Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
L.E.A. DAMESME – 1817-1819
Joseph POELAERT – architect – 1855-1856
A2RC – architectenbureau – 1985-1986
Charles VANDENHOVE – 1985-1986
Stijlen
Inventaris(sen)
- Inventaris van het Hedendaags Erfgoed (Urbat - 1994)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Verfraaiingswerken aan interieur in 1840 door de Franse decorateurs P.F. Gineste en L. Philastre en in 1845 door de Parijse architecten-decorateurs E.D.J. Despléchin en Ch. Séchan; sloop en wederopbouw van de toeschouwersruimte in 1853 door laatst genoemde architect, met amfitheatervormige opstelling van de vier balkons, bouw van monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. toneelloges en stoffering in Second-EmpirestijlPeriode: ca. 1860-1880 De Second Empirestijl is een architectuurstroming die in Frankrijk ontstaat tijdens het bewind van Napoleon III, voordat zij zich verspreidt doorheen Europa en Noord?Amerika. Het gaat om een eclectische stijl die wordt gekenmerkt door een mengeling van historische invloeden – met name de renaissance en de barok – en moderne bouwtechnieken die voortkomen uit de industrialisering. De stijl wordt beïnvloed door keizer Napoleon III, die teruggrijpt naar de pracht en praal van het Eerste Keizerrijk. Toch verschilt de Second Empirestijl van de Empirestijl door de invloed van keizerin Eugénie en haar voorliefde voor stijlen uit het verleden. Zo getuigt de Second Empirestijl van een hang naar luxe en pracht, met een voorkeur voor weelderigheid, polychromie en overvloedige reliëfversieringen, vaak zeer verfijnd uitgewerkt. De stijl komt tot uiting in de haussmanniaanse stadsuitbreiding van Parijs en is eveneens terug te vinden langs de centrale boulevards van Brussel, waarvan de verstedelijking door Haussmann werd geïnspireerd: vaak gaat het om opbrengsthuizen met talrijke balkons..
In 1855 teistering door een hevige brand : enkel de portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. en de buitenmuren bleven overeind. Wedstrijd voor wederopbouw uitgeschreven door de Stad in 1855 : tussen de éénendertig inzendingen goedkeuring van het gewijzigde project van architect Joseph Poelaert. Wederopbouw in 1855- 1856 met behoud van het oorspronkelijke volume, doch incorporatie van de omlopende galerijOverdekte gang, aan één of beide zijden geritmeerd door zuilen, kolommen of pijlers, bogengang genoemd indien geritmeerd door arcaden. in het interieur, vooruitschuiven van de westgevel onder horizontaal aflijnende en omlopende balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Rijke binnenaankleding in Second-EmpirestijlPeriode: ca. 1860-1880 De Second Empirestijl is een architectuurstroming die in Frankrijk ontstaat tijdens het bewind van Napoleon III, voordat zij zich verspreidt doorheen Europa en Noord?Amerika. Het gaat om een eclectische stijl die wordt gekenmerkt door een mengeling van historische invloeden – met name de renaissance en de barok – en moderne bouwtechnieken die voortkomen uit de industrialisering. De stijl wordt beïnvloed door keizer Napoleon III, die teruggrijpt naar de pracht en praal van het Eerste Keizerrijk. Toch verschilt de Second Empirestijl van de Empirestijl door de invloed van keizerin Eugénie en haar voorliefde voor stijlen uit het verleden. Zo getuigt de Second Empirestijl van een hang naar luxe en pracht, met een voorkeur voor weelderigheid, polychromie en overvloedige reliëfversieringen, vaak zeer verfijnd uitgewerkt. De stijl komt tot uiting in de haussmanniaanse stadsuitbreiding van Parijs en is eveneens terug te vinden langs de centrale boulevards van Brussel, waarvan de verstedelijking door Haussmann werd geïnspireerd: vaak gaat het om opbrengsthuizen met talrijke balkons., met onder meer somptueuze plafondschildering door de Parijse schilders F.-J. Nolau en A. A. Rubé; behoud van het vroegere concept van de toeschouwersruimte, doch met aanvulling van twee bovenste amfitheaters; voorts perfectioneren van circulatie- en trappensysteem, toneelhuis en machinerieIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. . Koepelbeschildering gerestaureerd in 1872 door A.A. Rubé en Ph.-M. Chaperon, en in 1887 door laatst genoemde decorateurs vervangen door een nieuw gewelfdecor met herwerkte trompe-l’oeil-architectuur. Gebouw in 1873-1878 naar ontwerp van architect G. Bordiau voorzien van een voor die tijd merkwaardig verwarmings- en verluchtingssysteem en boven de lagere omlopende partijen verhoogd met één bouwlaag (1876).

In de loop van de eerste helft van de 20e eeuw diverse onuitgevoerde projecten voor uitbreiding onder meer door architecten G. Bordiau (1902), ir. A. Morglia (1909), architect LH. De Koninck (1942).
Wegens ontoereikendheid van de beveiliging en de toneeltechnische installaties, grootse moderniserings- en renovatiewerken uitgevoerd in 1985-1986, naar ontwerp van de architectengroepen A.2.R.C. (B. d’Helft, P. Neirinck, M. Verliefden en M. Libois) en URBAT (J. Aron, F. De Becker en P. Puttemans) : voornamelijk verhoging van het centrale bouwdeel door middel van een vier meter hoge betonnen constructie voor het hoger optrekken van de toneeltoren; voorts inrichting van nieuwe foyer aan Muntzijde, repetitielokaal en kantoorruimten boven de schouwburgzaal. Verder ook vernieuwing van de machinerieIn een ruimte onderaan of bovenaan de installatie, een samenstel van aandrijf- en besturingsapparatuur van de lift. met electromechanische bediening en van de orkestbak met uitrusting van een hydraulisch systeem; verbetering van de akoestiek, herinrichting van het Koninklijk Salon, en gedeeltelijke vernieuwing van het decor in de grote inkomhal en de schouwburgzaal, nieuwe koepelgewelfschildering met grosso modo behoud van vroegere compositie (1887) door kunstschilder X. Crolls met medewerking van het «Collectif d’Art Public».
Gebouw op rechthoekige plattegrond, met wit bepleisterdeMuur of plafond bedekt met een laag mortel op basis van een mengsel van kalk, gips of cement en zand, met of zonder andere fijne toeslagmaterialen. gevels, uitgebouwde toegangsportiek en hoger opgetrokken rechthoekige middenpartij. NeoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. (1817-1819) onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken., toegankelijk via 5 treden hoge steektrap, met hellende bevloering voor doorgang van rijtuigen. Acht Ionische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. met ronde geprofileerde sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en twee dito pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) afgelijnd door een geleed entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. met vergulde opschriften «THEATRE ROYAL DE LA MONNAIE/KONINKLIJKE MUNTSCHOUWBURG». Bekronend driehoekig frontonDriehoekige of segmentvormige bekroning van een gevel of muuropening. met getandeLijst met kleine repetitieve kubusvormige elementen (tanden); guttae hebben de vorm van een afgeknotte kegel en bevinden zich eerder onder aan een console of triglief. omlijsting en bas-reliëf, uitgevoerd in 1851-1854 door E. Simonis, voorstellend «De Harmonie der Menselijke Driften».
![Munt. Koninklijke Muntschouwburg, archievenplan (foto [s.d.]).](/medias/500/buildings/10004071/10004071_0001_M21.jpg)
Hoofdgevel van twee bouwlagen (1855-1856), met grosso modo zelfde ordonnantie als voorheen (1817-1819), beneden met rondboogarcade onder booglijst, op verbonden imposten; rechthoekige omlijste deurvensters met balustradeHekwerk van spijlen of balusters. op de bovenverdiepingen. Aan weerszijden van de portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. : hoekpaviljoenen onder balustradeHekwerk van spijlen of balusters. (1855-1856) verfraaid met festoenenGehouwen of gesneden slinger van bloemen, bladen of vruchten. Als festoen, vaak met linten en opgehangen aan strikken met neerhangende uiteinden. en panelen1. Dunne (houten) plaat, gevat in een omlijsting van stijlen en regels van deuren, lambriseringen en plafonds; - 2. Gevelversiering in de vorm van een in- (spiegel) of uitspringende (paneel) rechthoekige omlijsting. waarin vergulde jaartallen mdcccxix (1819) ten noorden, mdccclvi (1856) ten zuiden; in zijgeveltraveeën rondboogdeur met booglijst onderbroken door blazoen met wapens van Brussel, geflankeerd door kariatidenOndersteuning in de vorm van een vrouwenfiguur, hetzij met onderlichaam, hetzij met taps toelopende pijler of pilaster (herme). namelijk Thalia en Melpomene door E. Mélot aan Prinsenstraat, Polymniaen Euterpe door V. Poelaert aan Koninginnestraat; loofmotieven in de zwikkenHoekstuk tussen een boog en de omlijsting waarin de boog gevat is., onder gekorniste druiplijst en onversierd casement. NeoclassicistischeVan 1775 tot jaren 1840. Het neoclassicisme – voor interieur ook Lodewijk XVI-stijl genoemd, naar Lodewijk XVI – ontstaat in Frankrijk in de tweede helft van de 18e eeuw en verspreidt zich snel over Europa. In Brussel bestrijkt de stijl hoofdzakelijk de periode 1775 tot de jaren 1840, al blijft zij tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog opduiken. In het Vlaamse landsgedeelte wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het 18e-eeuwse classicisme (ontstaan tijdens het Ancien Régime) en het neoclassicisme van de vroege 19e eeuw, dat hier geleidelijk uit voortvloeit. Na de Franse Revolutie en tijdens de Franse en Nederlandse periode evolueert de samenleving naar een burgerlijke maatschappij, wat zich vertaalt in een aangepaste architectuur en een nieuw cliënteel. Typologisch evolueert de bebouwing van 18e-eeuwse huizen met twee à drie bouwlagen (waarbij de derde vaak een mezzanine is) naar 19e-eeuwse gevels met drie à vier volwaardige niveaus. Naast grootschalige stadsuitbreidingen worden bestaande woningen regelmatig verbouwd tot classicistische herenhuizen met een nieuwe, symmetrische lijstgevel. Deze gevels beantwoorden aan de proportieregels van de antieke bouwkunst en functioneren soms als schermgevel, los van de achterliggende structuur. Het neoclassicisme vindt zijn theoretische basis in een hernieuwde belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, gestimuleerd door de opgravingen in Pompeï en Herculaneum en door de culturele praktijk van de Grand Tour. Onder invloed van de Verlichting streeft men naar harmonie, eenvoud, rationaliteit en een sobere ornamentiek, als reactie op barok en rococo. De stijl is meer dan een vormentaal: zij gaat gepaard met een rationele herinrichting van de stad (embellissement), waarbij esthetische, hygiënische en praktische aspecten samenkomen. Rechte straten, perspectieven en uniforme gevelwanden bepalen het stadsbeeld. In Brussel leidt dit tot een doorgedreven uniformisering van bepleisterde en beschilderde gevels. Vanaf 1812 worden enkel lichte tinten toegestaan; vanaf 1818 verplicht de stad de zogenaamde pierre-de-france-kleur, wat bijdraagt tot het beeld van de 19e-eeuwse “witte” stad. Kenmerkend is de bepleisterde en beschilderde lijstgevel, vaak wit of licht gekleurd, soms gecombineerd met hard- of witsteen. De compositie is strikt symmetrisch opgebouwd. Muuropeningen zijn meestal rechthoekig, soms steekboogvormig; rondbogen komen voor als accent, bijvoorbeeld in een toegangstravee. De gevel wordt horizontaal geleed door cordonlijsten en bekroond met een vooruitspringende kroonlijst, vaak voorzien van modillons en/of tandlijst. Samen met fries en architraaf vormt dit het klassiek geïnspireerde hoofdgestel. Decoratieve elementen – indien aanwezig – verwijzen naar de antieke vormentaal: pilasters, kolommen, frontons, trigliefen, medaillons, guirlandes of urnen. Toch zijn vele gevels, vooral in het begin van de 19e eeuw, opvallend sober. In prestigieuzere woningen verschijnt een balkon, aanvankelijk met smeedijzeren borstwering en vanaf het midden van de 19e eeuw steeds vaker in gietijzer. In Brussel wordt het neoclassicisme toegepast in zowel grootschalige stedenbouwkundige projecten als in particuliere woningbouw, publieke gebouwen en religieuze architectuur, en draagt het in sterke mate bij tot de coherentie en homogeniteit van het straatbeeld. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn het Martelarenplein (het vroegere Sint-Michielsplein, 1774–1776), de Koningswijk (1774–1782), de Nieuwe Graanmarkt (1787), de omgeving van De Munt (1817–1822), het Barricadenplein (het vroegere Oranjeplein, 1825) en het Groot Godshuis met de omliggende wijk (1827), evenals de heraanleg van de omgeving van de vroegere stadspoorten. Naast gewone woningen en herenhuizen leent de stijl zich uitstekend voor monumentale en representatieve gebouwen, zoals publieke en religieuze instellingen, kastelen, paleizen en academies. In Brussel worden bovendien talrijke oudere dwarshuizen aangepast aan de nieuwe smaak: hun puntgevel wordt vervangen door een sobere, symmetrische lijstgevel. Ook in de omliggende dorpskernen blijkt het neoclassicisme bijzonder geschikt voor de oprichting of vernieuwing van bescheiden woningen, dankzij zijn heldere opbouw en ingetogen vormentaal. zij- en achtergevels (1817-1819) van respectievelijk zeventien en elf traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) en twee bouwlagen onder gelede architraafHoofdbalk; het onderste, dragende deel van een klassiek hoofdgestel, meestal geleed door banden., entablementHoofdgestel of onderdeel ervan (vb. kroonlijst) als bekroning van muuropening; entablement vaak op consoles. geopend voor mezzaninoHalve verdieping, gelegen net onder de kroonlijst. en onderbroken kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). met klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop.; arcadestructuur beneden (oorspronkelijke wandelgalerij) met booglijst op verbonden imposten; rechthoekige omlijste bovenvensters. Bijkomende verdieping in eclectischePeriode: ca. 1840-1914. Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850 ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl, ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen, fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van Brussel (de Brusselse voorsteden). In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te weerspiegelen. In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer, keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel, erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken, zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken. De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis: een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap, vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas). De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt: een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of bow-windows. Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel. De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk, uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk, soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz. Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). stijl (1876) onder thans gebogen lessenaarsdakenDak bestaande uit één hellend dakvlak. met oeil-de-boeufs (1982, URBAT) : afwijkende ordonnantie door de aaneenschakeling van twee- en drielichtenGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. met deelzuilZuiltje dat een vensteropening verdeelt ter ondersteuning van een latei of de onderverdelende bogen. tussen pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel.; centraal en op de hoeken in risalietRisaliet (Italiaans, van risalto: uitstekend deel), vooruitspringend volume van een gevel dat over de hele hoogte doorloopt en soms hoger is; naar gelang de positie worden er midden-, zij- en hoekrisalieten onderscheiden., onder balustradeHekwerk van spijlen of balusters.. Verhoogde middenconstructie (1985-1986) afgelijnd door brede band van blauw geëmailleerd plaatstaal, onder koperen schilddakDak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle zijde en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.. DrielichtGroep van drie smalle vensters binnen dezelfde omlijsting, onderling gescheiden door deelzuiltjes of stijlen/monelen; centraal venster soms hoger dan beide andere. onder booglijst in voorgevel, verdiept dubbel bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. met recht en gebogen balkon in achtergevel; smalle rechthoekige lichten in zijgevels.
![Munt. Koninklijke Muntschouwburg, archievenplan (foto [s.d.]).](/medias/500/buildings/10004071/10004071_0001_M14.jpg)
Somptueuze binneninrichting, deels gerenoveerd.
Markante lichtgrijs en wit geschilderde ingangshal geritmeerd door deels gegroefde halfzuilenZuil die met het muurwerk verbonden is, maar slechts over de halve dikte uitspringt. met vierkante sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. en eierlijstkapiteel, eindigend op bewerkte consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief., onder plafond met versierd lijstwerk en abstracte schildering door de Amerikaanse kunstenaar Sam Francis. Drie ingangs- en drie vestiairedeuren onder balustradeHekwerk van spijlen of balusters. en steekbogig bovenlichtBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden.; bevloering met zwarte tegels en witte marmer volgens geometrisch patroon door een eveneens Amerikaanse kunstenaar, Sol Le Witt. Dubbele eretrap leidend naar foyer, met muurwanden verlevendigd door nissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. met beeldhouwwerk. In het verlengde enkele trap onder koepeloverwelving, met muurschilderingen door E. Fabry (1909-1930). Ellipsvormige schouwburgzaal van 1855- 1856, met capaciteit van 1140 zitplaatsen : rijke - in 1985-1986 deels vernieuwde - stoffering in Second-EmpirestijlPeriode: ca. 1860-1880 De Second Empirestijl is een architectuurstroming die in Frankrijk ontstaat tijdens het bewind van Napoleon III, voordat zij zich verspreidt doorheen Europa en Noord?Amerika. Het gaat om een eclectische stijl die wordt gekenmerkt door een mengeling van historische invloeden – met name de renaissance en de barok – en moderne bouwtechnieken die voortkomen uit de industrialisering. De stijl wordt beïnvloed door keizer Napoleon III, die teruggrijpt naar de pracht en praal van het Eerste Keizerrijk. Toch verschilt de Second Empirestijl van de Empirestijl door de invloed van keizerin Eugénie en haar voorliefde voor stijlen uit het verleden. Zo getuigt de Second Empirestijl van een hang naar luxe en pracht, met een voorkeur voor weelderigheid, polychromie en overvloedige reliëfversieringen, vaak zeer verfijnd uitgewerkt. De stijl komt tot uiting in de haussmanniaanse stadsuitbreiding van Parijs en is eveneens terug te vinden langs de centrale boulevards van Brussel, waarvan de verstedelijking door Haussmann werd geïnspireerd: vaak gaat het om opbrengsthuizen met talrijke balkons., uitgevoerd door de Parijse kunstenaars F.-J. Nolau en A.A. Rubé. Parterre met loges en amfitheatervormige opstelling van vier balkons, ondersteund door acht paarsgewijze opgestelde Corinthische zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., onder gebroken frontonFronton waarvan het middendeel is doorbroken. geschraagd door atlantenOndersteuning in de vorm van een mannenfiguur; wanneer het onderlichaam vervangen is door een naar onderen taps toelopende pijler of pilaster spreekt men over een herme.. MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. toneelloges onder frontonbekroning geflankeerd door genieën met kroonluchters. Verder opvallend decor in vergulde, karmijnrode en purpere tinten; borstweringen1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. van balkons versierd met onder meer putti, liermotieven, medaillonsRonde of ovale cartouche. en volutenSpiraalvormig ornament; meestal gebruikt als aanzetstuk van topgevels, bij deur- en vensteromlijstingen of als steunbeer.. Allegorische plafondschildering voorstellend «België als beschermster van de Kunsten», met uitbeelding van genieën, kariatidenOndersteuning in de vorm van een vrouwenfiguur, hetzij met onderlichaam, hetzij met taps toelopende pijler of pilaster (herme)., portieken1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. en trompe-l’oeils als architecturale voortzetting van het zaalinterieur : «kopie» van 1985-1986 onder leiding van X. Crolls naar origineel door A.A. Rubé en Ph. Chaperon van 1887.
Koninklijk Salon, als receptieruimte in 1985-1986 heringericht naar ontwerp van architect Ch. Vandenhove in samenwerking met de beeldende kunstenaars D. Buren en G. Paolini. Rechthoekige ruimte met witmarmeren deuren met spiegelglasramen, geïsoleerde dito pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) met koperen afwerking, sculpturen door G. Paolini en wit- en roodmarmeren vloer met streepmotief door D. Buren.
Markante aankleding van het foyer in Second-EmpirestijlPeriode: ca. 1860-1880 De Second Empirestijl is een architectuurstroming die in Frankrijk ontstaat tijdens het bewind van Napoleon III, voordat zij zich verspreidt doorheen Europa en Noord?Amerika. Het gaat om een eclectische stijl die wordt gekenmerkt door een mengeling van historische invloeden – met name de renaissance en de barok – en moderne bouwtechnieken die voortkomen uit de industrialisering. De stijl wordt beïnvloed door keizer Napoleon III, die teruggrijpt naar de pracht en praal van het Eerste Keizerrijk. Toch verschilt de Second Empirestijl van de Empirestijl door de invloed van keizerin Eugénie en haar voorliefde voor stijlen uit het verleden. Zo getuigt de Second Empirestijl van een hang naar luxe en pracht, met een voorkeur voor weelderigheid, polychromie en overvloedige reliëfversieringen, vaak zeer verfijnd uitgewerkt. De stijl komt tot uiting in de haussmanniaanse stadsuitbreiding van Parijs en is eveneens terug te vinden langs de centrale boulevards van Brussel, waarvan de verstedelijking door Haussmann werd geïnspireerd: vaak gaat het om opbrengsthuizen met talrijke balkons. van 1856, met spiegeldecor tussen kariatidenOndersteuning in de vorm van een vrouwenfiguur, hetzij met onderlichaam, hetzij met taps toelopende pijler of pilaster (herme)., pilasterritmering en fraaie plafonduitvoering.
Voorts behouden «Italiaanse» scène (1856), vernieuwde technische uitrusting met onder meer vier ondergrondse hefinstallaties en ophangsysteem voor decors aan toneelzolder.
Bronnen
Archieven
SAB/OW30093 (1851-1854), 33457-33480 (1855-1856), 33482-33483 (1873-1878), 13621 (1876); S.K., 272 en 347; P.P., 546 (1-6), 549 (1- 8), 551 (1-5), 555 (1-22), 566 (1-4); N.P.P., 27.
Publicaties en studies
CABRIS E.M.J., Bijdrage tot de bouwgeschiedenis van de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel (1696-1821), licentiaatsverhandeling V.U.B., 1988.
Dienst Dramaturgie, Nationale Opera, Brussel, 1985-1986.
GOETGHEBUER P.J., Choix des monumens, édifices et maisons les plus remarquables du royaume des Pays-Bas, Gent, 1827, p. 30-32, pl. XLV- XLV1.
ISNARDON J., Le Théâtre de la Monnaie depuis sa fondation jusqu’à nos jours, Brussel, 1890.
Un théâtre d’opéra, 1986.
Tijdschriften
BRAEKEN, J., L. MONDELAERS, L., "De Koninklijke Muntschouwburg in data", M & L, 1986, 5, pp. 48-63.
CABRIS, E.M.J., "De zaalkoepel van de Koninklijke Muntschouwburg en kunsthistorische beschouwing", M & L, 1989, 8/1, pp. 36-54.
Journal Belge de l’Architecture, 4, 1851, pp. 188-189, pl. XXIII-XXIV; 6, 1854, pp. 10-15, pl. I-II; 7, 1855, pp. 19-20, 46-49.
L’Émulation, 1878, 4, col. 72, pl. 6-8.
STRAUVEN, F., "De vernieuwing van de koninklijk salon in de gerestaureerde Muntschouwburg", M&L, 1986, 5, pp. 41-47.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid












