal gelegen, langs de vide, wenteltrapTrap die rond een centrale, verticale as of opening spiraalvormig omhoog loopt. als hoofdtrap. Deze wenteltrapTrap die rond een centrale, verticale as of opening spiraalvormig omhoog loopt. in Zweedse groene marmer met een tekening op de bordessen1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap. en met ijzeren trapleuning en houten handgreep is verlicht met een doorlopende wand van glazen bouwstenen.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
Kantoorgebouw dat met zijn rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, betonnen draagstructuur, plat dak en natuurstenen gevelparement representatief is voor het modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. van onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog en zijn authenticiteit gedeeltelijk behouden heeft.
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van architecten Anders Tengbom (1911-2009) en Jean Hendrickx-Vanden Bosch (1890-1961). De Zweed Tengbom was vooral gekend om zijn architectuur van de jaren ’50-‘60 waarin hij experimenteerde met nieuwe materialen en het esthetische vermeed. Hij ontwierp bekende gebouwen in de jaren ’50 tot ’70, waaronder de cursus- en conferentiegebouwen Skogshem (1958) en Wijk (1969) voor de Zweedse Werkgeversvereniging in Lidingö, de Hötorg-kantoortoren nr. 2 (1960) in Stockholm, het SvD-gebouw voor Svenska Dagbladet (1961) in Stockholm, de Zweedse ambassade in Moskou (1961), vele ziekenhuizen, kantoor- en industriële gebouwen zoals het Ingenjörs-kantoorgebouw (1967) en het Trygg-Hansa-gebouwencomplex in (1976), beide in Stockholm.
De Belg Hendrickx-Vanden Bosch was bestuurslid van de SCAB (Société Centrale d'Architecture de Belgique), medestichter en vanaf 1932, directeur van het CIMA (Centre d’Information en Matière Architecturale). In de jaren ‘30 bouwde hij voornamelijk in art-decostijl, van decoratief ambachtelijk tot klassiek sober, dat versoberde na de Tweede Wereldoorlog waar hij vooral monumentaliteit beoogde en dichter aanleunde bij het modern classicismePeriode: ca. 1930 – 1960. Het modern classicisme is een monumentale architectuurstijl die tracht moderne principes, zoals een functionele organisatie van het grondplan en het gebruik van recente bouwtechnieken, te verzoenen met een aanblik die eerder klassiek geïnspireerd is. Het is een stroming die voortbouwt op de codes van de klassieke architectuur en de architecturale denkwijze weerspiegelt die, in dienst van het Europese nationalisme, tijdens het interbellum opkomt, zowel in autoritaire regimes als in democratische landen. Die tendens wordt gekenmerkt door neoklassieke verwijzingen, die worden geactualiseerd door ze te vereenvoudigen. Dat resulteert in een versterkte monumentaliteit die wordt benadrukt door de accentuering van horizontale lijnen (kroonlijsten, attiekmuren …). Het betreft een uitgepuurde architectuur, waarin weinig gebruik wordt gemaakt van decoratieve beeldhouwkunst. Wanneer dat toch gebeurt verzacht ze het enigszins sobere of strenge karakter van het gebouw. In Brussel neemt het modern classicisme de vorm aan van monumentale gehelen en komt het vooral tot uiting in de openbare architectuur en in kantoorgebouwen tijdens de jaren 1930 en vervolgens in de jaren 1950. Wanneer het modern classicisme wordt toegepast op woningbouw, verliest het zijn monumentale karakter (en wordt het soms zelfs banaal) en uit het zich via diverse elementen zoals repetitieve rondboogvensters (die een arcade vormen), halfzuilen, kroonlijsten, entablementen, driehoekige frontons enz..
In het interieur getuigt de hoofdtrap van de aandacht van de Zweedse architect voor de verfijnde en kwaliteitsvolle afwerking.
Esthetische waarde
Het kantoorgebouw met zijn in- en uitspringende volumes in de gevel heeft een contextuele waarde omwille van zijn bijdrage aan het visuele effect in de omgeving.
Historische waarde
Kantoorgebouw dat representatief is en een contextuele waarde heeft binnen het historisch kader van de ontwikkeling van de stad. Gelegen aan een brede laan van de Brusselse binnenring en relatief dicht bij het Belgische machtscentrum. Brussel kent na de Tweede Wereldoorlog een periode waarbij voornamelijk woningen plaats moeten ruimen voor grote kantoorgebouwen, gekend als ‘verbrusseling’ waarvan dit kantoorgebouw een voorbeeld is.
Het kantoorgebouw is representatief voor het werk van de architecten Anders Tengbom en Jean Hendrickx-Vanden Bosch die een belangrijke plaats innemen in de architectuurgeschiedenis.
Stedenbouwkundige waarde
Kantoorgebouw met contextuele waarde omdat het qua stijl en schaal aansluit bij de bestaande stedelijke context. Het ontwerp getuigt van een wil om het gebouw in te passen in het bestaande stadslandschap. Met de verschillende volumes in de gevel werd getracht het contrast met de (toenmalige) naburige bebouwing te beperken. De hoogste verdiepingen zijn terugwijkend om niet te imposant te zijn voor de buurt en om de straat meer lucht en licht te gunnen. Ook de oorspronkelijke trapsgewijs wijkende hoek wou de connectie tussen de Bischoffsheimlaan en de Korte Noordstraat verzachten.
Bronnen
Tijdschriften
SAB/OW 59446 (1948), 109973 (1999)
Publicaties en studies
VAN LOO, A. Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden. Mercatorfonds, Antwerpen, 2003, p. 345
Archieven
“Immeuble ‘Bischoffsheim’ à Bruxelles” in: Rythme, 1950, 7, pp. 27-29.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid














