Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Typologie(ën)
kerk/kathedraal/basiliek
Ontwerper(s)
Willy VAN HOVE – architect – 1947-1952
Juridisch statuut
Ingeschreven in de wettelijke inventaris op 19 augustus 2024
Stijlen
Neoromaans
Art deco
Inventaris(sen)
- Het monumentale erfgoed van België. Schaarbeek (Apeb - 2010-2015)
Dit (deze) goed(eren) bezit(ten) de volgende waarde(n)
- Artistiek Het ontwerp van een onroerend goed (gebouw) door een gerenommeerde kunstenaar (architect) kan maar zeer zelden als criterium worden beschouwd. Om het belang van de selectie van dit onroerend goed te beoordelen, en de plaats dat het inneemt in het oeuvre van een kunstenaar (architect), is dit een criterium dat moet worden afgewogen met de architectonische kwaliteit (compositie en interne structuur), de uitvoering (materialen, technische beheersing), de plaats in de architectuurgeschiedenis dewelke een getuigenis zijn van een fase of aspect van landschapsarchitectuur of de bouwkunst in het verleden. Zodoende gelden koppelingen naar volgende criteria: zeldzaamheid (typologie, stijl, materiaalgebruik, bronnen), representativiteit (idem), authenticiteit (idem + de kwaliteit van de uitvoering) en integriteit (bewaringstoestand, oorspronkelijke elementen)). Een goed bevat ook artistieke waarde als het kunstwerken omvat (beeldhouwwerken, reliëfs ontworpen voor het goed, enz.) of decoratieve elementen uit de oorspronkelijke bouwperiode of met bijzondere kwaliteit (gesigneerd glasramen, sgraffito, lichtbeuk, enz.).
- Esthetisch Historisch gezien werd die waarde aangewend om waardevolle groene ruimten en natuurlijke of halfnatuurlijke gebieden aan te duiden. De waarde kan ook gelden voor grote gehelen van gebouwen in een stedelijk gebied, met of zonder natuurlijke elementen, of monumenten die het stadslandschap markeren. Een afweging met andere waarden dringt zich tevens op: de artistieke, de landschappelijke (integratie van het werk in het stedelijk landschap, oriëntatiepunten in de stad) en de stedenbouwkundige waarde (spontane of rationele stedelijke gehelen). De volgende selectiecriteria worden er eveneens aan gekoppeld: de ensemblewaarde en de contextuele waarde.
- Historisch Het onroerend goed heeft een historische waarde : - als het getuigt van een bijzondere periode in de geschiedenis van de streek of de gemeente; - of als getuigenis van een periode en/of een zeldzame ontwikkeling van een periode (bv. tuinstad die representatief is voor een bouwwijze die werd toegepast in het kader van de grote bouwcampagnes na de Tweede Wereldoorlog; dorpskernen die de eerste gegroepeerde bouwwerken van de gemeenten van de tweede ring illustreren; de Hallepoort als overblijfsel van de tweede omwalling; - of als getuigenis van een bepaalde stedelijke (en/of landschappelijke) ontwikkeling van de stad (bv. gebouwen aan de centrale lanen of in de Leopoldswijk); - of wanneer het een band vertoont met een belangrijke historische figuur – met inbegrip van persoonlijke huizen van architecten en kunstenaarsateliers (bv. het geboortehuis van Constantin Meunier, het huis van Magritte); - of in verband kan worden gebracht met een belangrijke historische gebeurtenis (bv. huizen van de wederopbouw na het bombardement van 1695, de Congreskolom); - of een typologische representativiteit vertoont die kenmerkend is voor een commerciële of culturele beroepsactiviteit (bv. kerken, bioscopen, industriële architectuur, apotheken); - of als het representatief is van het oeuvre van een belangrijke architect in de architectuurgeschiedenis op internationaal, nationaal, regionaal of lokaal niveau (dit betreft zowel befaamde architecten als V. Horta, V. Bourgeois, M. Polak als secundaire architecten, die lokaal verbonden worden aan een gemeente zoals Fernand Lefever in Koekelberg of Emile Hoebeke in Sint-Agatha-Berchem).
Onderzoek en redactie
2010-2012
id
Urban : 20685
Beschrijving
Parochiekerk met invloeden van de neoromaanseDe
Neoromaanse stijl behoort tot de vroegste uitingen van het negentiende-eeuwse
historisme in België en kende zijn bloeiperiode tussen circa 1840 en 1900, met
een heropleving tijdens het interbellum (cfr. oeuvre van architect Chrétien
Veraart). Deze stijl grijpt terug op de architectuur van de romaanse periode
(11e–12e eeuw).
Hoewel de Neogotiek al snel de dominante religieuze stijl werd, bleef de
Neoromaanse richting in Brussel aanwezig in kerkelijke, educatieve en
institutionele gebouwen, vaak in combinatie met andere neostijlen binnen het
eclecticisme.
De Neoromaanse stijl onderscheidt zich door haar massieve, sobere en plastisch
gedefinieerde architectuur, waarin de constructie en de decoratie een
duidelijke eenheid vormen. Typische kenmerken zijn: gebruik van rondbogen voor
vensters, portalen en arcades; zware pijlers en zuilen met eenvoudige
kapitelen; symmetrische, gesloten gevelcomposities; cilindrische torens of
vierkante westtorens met schilddak; kleine vensteropeningen die een robuust
muurvlak behouden; gevels in natuursteen of baksteen, vaak in combinatie met
witte steenaccenten; decoratieve banden in baksteen of mozaïek, verwijzend naar
de Lombardische of Rijnlandse romaanse tradities.
De stijl evoceert een gevoel van stevigheid, rust en spirituele concentratie,
wat hem bijzonder geschikt maakte voor religieuze architectuur en instellingen
met een morele of educatieve functie.
De Neoromaanse stijl moet in Brussel worden begrepen binnen het bredere
ideologische kader van de katholieke herleving in de negentiende eeuw. In de
nasleep van de Belgische onafhankelijkheid (1830) ontstond een hernieuwde
belangstelling voor het christelijke erfgoed van de middeleeuwen, dat men
beschouwde als een bron van morele stabiliteit en nationale continuïteit.
De Neoromaanse stijl werd gezien als een oorspronkelijke en sobere
architectuur, die een authentieke spiritualiteit uitdrukte, in contrast met de
meer emotionele gotiek of de wereldse classicistische stijlen.
Daarnaast werd de stijl ook in eclectische contexten gebruikt, met name voor
scholen, kazernes, ziekenhuizen en kloosters. Daar bood hij een symboliek van
discipline, orde en eenvoud, die goed aansloot bij de waarden van de
negentiende-eeuwse burgerlijke maatschappij. stijl en de art decoPeriode: 1920-1940
De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan
bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan
de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes,
die in 1925 in Parijs plaatsvond.
De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en
volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde
voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar
geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische
of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische
kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met
Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale
periode op de Brusselse architectuur.
De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele
bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan
kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend
beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk
maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe
grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en
spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of
in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote
glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken
(soms voorzien van een gestileerde koepel).
Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar
onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het
midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het
contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd
(badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals
marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd.
In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de
eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn
gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken,
waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich
laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een
elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot
een courante bouwstijl.
In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door
elementen van het modernisme te integreren en met name van de
scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie
“pakketbootstijl”)., n.o.v. architect Willy Van Hove, 1947-1952. Vervangt een noodkerk uit 1905.

Geschiedenis
In 1905 werd abt Henri Heyters, vicaris van Sint-Servaas, door het aartsbisdom Mechelen belast met de bouw van een nieuwe parochiekerk in Schaarbeek. In datzelfde jaar werd, op de plaats van het huidige gebouw, een noodkerk gebouwd n.o.v. architecten Struyven en Dankelman. Ze vertoonde neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). invloeden en werd toegewijd aan Sint Theresia van Avila en aan Sint Aleydis van Schaarbeek, een cisterciënzerzuster die op 11.06.1250 aan de gevolgen van lepra overleed in de abdij van Ter Kameren. Ze werd toen heilig verklaard. Bij K.B. van 17.06.1907 werd het gebouw een parochiekerk, de Sint Theresia en Aleydiskerk. In 1932, om in te spelen op de toenemende verstedelijking en de groeiende bevolking, werd aan de Rogierlaan een eredienstplaats gebouwd die uitsluitend aan Sint Theresia was toegewijd (zie Rogierlaan nr. 350a). In 1946 werd abt Paul Vandermeulen belast met de bouw van een definitieve kerk aan de Daillylaan. Een eerste ontwerp, dat in datzelfde jaar nog door architect Willy Van Hove werd getekend, werd in 1948 ingediend. Het werd echter geweigerd door zowel de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen als het aartsbisdom. In 1951 volgde een tweede ontwerp, dat eveneens werd afgewezen. In 1952 werd het definitieve ontwerp, nog altijd van Van Hove, aangenomen door de overheden (Ministerie van Justitie, Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, aartsbisdom, Provincie Brabant, Gemeente Schaarbeek). Na de sloop van het huis op nr. 136 legde kardinaal Van Roey op 13.06.1953 de eerste steen van de kerk, die op 30.09.1954 door kardinaal Suenens werd ingewijd.

Beschrijving
Kerk van het basiliektype, met schip geflankeerd door twee smalle zijbeuken, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Koor met halfronde koorafsluiting, geflankeerd door twee kleine altaren. Achter het koor loopt een wandelgang; links bevindt zich de sacristie, onder een catechesezaal.
Buitenkant
Monumentale gevel bekleed met hardstenen tegels, schuin ingeplant ten opzichte van de rooilijn van de laan. Symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. met drie trapsgewijs opgestelde volumes onder plat dak. De zijvolumes zijn enkel aan hun voet en top opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met twee registersVensterstrook in een topgevel. van drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., met uitspringende omlijsting en schuine onderdorpel. Inspringend centraal volume achter een trappenpartij, met centrale bekroning die een vierkante toren vormt. Acht kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. verdelen een groot rondboogvormigBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met een zware dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op. die het oksaal aangeeft. Op de benedenverdieping, drie breed opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deuren tussen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) onder een dikke platte luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak.. Toren met drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. muuropeningen met galmborden, bekroond door een betonnen kruis. Hellend toegangsvlak aangelegd in 1990. Bewaard metalen raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. in de eerste bouwlaag.

Interieur
Muren in geelgekleurde baksteen en kunststeen, vloer bedekt met terracottategels. Schip van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., onder een tongewelf van gewapende holle baksteen opgehangen aan een metalen geraamte. Hoge rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., vier monelenStenen vensterstijl. en schuine onderdorpel. Smalle en lage zijbeuken onder plat dak, met vier biechtstoelen in travertijn en met invloed van art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”).. Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) bekroond door een grote tribune op zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., deels overdekt door een oksaal. Ze zijn allebei voorzien van een stenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met decor van ingewerkte ruiten. Toegangsportiek met links een oratorium en rechts een doopkapel waarvan de vloer met groen mozaïek is bedekt; massieve hardstenen doopvont in omgekeerde kegelvorm, versierd met mozaïek. Kruisweg in gedreven koper van M. Lejeune (1955). Orgel in moderne stijl van Aloys Thunus (1958).
Koor met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met twee monelenStenen vensterstijl. die verwant zijn aan die van het schip. Centraal, blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. versierd met een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kruis. Vloer in zwart marmer van Mazy. Altaren in hetzelfde materiaal, geprofileerd in trapeziumvorm.


Geschiedenis
In 1905 werd abt Henri Heyters, vicaris van Sint-Servaas, door het aartsbisdom Mechelen belast met de bouw van een nieuwe parochiekerk in Schaarbeek. In datzelfde jaar werd, op de plaats van het huidige gebouw, een noodkerk gebouwd n.o.v. architecten Struyven en Dankelman. Ze vertoonde neogotischeDe Neogotische stijl in Brussel is een van de meest invloedrijke en langdurige neostijlen van de negentiende eeuw, en vormt een essentieel hoofdstuk in de geschiedenis van het Belgische eclecticisme en de katholieke heropleving na 1830. Deze stijl herneemt en herinterpreteert de vormen, constructieprincipes en symboliek van de middeleeuwse gotiek, en kreeg in Brussel zowel een religieuze, ideologische als nationale dimensie. De neogotiek ontstond in België in de context van het romantische nationalisme en de restauratie van religieuze architectuur, geïnspireerd door voorbeelden uit Engeland (Pugin, Ruskin) en Frankrijk (Viollet-le-Duc). In Brussel vond de stijl vruchtbare grond dankzij de samenwerking tussen de katholieke kerk, de overheid en invloedrijke architecten die de gotiek beschouwden als de ware christelijke bouwstijl van het middeleeuwse Europa. Tussen 1830 en 1914 ontwikkelde de Brusselse neogotiek zich van een restauratiestijl naar een volwaardig scheppende stroming, toegepast op kerken, scholen, kloosters en zelfs burgerlijke gebouwen. De Brusselse neogotiek herneemt de structurele en esthetische principes van de oorspronkelijke gotiek, maar vertaalt deze met negentiende-eeuwse middelen en materialen. Typische kenmerken zijn: verticalisme en sterke opwaartse dynamiek; spitsbogen, kruisribgewelven en pinakels; gebruik van natuursteen en baksteen, soms gecombineerd in polychrome patronen; rijk uitgewerkte venstertraceringen en maaswerk; toepassing van iconografische programma’s (beelden, glasramen) met religieuze of symbolische betekenis; nadruk op ambachtelijke detaillering en het expressieve karakter van de constructie. Daarnaast werden talloze interieurs, altaren, glasramen en meubilair in neogotische stijl ontworpen door kunstenaars en ateliers zoals dat van Jean-Baptiste Bethune, die de stijl vanuit Vlaanderen in Brussel hielp verspreiden. De neogotiek in Brussel omvat verschillende varianten: een romantisch geïnspireerde vroege fase, een wetenschappelijk-constructieve richting als restauratie-architectuur onder invloed van Viollet-le-Duc (vb: Broodhuis, Onze-Lieve-Vrouw ter Zavelkerk), in parallel met een creatieve scheppende stijl (vb: Sint-Bonifaaskerk), en een laat-eclectische fase waarin gotische motieven worden gecombineerd met neoromaanse of neorenaissance-elementen (vb: Redemptoristenklooster en de Sint-Magdalenakerk, Jette). De Neogotische stijl vertegenwoordigt in Brussel niet enkel een historische revival, maar ook een cultureel programma dat de identiteit van de hoofdstad mede vormgaf. Zij beïnvloedde de stedelijke morfologie, de beeldtaal van de religieuze architectuur en zelfs de decoratieve kunsten (glasramen, meubilair, smeedwerk). invloeden en werd toegewijd aan Sint Theresia van Avila en aan Sint Aleydis van Schaarbeek, een cisterciënzerzuster die op 11.06.1250 aan de gevolgen van lepra overleed in de abdij van Ter Kameren. Ze werd toen heilig verklaard. Bij K.B. van 17.06.1907 werd het gebouw een parochiekerk, de Sint Theresia en Aleydiskerk. In 1932, om in te spelen op de toenemende verstedelijking en de groeiende bevolking, werd aan de Rogierlaan een eredienstplaats gebouwd die uitsluitend aan Sint Theresia was toegewijd (zie Rogierlaan nr. 350a). In 1946 werd abt Paul Vandermeulen belast met de bouw van een definitieve kerk aan de Daillylaan. Een eerste ontwerp, dat in datzelfde jaar nog door architect Willy Van Hove werd getekend, werd in 1948 ingediend. Het werd echter geweigerd door zowel de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen als het aartsbisdom. In 1951 volgde een tweede ontwerp, dat eveneens werd afgewezen. In 1952 werd het definitieve ontwerp, nog altijd van Van Hove, aangenomen door de overheden (Ministerie van Justitie, Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, aartsbisdom, Provincie Brabant, Gemeente Schaarbeek). Na de sloop van het huis op nr. 136 legde kardinaal Van Roey op 13.06.1953 de eerste steen van de kerk, die op 30.09.1954 door kardinaal Suenens werd ingewijd.

Beschrijving
Kerk van het basiliektype, met schip geflankeerd door twee smalle zijbeuken, onder zadeldakDak met twee hellende dakvlakken.. Koor met halfronde koorafsluiting, geflankeerd door twee kleine altaren. Achter het koor loopt een wandelgang; links bevindt zich de sacristie, onder een catechesezaal.
Buitenkant
Monumentale gevel bekleed met hardstenen tegels, schuin ingeplant ten opzichte van de rooilijn van de laan. Symmetrische compositieTypische gevelopstand bestaande uit drie gelijke traveeën; in Brussel komt dit geveltype vaak voor met drie bouwlagen volgens verkleinende ordonnantie; de centrale travee wordt in vele gevallen rijker uitgewerkt en benadrukt door haar licht te laten uitspringen en/of door één of meerdere balkons; het grondplan bestaat over het algemeen uit een aaneenschakeling van kamers. met drie trapsgewijs opgestelde volumes onder plat dak. De zijvolumes zijn enkel aan hun voet en top opengewerktOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. met twee registersVensterstrook in een topgevel. van drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. onder rondboogBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft., met uitspringende omlijsting en schuine onderdorpel. Inspringend centraal volume achter een trappenpartij, met centrale bekroning die een vierkante toren vormt. Acht kolossaleZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. pilastersPlatte, weinig uitspringende muurpijler, vaak met basis en kapiteel. verdelen een groot rondboogvormigBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. vensterLicht- en/of luchtopening in een muur. met een zware dwarsregelEen dwarsregel deelt het kozijn van een deur of raam horizontaal op. die het oksaal aangeeft. Op de benedenverdieping, drie breed opengewerkteOpengewerkt, voorzien van een stelsel van kleine, decoratieve openingen. houten deuren tussen pijlers1. Muurstut zonder entasis (kromming), mogelijk met basis en kapiteel; - 2. Massief gemetseld of betonnen steunelement met gewoonlijk rechthoekige doorsnede (vb. bruggepijler,…) onder een dikke platte luifelAfdak boven de ingang van een huis of handelszaak.. Toren met drie gekoppeldeTwee of meerdere identieke bouwelementen (vensters, zuilen, pilasters) die tot een groter (symmetrisch) geheel zijn samengevoegd. rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. muuropeningen met galmborden, bekroond door een betonnen kruis. Hellend toegangsvlak aangelegd in 1990. Bewaard metalen raamwerkVast of bewegend houten of metalen omlijsting van een ruit binnen een kozijn. in de eerste bouwlaag.

Interieur
Muren in geelgekleurde baksteen en kunststeen, vloer bedekt met terracottategels. Schip van drie traveeënVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) met arcadesEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn., onder een tongewelf van gewapende holle baksteen opgehangen aan een metalen geraamte. Hoge rondboogvormigeBoog waarvan de kromming een halve cirkel beschrijft. venstersLicht- en/of luchtopening in een muur., vier monelenStenen vensterstijl. en schuine onderdorpel. Smalle en lage zijbeuken onder plat dak, met vier biechtstoelen in travertijn en met invloed van art decoPeriode: 1920-1940 De art?decostijl ontstaat in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en sluit aan bij de geometrische tendens van de art nouveau. De stijl ontleent zijn naam aan de Exposition internationale des Arts décoratifs et industriels modernes, die in 1925 in Parijs plaatsvond. De belangrijkste kenmerken vertalen zich in de geometrisering van lijnen en volumes, in soberheid en symmetrie, terwijl toch een uitgesproken voorliefde voor ornamenten behouden blijft. Die ornamenten neigen eveneens naar geometrische vormen. De inspiratiebronnen voor versieringen komen uit exotische of oude artistieke tradities (het Oosten, Afrika, precolumbiaanse en Egyptische kunst, Grieks-Romeinse oudheid). De integratie van plantenmotieven met Afrikaanse inspiratie illustreert de stilistische impact van de koloniale periode op de Brusselse architectuur. De art deco toont een grote belangstelling voor uiteenlopende traditionele bekledingsmaterialen (baksteen en pleisterwerk), die een hele waaier aan kleuren en texturen bieden. De stijl geeft blijk van een voorkeur voor gewapend beton, waarvan de plasticiteit sculpturale vormen en imposante volumes mogelijk maakt die kenmerkend zijn voor de art deco. Het materiaal laat bovendien toe grote open binnenruimten te ontwerpen, ideaal voor monumentale inkomhallen en spektakelzalen. De voorliefde voor kleur uit zich soms ook in het raamwerk of in metalen elementen. De architectuur geeft bovendien de voorkeur aan grote glaspartijen (die soms de vorm aannemen van bow-windows) en aan platte daken (soms voorzien van een gestileerde koepel). Op grondplannen worden de binnenruimtes van woningen meer van elkaar onderscheiden (woonkamer, eetkamer, slaapkamers), terwijl de trap soms naar het midden of de voorzijde van de woning wordt verplaatst om de achtergevel en het contact met de tuin vrij te maken. Nieuwe comfortruimten worden geïntegreerd (badkamer, toilet, keuken, functionele inkomruimte). Verfijnde materialen zoals marmer, marbriet, granito, mozaïek en gekleurd glas worden gewaardeerd. In Brussel, zoals elders, leent de art?deco?esthetiek zich perfect voor de eisen van decorum en comfort van gebouwen die aan ontspanning en luxe zijn gewijd (hotels, bioscopen, warenhuizen, theaters), evenals voor die van luxeappartementsblokken, waarvan de bouw – gestimuleerd door de wet van 1924 op de mede-eigendom – zich laat inspireren door Parijse voorbeelden. Hoewel de beweging aanvankelijk een elitaire basis heeft, wordt ze al snel een populair succes en groeit ze uit tot een courante bouwstijl. In de jaren 1930 evolueert de decoratieve expressie van de art deco door elementen van het modernisme te integreren en met name van de scheepsarchitectuur (vlaggenmasten, patrijspoorten, aerodynamische vormen) (zie “pakketbootstijl”).. Eerste traveeVerticale geleding van een gevel, bepaald door afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten (vb. muurdammen, zuilen, ...) bekroond door een grote tribune op zuilenCilindervormig steunpunt; vaak voorzien van basis en kapiteel. De kleine en/of dunne variant ervan wordt colonnet genoemd., deels overdekt door een oksaal. Ze zijn allebei voorzien van een stenen borstwering1. Verhoogd gedeelte van een vestingsmuur waarachter men veilig kan lopen; - 2. Muurtje of hekwerk (balkon, terras); - 3. Deel van een muur tussen vloer en onderzijde van een venster; - 4. Verhoging van de buitenmuren van een huis boven de zolderbalken waarop een muurplaat rust. met decor van ingewerkte ruiten. Toegangsportiek met links een oratorium en rechts een doopkapel waarvan de vloer met groen mozaïek is bedekt; massieve hardstenen doopvont in omgekeerde kegelvorm, versierd met mozaïek. Kruisweg in gedreven koper van M. Lejeune (1955). Orgel in moderne stijl van Aloys Thunus (1958).
Koor met venstersLicht- en/of luchtopening in een muur. met twee monelenStenen vensterstijl. die verwant zijn aan die van het schip. Centraal, blindeZonder opening; blind venster, schijnopening. arcadeEén of meerdere bogen, steunend op zuilen of pijlers; kan ook blind zijn. versierd met een monumentaalZuilen of pilasters die over de volle hoogte of over meer dan één verdieping opgaan, onafhankelijk van de door vensters en bouwlagen gegeven maten. kruis. Vloer in zwart marmer van Mazy. Altaren in hetzelfde materiaal, geprofileerd in trapeziumvorm.

Bronnen
Archieven
GAS/DS 61-136-142.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., Het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Schaarbeek I-II-III, Ministerie van de Franse Cultuur, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Brussel, 1979, pp. 12-13.
Église et paroisse Sainte-Alice 1954 Schaerbeek, Éditions Charitas, Schaarbeek, 1954.
Tijdschriften
VAN DEN HAUTE, R., “Sainte-Alice de Schaerbeek”, Scarenbeka, maart 1999, pp. 20-21.
Persartikels
“La consécration de la nouvelle église Ste-Alice avenue Dailly”, Journal de Schaerbeek, 15.10.1954.
Websites
Orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Modern orgel op galerij (Thunus, 1958).
GAS/DS 61-136-142.
Publicaties en studies
COEKELBERGHS, D., Het Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische Bedehuizen, Provincie Brabant, Kanton Schaarbeek I-II-III, Ministerie van de Franse Cultuur, Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, Brussel, 1979, pp. 12-13.
Église et paroisse Sainte-Alice 1954 Schaerbeek, Éditions Charitas, Schaarbeek, 1954.
Tijdschriften
VAN DEN HAUTE, R., “Sainte-Alice de Schaerbeek”, Scarenbeka, maart 1999, pp. 20-21.
Persartikels
“La consécration de la nouvelle église Ste-Alice avenue Dailly”, Journal de Schaerbeek, 15.10.1954.
Websites
Orgels in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Modern orgel op galerij (Thunus, 1958).
Opmerkelijke bomen in de nabijheid













































