Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
woning
kunstenaarsatelier
kunstenaarsatelier
Ontwerper(s)
J. VERMEERSCH – architect – 1911
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neo-Vlaamse renaissance
Beaux-Artsstijl
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 36212
Beschrijving
Geheel van twee analoge
huizen in neo-Vlaamse renaissancestijl, ontworpen in 1911 door architect J.
Vermeersch, nr. 36 i.o.v. de schilder Emile Vermeersch, met atelier op de
verdieping.
Het plan voorzag in drie huizen, op nr. 32 tot 36, voor drie verschillende eigenaars. Dat op nr. 34 moest een gevel krijgen die werd bekroond door een getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. halsgevelGevel waarvan de geveltop rechthoekig is en geflankeerd wordt door (gebeeldhouwde) vleugel- of klauwstukken.. De eigenares van nr. 32 trok zich echter uit het project terug en de voor haar huis geplande gevel werd op nr. 34 uitgevoerd. Het werd gelauwerd in de gevelwedstrijd die de gemeente voor de jaren 1911-1912 organiseerde.
Gevels in baksteen en witsteen. Opstanden van twee bouwlagen, onder doorlopend mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Op de benedenverdieping, deur en vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder korfboogBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen. en archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog., doorlopend op nr. 36. Tussen de twee in, spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. waarin de naam van de woningen is gegraveerd: “LA / SALAMANDRE” en “LA / SIRÈNE”. Op de verdieping, venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met kruisraam of tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. Kroonlijsten en het meeste schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard.
Op nr. 34, deur onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. met topstuk in de vorm van een vuurpotOrnament in de vorm van een vuurpot.. Op de verdieping, twee aanleunende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Links, glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met balustradeHekwerk van spijlen of balusters., onder een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en een bas-reliëf met een door een plantenkroon omringd blazoen. Rechts, kruisvensterVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld.; getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. vensterbank, moneelStenen vensterstijl. en lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met een of meer panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. versierd met bladeren; borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met bas-reliëf met salamander. Oorspronkelijke klimmende dakkapelDakkapel met overkapping die in dezelfde richting helt als het dakvlak.. Raamwerk met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., dat van de dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. vervangen. Vleugels van het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping en deur oorspronkelijk voorzien van glas-in-loodramen, die van de deur vervangen door een beglaasde smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… vleugel in Beaux-ArtsstijlPeriode: 1905-1930 De Beaux-Artsarchitectuur is een academische en internationale bouwstijl waarvan de belangrijkste uitgangspunten voortkomen uit de zeer invloedrijke École des Beaux-Arts in Parijs, opgericht in de 19e eeuw. In Brussel ontwikkelt de stijl zich vanaf 1905 en sluit hij aan bij het eclecticisme en bij de tendens om terug te grijpen naar de grote Franse Louis-stijlen van de 18e eeuw – classicerend barok (Lodewijk XIV), rococo (Lodewijk XV) en neoclassicisme (Lodewijk XVI) – onder invloed van de wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. De voorkeur voor het Franse academisme ontwikkelt zich in Brussel aanvankelijk via belangrijke realisaties die koning Leopold II toevertrouwt aan architect Charles Girault, die hij in Parijs ontmoet tijdens de wereldtentoonstelling. Voorbeelden zijn de uitbreidingen van het Paleis van Laken, de bouw van het Museum van Tervuren, de arcade van het Jubelpark en de gaanderij-promenade op de dijk van Oostende. Daarna komt deze hernieuwde belangstelling voor de grote Franse stijlen ook tot uiting in talrijke Brusselse woonwijken. De Beaux-Artsstijl komt vooral tot zijn recht in herenhuizen, burgerwoningen, luxueuze appartementsgebouwen, maar ook – en vooral – in prestigieuze semipublieke gebouwen (hotels, banken, bedrijfszetels), waaraan de stijl een respectabele en vertrouwenwekkende uitstraling verleent. Kenmerkend zijn gevels in (imitatie) witsteen en/of rode of oranjekleurige baksteen, versierd met elementen ontleend aan de Franse stijlen van de 18e eeuw, zoals guirlandes, mascarons alsook smeedijzeren borstweringen en deuren. De architectuur onderscheidt zich door een monumentale uitstraling, gerealiseerd door het intensieve gebruik van Franse natuursteen en door het benadrukken van hoek- en inkomtraveeën, die vaak worden uitgewerkt als een rotonde met koepel. Ook de plattegrond evolueert. De traditionele indeling met drie opeenvolgende vertrekken, kenmerkend voor woningen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw, wordt aangepast om meer daglicht binnen te trekken. Dat gebeurt onder meer door het gebruik van daklichten, relatief lage plafonds en een flexibelere circulatie binnen het huis..
Op nr. 36, deur gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan een klein getralied vensterLicht- en/of luchtopening in een muur., onder gemeenschappelijk impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak.. Venster van de benedenverdieping met traliewerk van latere datum. Op de verdieping, drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met laterale tussendorpelsStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. en centraal Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt. op platform met tandlijst en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk, rustend op twee consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. in de vorm van een fantastisch dier, met daartussen een bas-reliëf van een zeemeermin. Aan de zijkanten, twee medaillonsRonde of ovale cartouche. met profielen in antieke stijl, links een man met baard en rechts een vrouw. Oorspronkelijk waren het blindZonder opening; blind venster, schijnopening. onderschild en het bovenschild voorzien van een breed daklicht dat het tot in het dak doorlopende atelier verlichtte. In 1924 liet de schilder in dak een verdieping met kamers inrichten, wat het atelier verlaagde; hij plaatste toen ook de dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap., met raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met ijzeren roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., en verwijderde het daklicht. De bewerkte dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. van de brievenbus en het voetrooster zijn oorspronkelijk. Deur met getraliede ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en handvormige deurklopper. Raamwerk met vleugels met loodstrips en impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd..
Gebouw met twee diepe vertrekken op de benedenverdieping, achteraan verlengd door een minder breed volume, en drie bouwlagen, onder plat dak, met onder meer het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht..
Op de benedenverdieping, hal en salon vooraan, eetkamer achteraan, uitgevend op het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met vierkante plattegrond. Het wordt verlicht door een raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en heeft een houten leuning met geometrisch motief en een ingewerkte bank aan de kant van de eetkamer. Keuken en wasplaats achteraan. Oorspronkelijk werd de verdieping volledig ingenomen door het schildersatelier, met een hoogte van 7,50 meter en met een schoorsteen in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl. In het achtervolume, slaapkamer van de kunstenaar achter een wasruimte en een toilet.
In de hal, op de plafonds van de benedenverdieping en op de muren van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van wandschilderijen door J. Lepaffe, een letterkundige die het huis van vanaf 1926 bewoonde. Een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van gipspanelen met abstracte motieven versiert de hal en de eetkamer.
Het plan voorzag in drie huizen, op nr. 32 tot 36, voor drie verschillende eigenaars. Dat op nr. 34 moest een gevel krijgen die werd bekroond door een getrapteGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt. halsgevelGevel waarvan de geveltop rechthoekig is en geflankeerd wordt door (gebeeldhouwde) vleugel- of klauwstukken.. De eigenares van nr. 32 trok zich echter uit het project terug en de voor haar huis geplande gevel werd op nr. 34 uitgevoerd. Het werd gelauwerd in de gevelwedstrijd die de gemeente voor de jaren 1911-1912 organiseerde.
Gevels in baksteen en witsteen. Opstanden van twee bouwlagen, onder doorlopend mansardedakGebroken kap of Frans dak met met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken.. Op de benedenverdieping, deur en vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. onder korfboogBoog samengesteld uit een aantal ineenvloeiende cirkelbogen die samen nagenoeg een liggende ellips vormen. en archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog., doorlopend op nr. 36. Tussen de twee in, spiegel1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. waarin de naam van de woningen is gegraveerd: “LA / SALAMANDRE” en “LA / SIRÈNE”. Op de verdieping, venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met kruisraam of tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt.. Kroonlijsten en het meeste schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... bewaard.
Op nr. 34, deur onder archivoltGeprofileerde of versierde omlijsting van een boog. met topstuk in de vorm van een vuurpotOrnament in de vorm van een vuurpot.. Op de verdieping, twee aanleunende venstersLicht- en/of luchtopening in een muur.. Links, glasdeurDeur waarvan het grootste deel uit glas bestaat. met balustradeHekwerk van spijlen of balusters., onder een kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). en een bas-reliëf met een door een plantenkroon omringd blazoen. Rechts, kruisvensterVenster, door een moneel en een tussendorpel in vier vlakken verdeeld.; getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. vensterbank, moneelStenen vensterstijl. en lateiBalkvormig element van hout, steen, beton of metaal dat een muuropening overspant en bovenliggend metselwerk steunt. met een of meer panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. en tussendorpelStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. versierd met bladeren; borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met bas-reliëf met salamander. Oorspronkelijke klimmende dakkapelDakkapel met overkapping die in dezelfde richting helt als het dakvlak.. Raamwerk met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., dat van de dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap. vervangen. Vleugels van het vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. op de benedenverdieping en deur oorspronkelijk voorzien van glas-in-loodramen, die van de deur vervangen door een beglaasde smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… vleugel in Beaux-ArtsstijlPeriode: 1905-1930 De Beaux-Artsarchitectuur is een academische en internationale bouwstijl waarvan de belangrijkste uitgangspunten voortkomen uit de zeer invloedrijke École des Beaux-Arts in Parijs, opgericht in de 19e eeuw. In Brussel ontwikkelt de stijl zich vanaf 1905 en sluit hij aan bij het eclecticisme en bij de tendens om terug te grijpen naar de grote Franse Louis-stijlen van de 18e eeuw – classicerend barok (Lodewijk XIV), rococo (Lodewijk XV) en neoclassicisme (Lodewijk XVI) – onder invloed van de wereldtentoonstelling van Parijs in 1900. De voorkeur voor het Franse academisme ontwikkelt zich in Brussel aanvankelijk via belangrijke realisaties die koning Leopold II toevertrouwt aan architect Charles Girault, die hij in Parijs ontmoet tijdens de wereldtentoonstelling. Voorbeelden zijn de uitbreidingen van het Paleis van Laken, de bouw van het Museum van Tervuren, de arcade van het Jubelpark en de gaanderij-promenade op de dijk van Oostende. Daarna komt deze hernieuwde belangstelling voor de grote Franse stijlen ook tot uiting in talrijke Brusselse woonwijken. De Beaux-Artsstijl komt vooral tot zijn recht in herenhuizen, burgerwoningen, luxueuze appartementsgebouwen, maar ook – en vooral – in prestigieuze semipublieke gebouwen (hotels, banken, bedrijfszetels), waaraan de stijl een respectabele en vertrouwenwekkende uitstraling verleent. Kenmerkend zijn gevels in (imitatie) witsteen en/of rode of oranjekleurige baksteen, versierd met elementen ontleend aan de Franse stijlen van de 18e eeuw, zoals guirlandes, mascarons alsook smeedijzeren borstweringen en deuren. De architectuur onderscheidt zich door een monumentale uitstraling, gerealiseerd door het intensieve gebruik van Franse natuursteen en door het benadrukken van hoek- en inkomtraveeën, die vaak worden uitgewerkt als een rotonde met koepel. Ook de plattegrond evolueert. De traditionele indeling met drie opeenvolgende vertrekken, kenmerkend voor woningen uit de 19e en het begin van de 20e eeuw, wordt aangepast om meer daglicht binnen te trekken. Dat gebeurt onder meer door het gebruik van daklichten, relatief lage plafonds en een flexibelere circulatie binnen het huis..
Op nr. 36, deur gekoppeldTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. aan een klein getralied vensterLicht- en/of luchtopening in een muur., onder gemeenschappelijk impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak.. Venster van de benedenverdieping met traliewerk van latere datum. Op de verdieping, drielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met laterale tussendorpelsStenen dorpel die een deur of venster horizontaal in tweeën deelt. en centraal Frans balkonBorstwering tussen de dagkanten van een naar binnen openslaand venster dat tot de vloer doorloopt. op platform met tandlijst en smeedijzerenTaai, ‘kneedbaar’ ijzer dat ambachtelijk wordt ‘gesmeed’ (gehamerd bij hoge temperatuur) tot decoratieve bouwonderdelen als tuinhekken, borstweringen… traliewerk, rustend op twee consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief. in de vorm van een fantastisch dier, met daartussen een bas-reliëf van een zeemeermin. Aan de zijkanten, twee medaillonsRonde of ovale cartouche. met profielen in antieke stijl, links een man met baard en rechts een vrouw. Oorspronkelijk waren het blindZonder opening; blind venster, schijnopening. onderschild en het bovenschild voorzien van een breed daklicht dat het tot in het dak doorlopende atelier verlichtte. In 1924 liet de schilder in dak een verdieping met kamers inrichten, wat het atelier verlaagde; hij plaatste toen ook de dakkapelUit het dakvlak opgaand venster; meestal in hout en vaak onder spitse kap., met raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. met ijzeren roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd., en verwijderde het daklicht. De bewerkte dekplaatNatuurstenen of keramische plaat, op bijvoorbeeld een geveltop, om het onderliggend metselwerk tegen regen te beschermen. van de brievenbus en het voetrooster zijn oorspronkelijk. Deur met getraliede ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en handvormige deurklopper. Raamwerk met vleugels met loodstrips en impostvensterVenster boven een deur en ervan gescheiden door een stenen dorpel, een entablement of een muurvlak. met roedeverdelingDunne houten of metalen staaf in een kozijn waarin glasruiten worden bevestigd..
Gebouw met twee diepe vertrekken op de benedenverdieping, achteraan verlengd door een minder breed volume, en drie bouwlagen, onder plat dak, met onder meer het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht..
Op de benedenverdieping, hal en salon vooraan, eetkamer achteraan, uitgevend op het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht. met vierkante plattegrond. Het wordt verlicht door een raamVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en heeft een houten leuning met geometrisch motief en een ingewerkte bank aan de kant van de eetkamer. Keuken en wasplaats achteraan. Oorspronkelijk werd de verdieping volledig ingenomen door het schildersatelier, met een hoogte van 7,50 meter en met een schoorsteen in neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl. In het achtervolume, slaapkamer van de kunstenaar achter een wasruimte en een toilet.
In de hal, op de plafonds van de benedenverdieping en op de muren van het trappenhuisGedeelte van een gebouw waarin de trappen zijn ondergebracht., friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van wandschilderijen door J. Lepaffe, een letterkundige die het huis van vanaf 1926 bewoonde. Een friesHorizontale band om een muurvlak in te delen of aan de bovenzijde te begrenzen; al dan niet beschilderd of versierd (terracotta, sgrafitto, cementtegels…). van gipspanelen met abstracte motieven versiert de hal en de eetkamer.
Bronnen
Archieven
SAB/IP II 684 (1903-1915).
SAB/OW 34: Laken 1166 (1911); 36: Laken 3463 (1911), 54374 (1924).
Publicaties en studies
VAN SANTVOORT, L., Het 19de-eeuwse kunstenaarsatelier in Brussel (doctoraatsthesis, afdeling Kunstgeschiedenis en Archeologie), VUB, Brussel, 1995-1996, 1911/2.
Tijdschriften
Album de la Maison Moderne, jg. 5, pl. 5-7.
Almanach du Commerce et de l’Industrie, “Siphon (rue du)”, 1926.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid













