Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
Ontwerper(s)
René AERTS – architect – 1958
Paul RAMON – architect – 1958
Pierre MAJERUS – glazenier – 1976
HERPAIN – aannemer, bouwpromotor / vastgoedontwikkelaar – 1962-1967
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Inventaris(sen)
- Actualisatie van de Urgentie-Inventaris (Sint-Lukasarchief - 1993-1994)
- Actualisatie van het inventarisatieproject van het Bouwkundig Erfgoed (DMS-DML - 1995-1998)
- Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed 1939-1999 (ULB)
- Het monumentale erfgoed van België. Sint-Pieters-Woluwe (DMS-DML - 2002-2009, 2014)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
- Sociaal Moeilijk te onderscheiden van de volkskundige waarde en over het algemeen onvoldoende om een selectie op zichzelf te rechtvaardigen. - herinneringsplaats van een gemeenschap of van van een sociale groep (bijvoorbeeld de bedevaartskapel op het Kerkplein in Sint-Agatha-Berchem, “de Oude Linde” in Boendael te Elsene); - een plaats met volkssymboliek (bijvoorbeeld het café het “Goudblommeke in papier” in de Cellebroersstraat); - een plaats waar een wijk samenkomt of gestructureerd is (bijvoorbeeld De gebouwen “Fer à Cheval”- in de Floréal tuinwijk); - een goed dat deel uitmaakt van of bestaat uit openbare voorzieningen (scholen, crèches, gemeenschaps- of parochiezalen, sporthallen, stadions, enz.); - goed of ensemble (al dan niet sociale huisvesting) ontworpen om sociale interactie, wederzijdse hulp en buurtcohesie te stimuleren (bijvoorbeeld de woonwijken die na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd in Ganshoren of de wijken die speciaal voor ouderen werden ontworpen); - goed dat deel uitmaakt van een industrieel complex dat een aanzienlijke activiteit heeft gegenereerd in de gemeente waar het zich bevindt of in het Gewest.
- Technisch Onder de technische waarde van een onroerend goed kan men het vroege gebruik van een bepaald materiaal of een bepaalde techniek verstaan (ingenieur), ook gebouwen met een constructief of technologisch belang, een technisch hoogstandje of een technologische innovatie kunnen in aanmerking komen. Het kan eveneens industrieel-archeologisch waardevol worden begrepen zoals getuigenissen van verouderde bouwmethodes. Vanzelfsprekend dringt een koppeling zich aan m.b.t. een wetenschappelijke waarde.
- Stedenbouwkundig Sommige bouwkundige goederen of landschappen hebben in het verleden een prominente rol gespeeld in de planmatige inrichting van de bebouwde ruimte en de stedelijke ruimte. Meestal bepalen zij andere stedenbouwkundige (plan)vormen zodat er zich een wisselwerking voortdoet tussen bebouwde en niet-bebouwde (of open) ruimte. Die inrichting omvat ook de samenhang tussen verschillende schaalniveaus. Een onroerend goed heeft stedenbouwkundige waarde wanneer het daarin een rol speelt, bijvoorbeeld : - hoekgebouwen; - coherente pleinen of homogene huizenrijen (gevels die een ensemble vormen van dezelfde stijl, periode en volume); - tuinwijken, - deskundig ingeplante torens (hoogbouw) en hun relatie tot hun onmiddellijke kwaliteitsvolle omgeving die coherent kan zijn, maar ook contrastrijk, - relicten van stedenbouwkundige concepten en hoe die architecturaal (en typologisch) zijn of werden ingevuld, zoals bijvoorbeeld de nog bewaarde eclectische stadspaleizen en/of herenhuizen in de Leopoldswijk.
Onderzoek en redactie
id
Beschrijving
Geschiedenis
De Onze-Lieve-Vrouw- of Visitatiekapel wordt vanaf 1326 vermeld. Het gehucht ontwikkelde zich waarschijnlijk vanaf die datum rond de kapel. Oorspronkelijk klein oratorium in gotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). stijl, waar de Heilige Maagd werd aangeroepen tegen breuken. Het kleine gebouw ontwikkelde zich tot dorpskerk. In 1778 gerestaureerd en vergroot door toevoeging van nieuwe beuk en voorgevel met fijne torenspits. Delen van de oorspronkelijke kapel – het koor, sacristie, beuk met kruisbogen – gerestaureerd (GASPW/OW 8016), tijdens ambtsperiode van pastoor Blockmans in 1884 (JANSEGERS, J., 1963, p. 28) of 1886 (FALKENBACK, P., 1992, p. 62).
De kerk had twee marmeren zijaltaren uit XVII, aangekocht in 1785 op de verkoop van de goederen van de kerk van de Rijkeklaren in Brussel. Deze altaren werden in 1963 verkocht aan Sint-Annakerk van Oudergem (Eigen schoon en de Brabander, 9-12, 1970, pp. 343-360).
Onze-Lieve-vrouw van Stokkel werd in 1808 bij de parochie van Sint-Pieters-Woluwe gevoegd, die voortaan haar goederen beheerde. Na verscheidene verzoeken door notabelen van Stokkel, werd gelijknamige kapelanij volgens K.B. van 05.06.1863 een onafhankelijke parochie. In 1868 bouw van pastorij in nabijheid van kerk (Henri Vandermaelenstraat nr. 25).

Kerk was omgeven door kerkhof, in 1866 vergroot. Buiten gebruik gesteld volgens KB van 17.09.1928.
Na WO II kende Stokkel grote demografische uitbreiding. Er werd beslist dat de kerk niet meer voldeed gezien de sterke bevolkingsgroei. In 1958 werd beslist om de oude kerk te vervangen door grote moderne kerk. In die tijd telde de parochie 6.500 zielen en in de kerk was slechts plaats voor 360 personen.
Kerkhofterrein werd ca. 1958 door de gemeente gratis aan de kerkfabriek ter beschikking gesteld als bouwterrein voor nieuwe kerk (GASPW/OW 8016, 8018). De stoffelijke resten werden na juni 1961 naar nieuw kerkhof overgebracht.
De eerste plannen van Aerts en Ramon dragen de datum 1958. Hierop is een piramidedak met vier hellingen voorzien, een losstaande toren, een doopkapel en een buitengalerij. Deze elementen werden echter nooit uitgevoerd.

De eerste steen werd gelegd in september 1962. Van september tot oktober 1962 werden graafwerken uitgevoerd en betonnen funderingen gelegd. Tot in mei 1963 hoofdzakelijk werken op benedenverdieping. In augustus 1963 hebben muren op verdieping definitieve hoogte bereikt en werd een deel van het dak voltooid.
In september 1963 kampte de werf met ernstige problemen. Door een berekeningsfout van de ingenieur voldeed het ontwerp van de ruwbouw niet: de funderingen volstonden niet om het gewicht van de kerk, en vooral van het zware piramidale dak in gewapend beton, te dragen. De dakwerken werden daarop stilgelegd en tot in december werd vrijwel alleen aan de kleine sacristie, die aan de buitenkant van gebouw ligt, gewerkt. Vervolgens werd de werf volledig stilgelegd.
In samenwerking met een nieuwe ingenieur herwerkten de architecten het oorspronkelijke plan. Om te besparen werd afgezien van de bouw van de toren, de doopkapel en de buitengalerij. De dakconstructie werd gewijzigd. Op 14 september 1964 dienden de architecten een nieuw ontwerp in voor een piramidaal dak in aluminium. Op 27 januari 1965 volgde dan het ontwerp voor het huidige dak in balken van gewapend beton. Al deze wijzigingen werden op 4 april 1965 goedgekeurd.
Tussen augustus 1964 en augustus 1965 werden ingrijpende werken aan de funderingen uitgevoerd: ze werden versterkt, de zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. van het volume werden verlengd en een deel van de betonnen gevelpanelen werd gesloopt. De nieuwe bekroning van de kerk werd eind 1965 voltooid.
De oude kerk die naast de nieuwe was blijven staan om het uitoefenen van de eredienst te verzekeren, werd van april tot juni 1966 gesloopt en maakte zo plaats voor het huidige voorplein, dat in de tweede helft van het jaar werd aangelegd. In dezelfde periode en begin 1967 werd de kerk afgewerkt. Het meubilair werd pas in 1967 geplaatst en de kerk werd op 22 april van datzelfde jaar ingewijd.
De gekleurde glas-in-loodramen n.o.v. meester glazenier Pierre Majerus in de weekkapel en de lichtkoepels boven het altaar, zijn uitgevoerd op basis van bestek van 02.02.1976 (GASPW/OW 8022, 8023).

Beschrijving
Inplanting. De kerk ligt op een oneffen terrein met beperkte oppervlakte, die verstandig gebruikt wordt in organisatie van gebouw. Groot volume op sokkelvormige benedenverdieping toegankelijk via Henri Vandermaelenstraat. Het grote volume vormt de eigenlijke kerk en staat in overstek in de Henri Vandermaelenstraat. In Kerkstraat groot voorplein met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trappartij van bijna 25 meter breed. Deze leidt naar een brede portiek1. Open galerij of zuilengang waarvan het dak op zuilen of arcades rust; - 2. Classicistische ruimte vóór een toegangsdeur die terugspringt of niet gelijk is met de voorgevel; - 3. Samenstel van twee zuilen onder architraaf die overgang tussen twee ruimtes accentueert. en overbrugt het niveauverschil van vier meter tussen kerk en straat.
![Onze-Lieve-Vrouwkerk, doorsnede ([i]La Technique des Travaux[/i], 7-8, 1968, p. 206).](/medias/500/buildings/11500087_A001_W11.jpg)
Materialen. Deze zijn typisch voor modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980. van die tijd. Hun decoratieve eigenschappen worden geëxploiteerd door ze onbekleed te laten. Skelet, gordijngevelsNiet dragende gevel, meestal bestaande uit een opeenstapeling van vensterregisters. en vloeren in gewapend beton van wit Portlandcement, soms geslepen, soms ruw gelaten. Hele gevelvlakken voorzien van metalen schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... (op benedenverdieping geschilderd staal, aluminium in kerk) met grote thermopanevensters. Naast moderne materialen ook stenen elementen. Aan buitenkant breukstenenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen. van toentertijd modieuze gekleurde zandsteen; hardstenen plavuizen.
Hoofdvolume. De kerk kan 800 gelovigen ontvangen. Grote eenvoud van grondplan reflecteert vernieuwde liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Volledige kerk ondergebracht in één grote vierkante ruimte met 33 meter zijde. Erg discrete onderverdeling van ruimten: koor op eenvoudig witmarmeren verhoog. Daartegenover inkomsas/oksaal bestaande uit eenvoudige betonnen plaat met lichte borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust.. Buitenmuren bestaande uit niet-dragende betonpanelen of uit venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onderverdeeld door dragende stalen profielen. De oordeelkundige spreiding van de glaspartijen zorgt voor overvloedig natuurlijk licht. De venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. in het eerste kwart van de zijgevels grenzend aan de koormuren, zorgen voor laterale lichtinval op het altaar. De gevel in de Kerkstraat, tegenover het koor is volledig in glas en laat overvloedig licht binnenstromen. De omtrek van de grote vierkante ruimte van de kerk wordt geritmeerd door twintig betonnen zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., die een soort kooromgang of deambulatorium vormen. Het plafond heeft twee verschillende hoogten. Boven het deambulatorium is het vlak en in geslepen beton. In het centrale gedeelte van het gebouw is het plafond hoger (9 m) en rust het op een rastervormig patroon van hoge balken in ruw beton. De verticale wanden die boven de zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. het hoogteverschil van het plafond overbruggen, zijn beglaasd en zorgen voor een diffuus zenitaal licht.

