Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
gelijkvloers met handelszaak
opbrengsthuis
opbrengsthuis
Ontwerper(s)
J. RAMAEKERS – architect – 1889
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Eclectisme
Neogotiek
Neorenaissance
Neoclassicisme
Art nouveau
Inventaris(sen)
- Urgentie-inventaris van het bouwkundig erfgoed van de Brusselse agglomeratie (Sint-Lukasarchief 1979)
- Permanente actualisatie van de inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (DPC-DCE)
- Bouwen door de eeuwen heen in Brussel. Stad Brussel (1989-1993)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
2016
id
Urban : 33416
Beschrijving
Nr.
49, 51. Rij- en hoekhuis, gelijktijdig in 1889 ontworpen door architect J.
Ramaekers ; baksteenarchitectuur verlevendigd met natuursteen.
Nr. 49. NeogotischeDe
Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige
neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de
geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na
1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes
en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een
religieuze, ideologische als nationale dimensie.
De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme
en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden
uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de
stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de
overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware
christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa.
Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl
naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen,
kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen.
De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de
oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en
materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek;
spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen,
soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen
en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met
religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en
het expressieve karakter van de constructie.
Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in
neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste
Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden.
De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch
geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als
restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis,
Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl
(vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven
worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster
en de Sint-Magdalenakerk, Jette).
De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische
revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad
mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de
religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair,
smeedwerk). voorgevel met drie bouwlagen + entresol en twee traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
Toepassing van de Brugse travee(Neo-) Vlaamse renaissance gevelordonnantie, bestaande uit nisvormige traveeën., uitlopend in trapgevelsGevel met een driehoekige bekroning die trapsgewijs versmalt.: telkens opeenvolging
van breed getoogdBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. opgedeeld entresolvenster, fraaie houten erkerRechthoekig of veelhoekig uitbouwsel, als het ware op de gevel geplakt en daardoor deel uitmakend van de achterliggende ruimte; vaak over één of meer verdiepingen gestapeld. met
glas-in-lood ramenVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. en colonnetten- en panelendecor onder leien lessenaarsdakje,
en rechthoekige bovenlichtenBovenste gedeelte van een raam- of deurkozijn, gescheiden door een dwarsregel; soms voorzien van glas-in-lood en/of roeden. in spitsboognissen. Sierankers(Smeedijzeren) bouwonderdeel waarmee de uiteinden van een balk in een muur worden bevestigd; soms ook louter decoratief.. Begane grond in
oorsprong met dubbele winkelpui, heden aangepast.
Achtergevel aan Parlementsstraat met gelijkaardig opgevatte brede linker traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); uiterst smalle rechter traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uitlopend in gekanteelde torenvormige beëindiging. Sterk uitkragende houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op uitgelengde consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. LuifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. ter hoogte van de begane grond fungerend als bel-etageterras met hekwerk tussen eveneens gekanteelde muurtjes.
Achtergevel aan Parlementsstraat met gelijkaardig opgevatte brede linker traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); uiterst smalle rechter traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) uitlopend in gekanteelde torenvormige beëindiging. Sterk uitkragende houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op uitgelengde consolesVoornamelijk voluut- of S-vormig kraagstuk, soms ook louter decoratief.. LuifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak. ter hoogte van de begane grond fungerend als bel-etageterras met hekwerk tussen eveneens gekanteelde muurtjes.
Nr. 51. Vijf bouwlagen hoog eclectischPeriode: ca. 1840-1914.
Het eclecticisme is een architectuurstroming die stijlen afkomstig uit
verschillende tijdperken en plaatsen combineert. Architecten vermengen
historische referenties om nieuwe composities te creëren. Die tendens ontwikkelt
zich in Brussel kort na de onafhankelijkheid van België in het kader van de
grootschalige verstedelijkingsprogramma’s. Tijdens de jaren 1840 en 1850
ontstaat immers de behoefte aan een nationale architectuur, terwijl de stad tot
dan toe vooral het neoclassicisme had benadrukt met symmetrische, ordelijke en
rationele stedenbouwkundige gehelen. Terwijl sommige architecten kiezen voor
eenheid van stijl, zoals de neogotische of neo-Vlaamse renaissancestijl,
ontwikkelt zich ook een tendens om vormtalen uit het verleden te mengen en
daarbij lokale materialen en nieuwe technieken (onder meer voortgekomen uit de
industriële revolutie) in te zetten. Dat eclecticisme maakt het mogelijk om
flexibeler in te spelen op een veelheid aan typologieën en stedelijke
voorzieningen. De stad breidt immers volop uit: het eclecticisme past zich
zowel toe op kerken als op grootwarenhuizen, hotels, stations, scholen,
fabrieken, maar eveneens op de woonarchitectuur. Dat verklaart waarom het
eclecticisme de dominante architecturale tendens is in de eerste kroon van
Brussel (de Brusselse voorsteden).
In de openbare architectuur is die menging niet willekeurig: elke stijl wordt
gekozen om een idee over te brengen. Zo kan het neogotische verwijzen naar de
middeleeuwse geschiedenis van de stad of naar de spiritualiteit van een
religieus (katholiek) gebouw; het neoclassicisme suggereert orde en autoriteit
voor een gerechtsgebouw of een administratief gebouw; de renaissance
symboliseert burgerschap of cultureel prestige. Architectuur wordt op die
manier een visuele taal, ontworpen om de waarden van een instelling te
weerspiegelen.
In de woonarchitectuur is het eclecticisme een kenmerk van de bourgeoisie en
herkenbaar aan een gevarieerde en dynamische gevel, waarin architecten spelen
met vormen, materialen en kleuren. Baksteen, natuursteen, smeed- of gietijzer,
keramiek of sgraffiti worden gecombineerd om een rijk en gepersonaliseerd decor
te creëren. Elk detail – balkon, kroonlijst, gebeeldhouwd linteel, dakkapel,
erker, voordeur – wordt aangegrepen om de smaak van de eigenaar uit te drukken,
zijn status in de verf te zetten of zijn culturele aspiraties te benadrukken.
De stijl situeert zich in een periode waarin Brussel moderniteit waardeert en
tegelijk zijn geschiedenis viert. Het eclecticisme vormt dan ook een compromis:
een hedendaagse architectuur geïnspireerd door het verleden, aangepast aan het
burgerlijke, stedelijke en moderne leven. Achter de gevel worden de interieurs
ingericht met oog voor comfort: een praktischer indeling, een decoratieve trap,
vertrekken gericht op specifieke functies (salon, rookvertrek, eetkamer) en
soms technische innovaties (beter verwarmingssysteem, water, gas).
De periode van het eclecticisme zet het basismodel van de burgerwoning op punt:
een gevel met een symmetrische compositie (drie gelijke traveeën op drie
bouwlagen) of een asymmetrische compositie (twee traveeën – één smalle en één
brede – op drie bouwlagen); een plattegrond met een gang die naar de trap leidt
in de toegangstravee en twee of drie opeenvolgende vertrekken, overeenkomend
met de breedte van de andere travee(ën). De gevel krijgt ook een
driedimensionale uitwerking door de toevoeging van balkons, erkers of
bow-windows.
Tijdens de tweede helft van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw is de
stedenbouwkundige ontwikkeling zodanig groot dat het niet ongewoon is dat hele
straatdelen in enkele jaren tijd uit de grond worden gestampt. Dat resulteert
in bijzonder homogene en samenhangende stedenbouwkundige gehelen: de enfilade
of gevelrij. Die samenhang is soms het werk van één architect in het kader van
een kleinschalig vastgoedproject. Meestal worden de woningen echter gebouwd
door verschillende architecten, voor verschillende eigenaars: ze verschillen
dan onderling, maar vormen toch homogene gevelrijen van gebouwen in dezelfde
stijl, met dezelfde materialen en/of hetzelfde bouwprofiel.
De representatieve elementen van de residentiële bouwkunde in eclecticistische
stijl zijn: het bouwprofiel (asymmetrische of symmetrische compositie), de
polychromie van de materialen (hardsteen, natuursteen, bakstenen in
uiteenlopende kleuren, pleisterwerk), het gebruik van smeed- en/of gietijzerwerk,
uitspringende elementen (balkons, erkers, bow-windows), dakkapellen en
stedenbouwkundige enfilades. Die gevels worden vaak benadrukt door
elementen met diverse inspiratiebronnen: neoclassicistisch (pleisterwerk,
soberheid), neogotisch (spitsboogvensters of drielobbige vensters, kruisvensters
in steen), neo-Vlaamse renaissancestijl (dakkapel, trapgevel, muurankers), art
nouveau (sgraffiti, keramiektegels, zweepslagmotieven, glasramen met florale
motieven), pittoresk (schilddak of wolfdak, torentje, houten of pseudo-houten
elementen: borstweringen, vakwerk, zichtbare spanten), enz.
Het is algemeen aanvaard dat de periode van het eclecticisme eindigt met de
Eerste Wereldoorlog, al blijft het basismodel van het burgerhuis ook nadien nog
lang bestaan. Gemeenten en wijken die later, tijdens het interbellum, werden
verstedelijkt op basis van stedenbouwkundige plannen die in de 19e eeuw waren
uitgetekend, bouwen voort op het model van het eclecticisme en vormen
gevelrijen met een gelijkaardig bouwprofiel. Die woningen worden als
laateclectisch bestempeld. Zij nemen alle kenmerken van de eclecticistische
woonarchitectuur over, maar worden doorgaans geaccentueerd met elementen
geïnspireerd door de Beaux-Arts, art deco, art nouveau, pittoreske of
regionalistische architectuur (zie laat eclecticisme). hoekgebouw met in voorgevel drie
ongelijke traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...), gescheiden door ingediepte penantenParement tussen twee muuropeningen (vensters of deuren) in dezelfde bouwlaag.. GetoogdeBoog die minder dan een halve cirkel beschrijft; boog in de vorm van een cirkelsegment. Bij vensters spreekt men dan van een getoogd venster of steekboogvenster. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. aan
dagkantenBinnenkant (tussen muurvlak en kozijn) van de stijlen van een muuropeningen; soms geprofileerd of afgeschuind. verrijkt met hoekblokkenAfwisselende opeenvolging van lange en korte zijden van natuurstenen hoekblokken of neggen (geprofileerd) in een bakstenen gevel. en diamantkoppenPiramidaal ornament (3 of 4 zijden), onder andere gebruikt in banden en friezen. en voorzien van ijzeren
balkonhekken en leuningen. Eenvoudige houten kroonlijstStelselmatig uitkragende geprofileerde lijst boven een muur of een ander belangrijk bouwdeel (entablement). op klossenKraagstuk van een kroonlijst met verfijnd uitgesneden en/of gefreesd hangend element of drop. en
tandlijst.
Geknikte zijgevel aan Parlementsstraat: gelijkaardige uitwerking in twee blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. rechtse traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); neoromaansDe Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode (11e–12e eeuw). Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het eclecticisme. De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities. De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie, wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen met een morele of educatieve functie. De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit. De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen. Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. uitzicht door de spaarvelden met rondboogfriezen en middenlisenen; aansluitend eenvoudige, smalle inspringende linker traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
Houten winkelpuien in art nouveaustijl waarvoor licht afwijkend ontwerp van architecten J. Dosveld en Ch. Petein van 1909: fraai uitgevoerd houtwerk en achterglasschilderingDecoratieve (reclame)schildering op de achterzijde van glas; meestal met gebruik van bladgoud., aan de IJzerenkruisstraat met middendeur tussen twee brede afgeronde uitstalramen.
Geknikte zijgevel aan Parlementsstraat: gelijkaardige uitwerking in twee blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. rechtse traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...); neoromaansDe Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode (11e–12e eeuw). Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het eclecticisme. De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities. De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie, wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen met een morele of educatieve functie. De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit. De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen. Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. uitzicht door de spaarvelden met rondboogfriezen en middenlisenen; aansluitend eenvoudige, smalle inspringende linker traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...).
Houten winkelpuien in art nouveaustijl waarvoor licht afwijkend ontwerp van architecten J. Dosveld en Ch. Petein van 1909: fraai uitgevoerd houtwerk en achterglasschilderingDecoratieve (reclame)schildering op de achterzijde van glas; meestal met gebruik van bladgoud., aan de IJzerenkruisstraat met middendeur tussen twee brede afgeronde uitstalramen.
Bronnen
Archieven
SAB/OW9940 (1889), 4240 (1909).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid




