Bekroning. De bekroning bestaat uit een volledig open structuur van betonnen balken. Deze balken vormen de ribben van twee trapvormig gestapelde rechthoekige rechthoeken. Deze structuur vervult de rol van traditionelePeriode: 17e-18e eeuw In Brussel verwijst traditionele architectuur naar een specifieke bouwwijze tijdens de periode die de 17e eeuw en de eerste helft van het 18e eeuw omvat. Het betreft een bouwtechniek waarbij bakstenen metselwerk, gemetseld met kalkmortel, wordt gecombineerd met natuursteen (onderbouw of plint, kruisvensters, kroonlijst, enz.) op een draagstructuur die bestaat uit een assemblage van zichtbare hoofdbalken en houten vloerbalken, die de muurvlakken onderling verbinden door middel van smeedijzeren ankers, zichtbaar in de gevel (rechte ankers of lelieankers). De vloeren zijn opgebouwd uit vrij brede planken, en de vertrekken worden soms ontsloten door een houten wenteltrap met centrale kern. De ruimte onder het dakgebinte beschikt over een verhoogde dakvoet en genummerde spanten. Onder het gebouw bevindt zich een stenen kelder, gemetseld met kalkmortel en overdekt door een groot, licht afgeplat tongewelf, dat haaks op de straat is georiënteerd. Die techniek wordt gebruikt voor de bouw van woonhuizen en komt voornamelijk voor in het historische centrum van Brussel. Gezien de woondichtheid en de smalle percelen is het meest voorkomende woningtype het diephuis. Een diephuis heeft een rechthoekig grondplan en bestaat uit drie opeenvolgende delen: een voorhuis, een binnenkoer en een achterbouw (het achterhuis). Beide volumes worden verbonden door een zijvleugel. Dwarshuizen, met een zadeldak evenwijdig met de straat, komen eerder voor buiten de gebieden met hoge dichtheid of langs invalswegen. De gevel blijft trouw aan de middeleeuwse puntgevel, waarvan het prototype in Brussel in de 15e eeuw opduikt. Bij dat type gevel versmallen de bovenzijden trapsgewijs of lopen ze, zij het minder frequent, via doorlopende hellingen uit in een punt. In de loop van de 17e eeuw wordt de topgevel verrijkt met decoratie die aan lokale varianten van de renaissance- en barokstijlen ontleend zijn (gebogen lijnen, voluten, rechte of omgekeerde consoles). Het fronton wordt pas courant toegepast vanaf de jaren 1730–1740. toren en is bekroond met een kruis en voorzien van klokken die omstreeks 1966 werden gegoten door Fr. Sergeys. Het dak van hoofdvolume zelf is plat.
Voorplein. Zorgt voor de nodige uitloopruimte vanaf de straat naar de kerk. Telt dertig treden onderbroken door bordessen1. Verhoogd platform vóór de ingang van een gebouw, bereikbaar via een aantal treden; - 2. Vloertje, boven aan of midden in een trap.. MonumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trap aan weerszijden afgebakend met grote plantenbakken in breuksteenMetselwerk bestaande uit brokken onregelmatige natuursteen..
![Onze-Lieve-Vrouwkerk, detail van de hoofdgevel ([i]La Technique des Travaux[/i], 7-8, 1968, p. 204).](/medias/500/buildings/11500087_A001_W05.jpg)
Benedenverdieping. Fungeert als sokkelHoge plint van een gevel; fungeert als voetstuk in ordonnantie van de gevel. voor kerk. Onderverdeeld in verschillende lokalen. Hoofdruimte daarvan is weekkapel met rechtstreekse ingang via Henri Vandermaelenstraat. Grote rechthoekige zaal van 25 meter lang bij tien meter breed, met een capaciteit voor 150 personen. Haar inrichting getuigt eveneens van streven naar eenvoud. Het koor is een eenvoudig podium. NissenUitsparing in de dikte van een muur, kan rechthoekig zijn of onder een boog, achtervlak kan vlak, segmentvormig, halfrond of gebogen zijn; diepe nis voor standbeeld. in rechtermuur voor biechtstoelen. Plafond gestructureerd met dunne betonnen balken. Andere lokalen op benedenverdieping: kleine votiefkapel, kapel van de congregatie met aanpalende liturgische bibliotheek, stookruimte, sanitaire voorzieningen en opslagkelder.
![Onze-Lieve-Vrouwkerk, overdekte doorgang in de Henri Vandermaelenstraat ([i]La Technique des Travaux[/i], 7-8, 1968, p. 204).](/medias/500/buildings/11500087_A001_W07.jpg)
Sacristie. Klein onafhankelijk rechthoekig gebouw van twee bouwlagen, via open doorgang verbonden met kerk. Op benedenverdieping twee zalen voor vergaderingen en catechisatie; op verdieping de eigenlijke sacristie. Laatst genoemde heeft bijzondere structuur die aan omhulsel van luciferdoosje doet denken: plafond, vloer en korte muren bestaan uit plavuizen van geslepen beton. Plafond steunend op in interieur geplaatste metalen Grey-balken, zodat de lange zijmuren konden voorzien worden van niet dragende gordijngevelsNiet dragende gevel, meestal bestaande uit een opeenstapeling van vensterregisters. met bovenaan vensterregisterDoorlopende horizontale aaneenschakeling van vensters..
![Onze-Lieve-Vrouwkerk, doorsnede van sacristie ([i]La Technique des Travaux[/i], 7-8, 1968, p. 206).](/medias/500/buildings/11500087_A001_W15.jpg)
Meubilair. Bijzonder sober, getuigend van hetzelfde streven naar uitgepuurde vormen. Huidige inrichting ontsiert helaas oorspronkelijk opzet van de architectuur: in het midden van het schip staat een podium met altaar, omringd door cirkelvormig opgestelde stoelen. Niettemin is oorspronkelijk aluminium meubilair bewaard: opmerkelijk altaar met omegavormige voet; kandelaars; wijwatervat; rechthoekig tabernakel met bijpassende ambo; drie door architecten ontworpen koorstoelen. Sobere, eveneens in 1958 door de architecten ontworpen biechtstoelen zijn nog altijd in gebruik. Andere in 1958 voorziene meubelstukken – communiebank, hoofdaltaar – lijken nooit te zijn uitgevoerd, waarschijnlijk door de evolutie van de liturgie ten gevolge van de beslissingen van het Tweede Vaticaans Concilie, dat ten tijde van de bouw werd georganiseerd. Een monolithisch altaar in wit gebouchardeerdBewerking van natuursteen waardoor een oppervlak ontstaat met regelmatig verspreide puntjes. beton is thans verdwenen.

Er zijn nog enkele meubelstukken van vorige kerk bewaard en geïnventariseerd door het KIK. (COEKELBERGHS, D., et al., 1980, pp. 17-18). Het mooiste stuk is een gepolychromeerde houten Moeder met Kind uit XIV.
Motivering erfgoedwaarden
Artistieke waarde
De Onze-Lieve-Vrouwkerk van Stokkel neemt een bijzondere plaats in binnen het oeuvre van de befaamde Belgische naoorlogse architecten René Aerts en Paul Ramon. Het gebouw vormt een representatief voorbeeld van hun architecturale visie en getuigt van een doordachte integratie van kunst en architectuur.
Zo bezit de kerk originele decoratieve elementen van bijzonder hoge kwaliteit: de glas-in-loodramen van meester-glazenier Pierre Majerus zijn niet louter decoratief, maar essentieel voor de beleving van de ruimte: de rijke kleurvlakken filteren het binnenvallend licht en creëren een uitgesproken mystieke sfeer.
Met haar sobere en strakke lijnen, het zichtbare gewapend betonskelet en het metalen schrijnwerkVerzameling van al het (niet-constructief) houten materiaal zoals deuren, vensterkozijnen, erkeronderdelen, kroonlijst, …; bij uitbreiding ook materiaal in aluminium, PVC, ... heeft de kerk haar authenticiteit en integriteit bewaard en is ze representatief voor het naoorlogs modernismeHet modernisme duidt elke architectuur aan die getuigt van een streven naar innovatie door middel van een uitgepuurde vormentaal. De zuiverste vorm, die vaak wordt aangeduid als de internationale stijl, wordt gekenmerkt door een rationele plattegrond, eenvoudige geometrische vormen, een draagstructuur (vaak in beton) met een plat dak, lichte wanden en het gebruik van moderne materialen (industriële materialen zoals gewapend beton, staal, glas). Hoewel maar weinig gebouwen de zuiverheid van de internationale stijl bereiken, drukken vele modernistische bouwwerken toch een duidelijk verlangen tot rationalisering uit. Kenmerkend zijn regelmatige bakstenen bekleding, sobere volumes en sterk gereduceerde decoratie. Het modernisme zal wereldwijd diverse architectuurstromingen beïnvloeden. Modernisme van het interbellum Periode: ca. 1920 – 1940 In Brussel is het modernisme van het interbellum soms moeilijk te onderscheiden van de art deco (zie “pakketbootstijl”), vooral in de beginfase van de stroming: hoewel met nieuwe bouwkundige vormen wordt geëxperimenteerd, blijft er nog een duidelijke gehechtheid aan het ornamentale gebruik van traditionele materialen. De rode draad van het modernisme bestaat uit de soberheid van de vormen, het gebruik van vensterregisters of liggende rechthoekige vensters en de afwezigheid van decoratie. De geaccentueerde horizontale voegen (of schaduwvoegen), de platte daken en de vensters die op het gevelvlak aansluiten zijn evenzeer kenmerkend voor de stijl. Naoorlogs modernisme Periode: ca. 1940 – 1960 Het naoorlogse modernisme (jaren 1940-1960) is herkenbaar aan verschillende karakteristieke elementen: een gevelindeling met een sobere esthetiek (eenvoudige lijnen, geen ornamenten), grote gevelopeningen die door het glas het natuurlijke licht en het gevoel van openheid versterken alsook de keuze en toepassing van materialen, zoals zichtbare baksteen, breuksteen en metaal. Deze architectuur verwerkt in sommige gevallen subtiele details, zoals reliëfspel in het metselwerk, omlijstingen van gevelopeningen in natuursteen en/of uitgevoerd in uitspringend metselwerk, kordons in natuursteen die de verdiepingen benadrukken en soms een decoratief bas-reliëf. Gevelopeningen worden zeer vaak als vensterregisters (vensterstroken) uitgevoerd, soms met metalen vensterleuning (met een sober en functioneel ontwerp, zonder overbodige details, gericht op het gebruiksgemak). Voor eengezinswoningen wordt vaak gekozen voor de bel?etagetypologie, aangezien in die periode de auto toegankelijker wordt. Ludiek modernisme, ook wel Expo 58-stijl genoemd Periode: ca. 1950 – 1965 Het ludiek modernisme of de expostijl (soms ook Robbedoesstijl, naar de stripreeks waarin dergelijke woningen in die periode figureerden), dankt zijn naam aan de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. Het is een kortstondige tendens binnen het modernisme die zich ontwikkelt eind de jaren 1950 en verdwijnt begin de jaren 1960. De Expo 58?stijl weerspiegelt het optimisme van die periode en geeft het functionalisme een menselijke toets door een nieuwe vormentaal te introduceren, die onder meer bestaat uit V?kolommen, uitstekende kroonlijsten en luifels, boemerangvormige deurklinken, zigzagvormige borstweringen, stervormige motieven, gekleurde sandwichpanelen en decoratief latwerk. De stijl hanteert graag diagonale lijnen, onregelmatige, hoekige of gebogen vormen. De toegepaste structuren zijn licht (de draagstructuur wordt vaak zichtbaar gelaten) en de kleuren zijn dikwijls levendig en contrastrijk. De voorkeur gaat uit naar moderne materialen zoals beton, metaal en grote glaspartijen. In Brussel kent de tendens een groot succes in de wijken van de stadsrand die tegen het einde van de jaren 1950 worden ontwikkeld. Laat modernisme Periode: ca. 1970-1980 Tijdens de jaren 1970 en 1980 haalt de residentiële architectuur de mosterd bij de uiteenlopende tendensen van die periode. In het late modernisme zijn niet alleen de basisprincipes van het modernisme terug te vinden (rationaliteit, eenvoudige volumes, weinig ornamenten, functionele organisatie van de ruimte), maar ook elementen van het brutalisme (leesbaarheid van de structuur en benadrukking van ruwe materialen). Toch worden die principes verzacht door toegevingen die de wens weerspiegelen om moderniteit te verzoenen met de verwachtingen van de middenklasse, die geeft om comfort en streeft naar inpassing in het bestaande stadsweefsel. In die laat modernistische realisaties staan zichtbare (ruwe) baksteen, het samenspel van open en gesloten vlakken (blinde muren en glaspartijen), insprongen en hoogteverschillen en sobere kubusvormige volumes centraal. Bepaalde contextbepalende elementen worden ingewerkt, zoals hellende daken met dakpannen in residentiële wijken. Ook daken lenen zich tot spelen met in- en uitsprongen, hoogteverschillen, open en gesloten vlakken. In appartementsgebouwen krijgen de gevels ritme aan de hand van prefabmodules en brede balkons met metalen en glazen borstweringen (rookglas). Het Brusselse laat modernisme van de jaren 1970-1980 kan dan ook worden gezien als een fase van rationalisering en verspreiding van het modernisme, toegepast op een breed scala aan residentiële typologieën. Het getuigt van een periode waarin architectuur tegelijk praktisch, economisch en modern wilde zijn en zich tevens wilde verankeren in een lokale materialiteit en in vormen aangepast aan het dagelijkse gebruik. Dat erfgoed, dat niet spectaculair is en soms als strak wordt beschouwd, vertegenwoordigt niettemin een essentiële fase in de evolutie van het Brusselse stadslandschap en luidt de overgang in tussen het naoorlogse klassieke modernisme en de opkomst van het postmodernisme in de jaren 1980.. De kerk is opgevat volgens een helder en functioneel programma dat aansluit bij de vernieuwde liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). De centrale gebedsruimte heeft een vierkant grondplan, waarin twintig betonnen zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd. een kooromgang suggereren. Het witmarmeren podium markeert subtiel het koorgedeelte en benadrukt de eenvoud en leesbaarheid van de ruimte.
Ook aan de buitenzijde onderscheidt het gebouw zich door een zeldzame expressieve vormentaal. De gevel wordt gekenmerkt door een compositie van kubistische volumes, waarin gesloten en open muurvlakken elkaar afwisselen.
Historische waarde
De kerk is een representatief voorbeeld van de kerkarchitectuur in de naoorlogse periode, sterk beïnvloed door liturgische vernieuwingen.
Daarnaast heeft het een contextuele waarde; het weerspiegelt de ontwikkeling van de gemeente zelf waarbij de bevolkingsaangroei na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe, grotere kerk noodzakelijk maakte.
In die context fungeert het gebouw als referentieproject binnen het oeuvre van de architecten René Aerts en Paul Ramon; het neemt een belangrijke plaats in in de architectuurgeschiedenis van de tweede helft van de twintigste eeuw in België.
Tenslotte heeft de kerk een contextuele waarde als een betekenisvol element in zijn omgeving, centraal gelegen in de wijk en vlak naast de vroegere kerk die na de bouw van de nieuwe werd afgebroken.
Sociale waarde
De kerk is een representatief voorbeeld van een naoorlogse gebedsruimte die deel uitmaakt van de lokale gemeenschapsvoorzieningen. Ze vervulde een belangrijke rol voor de geloofsgemeenschap van de Wijk Stokkel.
Stedenbouwkundige waarde
De kerk heeft een contextuele waarde omdat het een hoek in het stedelijk landschap nadrukkelijk markeert. Het is een hooggelegen herkenningspunt in de wijk, achteruitgelegen ten opzichte van de Kerkstraat, met een voorplein met monumentaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. trap, en overhellend aan de Henri Vandermaelenstraat met een passage die meer ruimte geeft aan de voetganger.
Technische waarde
De kerk is technisch vernieuwend en zodoende representatief voor een vooruitstrevende bouwtechniek, met een betonskeletstructuur waarbij de gevels niet-dragend zijn.
Bronnen
Archieven
Archief van de kerkfabriek (niet geklasseerd fonds).
GASPW/DS 160 (2001).
GASPW/OW 8016, 8017, 8018, 8019, 8022, 8023.
Verzameling postkaarten Dexia Bank.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., JANSSENS, W., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Sint-Pieters-Woluwe, Brussel, 1980, pp. 17-18.
FALKENBACK, P., Historique de Woluwe-Saint-Pierre, Administration Communale de Woluwe-Saint-Pierre, 1992, pp. 62 tot 65.
JANSEGERS, J., Korte historiek over de Onze-Lieve-Vrouwparochie te Stockel, Tielt, Lannoo, 1963.
TEMMERMAN, C., D'HUART, T., 1897-1997. Les 100 ans de l'avenue de Tervueren, Bruxelles, 1997, p. 25.
Tijdschriften
Architecture, 80, 1967, reclamepagina.
VAN MEERBEEK, A., DE BROECK, M., « Groei en bloei van een gehucht: Stokkel », Brabant Toerisme, 1, 1981, pp. 30-31.
MAES, A., CNOPS, P., « De Herkomst van de zijaltaren van O.-L.-Vrouwkerk te Stokkel », Eigen Schoon en de Brabander, LIII, 9-12, 1970, pp. 343-360.
NOVGORODSKY, L., « L'église Notre-Dame de Stockel (Bruxelles) », La Technique des Travaux, 7-8, 1968, pp. 203-209.
Opmerkelijke bomen in de nabijheid















